Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:1715

2026-07-01 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/90 en 25/118
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-07-01
Publicatiedatum
2026-07-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/90 en 25/118
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd. Tevens is een verzuimboete opgelegd. Door het plaatsen van een laadbak wordt niet langer voldaan aan de inrichtingseisen van een bestelauto. De auto van belanghebbende is door de inspecteur terecht aangemerkt als personenauto. De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is terecht opgelegd. Het hof oordeelt dat wat betreft de boete geen sprake is van avas. Belanghebbende heeft niet alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.840 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/90 en 25/118



Uitspraak op het hoger beroep van





De heer [belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,




en op het hoger beroep van





de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,



tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 januari 2025, nummer BRE 23/10043 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over de periode 14 november 2020 tot en met 13 november 2021 opgelegd van € 2.104. Tevens is bij beschikking een boete van € 2.104 opgelegd.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij is de boete verminderd tot € 526.



1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.




1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 25/90. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.



1.5.
Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 25/118. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [belanghebbende] , zijn schoonzoon en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .




1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.





2Feiten


2.1.
Belanghebbende was vanaf 14 mei 2021 houder van een motorrijtuig van het merk en type Toyota Hilux met kenteken [kenteken] (hierna: het motorrijtuig). Op 15 januari 2021 is het motorrijtuig gekeurd door de RDW en heeft de RDW het motorrijtuig geregistreerd als 'opleggertrekker'. Op 14 mei 2021 is het motorrijtuig op naam van belanghebbende gesteld in het kentekenregister. De datum van eerste toelating is eveneens 14 mei 2021. Belanghebbende heeft motorrijtuigenbelasting betaald naar het bestelautotarief.



2.2.
Op 7 september 2021 is het motorrijtuig naar aanleiding van een zichtmelding onderzocht. Bij de controle zijn foto’s gemaakt waarop is te zien dat er op het chassis van het motorrijtuig een laadbak is geplaatst. Ook is bij de controle geconstateerd dat het motorrijtuig niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto met een dubbele cabine:


De laadruimte dient voor ten minste 40% van de lengte voor het hart van de achterste as geplaatst te zijn. Nu de lengte van het deel van de laadruimte voor het hart van de achterste as gemeten is op 59 cm en de lengte van de laadruimte 155 cm bedraagt, betekent dit dat minder dan 40% van de lengte van de laadruimte (40% van 155 cm = 62 cm) zich voor de achterste as bevindt.


De laadruimte dient een lengte van ten minste tweemaal die van de cabine te hebben (minimaal 300 cm). Hieraan wordt niet voldaan, want de lengte van de cabine bedraagt 150 cm, terwijl de laadruimte 155 cm lang is. Omdat de hoogte van de cabine 115 cm is en dus lager dan 130 cm, dient aan deze eis te worden voldaan.





2.3.
De inspecteur heeft het motorrijtuig aanmerkt als personenauto en heeft een naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 2.104. Daarbij heeft hij bij beschikking een boete van € 2.104 opgelegd.



2.4.

De inspecteur heeft per e-mail van 20 maart 2024 verzocht om een toelichting over de status van het motorrijtuig ten tijde van de keuring door de RDW. Naar aanleiding daarvan heeft de RDW per e-mail van 25 maart 2024 (onder meer) het volgende verklaard:
“Ik heb de vraag uitgezet bij een technische collega en die kwam met onderstaand antwoord: Als ik kijk naar de carrosseriecode dan zou ik zeggen dat dit voertuig aangeboden is als trekker, zonder laadbak, als dit voertuig met laadbak aangeboden was, dan zou dit voertuig 2codes moeten hebben.”




2.5.
De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.052 omdat het motorrijtuig pas vanaf 14 mei 2021 op naam van belanghebbende staat. De naheffingsaanslag ziet dus op de periode 14 mei 2021 tot en met 13 november 2021. Verder heeft de rechtbank de boetebeschikking vernietigd.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- is de naheffingsaanslag na vermindering in beroep terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
- is de verzuimboete na vermindering in bezwaar terecht opgelegd? Meer in het bijzonder, is aan de zijde van belanghebbende sprake van afwezigheid van alle schuld (hierna: avas)?




3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag en bevestiging van de uitspraak van de rechtbank wat betreft de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank wat betreft de naheffingsaanslag en tot het vaststellen van een verzuimboete op 25% van de nageheven belasting.





4Gronden



Ten aanzien van het geschil





Naheffingsaanslag



4.1.
Belanghebbende voert aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het motorrijtuig ten tijde van de aankoop kwalificeerde als een bestelauto. Het motorrijtuig heeft immers de vermelding ‘opleggertrekker’ in het kentekenregister van de RDW. Daarnaast is het motorrijtuig volgens belanghebbende alleen geschikt en bedoeld voor het vervoer van zeer zware materialen en aanhangers. Het motorrijtuig is dus bedoeld voor zakelijke doeleinden en niet voor privédoeleinden (vervoer van personen), aldus belanghebbende. Belanghebbende is verder van mening dat de naheffing niet evenredig en niet redelijk en billijk is. Ter zitting heeft belanghebbende nog de nauwkeurigheid van de meetmethode met een meetlint betwist.



4.2.
De inspecteur stelt dat het motorrijtuig niet voldoet aan de (fiscale) inrichtingseisen van een bestelauto en ook niet aan de voorwaarden van de goedkeuring in het Kaderbesluit Motorrijtuigenbelasting (hierna: het Besluit). De inspecteur onderbouwt zijn stelling met een controlerapport inclusief metingen en foto’s.



4.3.

Het hof oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het motorrijtuig niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:
“4.5 Uit de tekst van het Besluit volgt dat een aangepast motorrijtuig met een laadbak -
welke zich niet onderscheidt van een “regulier” motorrijtuig - moet voldoen aan alle fiscale
inrichtingseisen voor een bestelauto. De rechtbank verwerpt het standpunt van
belanghebbende dat de auto na plaatsing van de laadbak nog kwalificeerde als bestelauto.
Door de plaatsing van de laadbak moet de auto voldoen aan alle fiscale inrichtingseisen van
een bestelauto en dat is hier niet het geval. De door belanghebbende aangevoerde
omstandigheid dat de laadbak demontabel is, maakt dit niet anders.




4.6

Hoewel de RDW de auto heeft gekeurd als ‘opleggertrekker’, constateert de
rechtbank dat de auto met laadbak niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in het Besluit.
Om die reden neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de auto is aangepast gedurende de
periode tussen de keuring door de RDW en het moment van de overdracht (zie 3.4). Het ligt
op de weg van belanghebbende om bewijs te leveren dat de RDW de auto in de huidige staat
als opleggertrekker heeft gekeurd. Daar is belanghebbende niet in geslaagd.
Belanghebbende noemt daarentegen zelf in het beroepschrift dat de auto op 14 mei 2021
professioneel is aangepast naar de huidige staat. Niet aannemelijk is dat de auto in het
tijdvak waarover de naheffingsaanslag is opgelegd op enig moment voldeed aan de onder



3.1

genoemde inrichtingseisen. Derhalve is de naheffingsaanslag in beginsel terecht
opgelegd.”



Het hof acht deze overwegingen juist en op goede gronden gegeven en maakt die tot de zijne.




4.4.
Voor zover belanghebbende zich beroept zich op het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, omdat de RDW het motorrijtuig heeft geregistreerd als opleggertrekker en niet als personenauto, faalt deze klacht. Op het moment van de controle voldeed het motorrijtuig niet aan de fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto. Dat is ook het relevante tijdstip voor de beoordeling van het tarief voor de motorrijtuigenbelasting over dat specifieke tijdvak. De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat het motorrijtuig op 15 januari 2021 zonder laadbak ter keuring is aangeboden aan de RDW. Belanghebbende kan geen vertrouwen ontlenen aan de keuring door de RDW, die was gebaseerd op een andere inrichting van het motorrijtuig. Bovendien geldt dat een uitlating van de RDW geen uitlating is die aan de inspecteur kan worden toegerekend. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt om die reden.



4.5.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt eveneens. Belanghebbende voert aan dat de naheffingsaanslag niet geschikt is om het doel te bereiken, te weten het misbruik van zakelijk gebruik tegengaan, omdat belanghebbende het voertuig slechts zakelijk gebruikt. Voor de toepassing van de motorrijtuigenbelasting is het van belang of een motorrijtuig al dan niet is ingericht voor personenvervoer. Of een motorrijtuig zakelijk of niet-zakelijk wordt gebruikt is daarbij niet relevant, ook personenvervoer kan zakelijk zijn. In zoverre is dus geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel. Voor zover het beroep van belanghebbende ziet op de evenredigheid van artikel 3 Wet MRB, geldt het volgende. Artikel 11 Wet algemene bepalingen, waarin tot uitdrukking is gebracht dat de rechter de redelijkheid en billijkheid van een wettelijke maatregel niet mag toetsen en het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet staan bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling in de weg aan toetsing van de Wet MRB aan het evenredigheidsbeginsel. Artikel 3 Wet MRB is immers dwingend geformuleerd en de tekst van die bepaling laat geen ruimte om daarvan af te wijken. Doordat de Wet MRB een wet in formele zin is kan niet worden getoetst aan artikel 3.4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en aan het evenredigheidsbeginsel.Voor een andere uitkomst dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, bestaat aanleiding indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarvan is hier geen sprake. Het hof ziet in dit geval geen onevenredige uitkomst die aanleiding zou kunnen geven tot een andere uitkomst dan waartoe toepassing van de wettelijke voorwaarden van de Wet MRB leidt.



4.6.
Met betrekking tot de zorgvuldigheid van de meetmethode, heeft belanghebbende gesteld dat het gebruik van een meetlint niet nauwkeurig is. Hoe deze stelling zich vervolgens verhoudt tot de auto in kwestie heeft belanghebbende geheel niet onderbouwd. In zoverre heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn stelplicht, laat staan dat belanghebbende de stelling aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft belanghebbende zelf geen nadere metingen verricht. Indien belanghebbende van mening is dat de meetmethode onjuist is geweest, had het op de weg van belanghebbende gelegen een nieuwe meting te vragen aan de inspecteur, of om zelf een dergelijke meting te (laten) doen. Het is het hof verder niet gebleken dat de metingen met het meetlint niet juist waren. Deze stelling geeft het hof daarom geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de metingen in het controlerapport van de inspecteur.



4.7.

Belanghebbendes beroep op de goedkeuring uit het Besluit op grond van de hardheidsclausule van artikel 63 Algemene wet rijksbelastingen (hierna: AWR) faalt eveneens. Voor deze goedkeuring uit het Besluit geldt dat wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met koppelschotel wordt aangepast of omgebouwd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laadbak, het motorrijtuig moet voldoen aan alle inrichtingseisen die gelden voor een bestelauto. Als het motorrijtuig niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, dan is sprake van een personenauto. Aangezien het motorrijtuig niet voldoet aan de inrichtingseisen, zie 4.3., kan een beroep op het Besluit belanghebbende niet helpen. Voor zover belanghebbende het hof verzoekt om de hardheidsclausule toe te passen, merkt het hof op dat het hof niet is bevoegd om artikel 63 AWR toe te passen. Deze
bevoegdheid is voorbehouden aan de Minister van Financiën.




4.8.
Belanghebbende voert verder aan dat de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met artikel 6 EVRM en met diverse bepalingen uit het Wetboek van strafvordering. Een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is evenwel niet bedoeld als bestraffing voor het niet voldoen aan de voorwaarden van de Wet MRB maar is bedoeld om te weinig geheven belasting na te heffen. De naheffingsaanslag kan dus niet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM. Van een schending van artikel 6 EVRM is dus geen sprake. Evenmin kan sprake zijn van schending van bepalingen van het Wetboek van strafvordering aangezien die bepalingen niet van toepassing zijn in het belastingrecht.



4.9.
Verder wijst belanghebbende op het tijdsverloop tussen de controle op 7 september 2021 en het opleggen van de naheffingsaanslag op 3 maart 2023. Dat tijdsverloop is volgens belanghebbende onredelijk en onbillijk lang en door toch de naheffingsaanslag op te leggen heeft de inspecteur volgens belanghebbende in strijd gehandeld met beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder redelijkheid en billijkheid. Deze klacht faalt ook. Weliswaar is een termijn van ongeveer anderhalf jaar tussen de controle en het opleggen van de naheffingsaanslag aan de lange kant, toch mocht de inspecteur de naheffingsaanslag nog opleggen omdat hij deze belastingaanslag heeft opgelegd binnen de termijn van vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Verder leidt alleen het lange tijdsverloop niet tot een schending van beginselen van behoorlijk bestuur waardoor de naheffingsaanslag niet in stand zou kunnen blijven.



4.10.
De overige gronden die belanghebbende nog heeft aangevoerd, leiden evenmin tot vernietiging van de naheffingsaanslag.



4.11.
Tot slot heeft de inspecteur die bevoegd is voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) eveneens een naheffingsaanslag BPM opgelegd. Voor zover belanghebbendes klachten zien op de naheffingsaanslag BPM, merkt het hof op dat de naheffingsaanslag BPM niet in geschil is in deze procedure.



Verzuimboete





4.12.
De inspecteur betoogt in hoger beroep dat geen sprake is van avas en voert daartoe het volgende aan. De motorrijtuigenbelasting is een aangiftebelasting, waarbij op belanghebbende de plicht rust om te controleren of hij het juiste tarief heeft toegepast. Belanghebbende had door de aanwezigheid van de laadbak kunnen vaststellen dat het motorrijtuig geen opleggertrekker meer is, zoals in het kentekenregister is vermeld. Vervolgens had hij moeten beoordelen of het motorrijtuig aan de inrichtingseisen van de bestelauto met dubbele cabine voldeed. Hiervoor had belanghebbende, bijvoorbeeld, de website van de Belastingdienst (www.belastingdienst.nl/mrb) kunnen raadplegen of contact kunnen opnemen met de Belastingtelefoon Auto om onderzoek te doen. Belanghebbende heeft dit echter niet gedaan.



4.13.
Het hof neemt het volgende als uitgangspunt. Indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, kan de inspecteur een verzuimboete van minimaal € 50 en ten hoogste € 5.514 opleggen.



4.14.
De boete is in overeenstemming met de wet opgelegd. Het beboetbare feit is begaan. Het motorrijtuig voldeed namelijk niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto, maar niettemin is de motorrijtuigenbelasting naar het bestelautotarief aangegeven en betaald. De boete is dus in beginsel terecht aan belanghebbende opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste en daarom niet van belang, noch de omstandigheid dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient achterwege te blijven bij avas. In dat geval wordt belanghebbende geacht niet in verzuim te zijn geweest. Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen. Op belanghebbende rust de bewijslast om de relevante feiten en omstandigheden, die een geslaagd beroep op avas rechtvaardigen, te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.



4.15.
Naar het oordeel van het hof is geen sprake van avas. Het hof overweegt daartoe het volgende.



4.16.
Belanghebbende stelt zich voor het doen van de aangifte te hebben laten informeren door de autodealer en hij verwijst naar de gegevens van de RDW. Deze twee bronnen zijn ter zake van de motorrijtuigenbelasting geen bevoegde instanties. Niet is gebleken dat belanghebbende zich er op een andere manier van heeft vergewist dat hij een juiste aangifte motorijtuigenbelasting zou indienen. Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen. Er is dan ook geen sprake van avas.



4.17.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de boete aan belanghebbende terecht is opgelegd en bovendien, na matiging tot een bedrag van € 263, passend en geboden is.



Tussenconclusie





4.18.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en het hoger beroep van de inspecteur gegrond.



Ten aanzien van het griffierecht





4.19.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.



Ten aanzien van de proceskosten





4.20.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.





5Beslissing


Het hof:



verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;


verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond;


vernietigt de uitspraak van de rechtbank maar alleen voor de beslissing over de boete;


vermindert de boetebeschikking tot € 263.




De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, J. Wessels en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van V.J. Weekers, als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.



De griffier, De voorzitter,



V.J. Weekers J.M. van der Vegt




Het aanwenden van een rechtsmiddel




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:



Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.




Artikel 24b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB).


Artikel 3, lid 1, onderdeel d, Wet MRB.


Besluit van 23 november 2015, nr. BLKB 2015/1381M.


Gerechtshof Amsterdam 19 juni 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1723.


Vergelijk over evenredigheidstoetsing van wetten in formele zin door de rechter o.a. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.


Vergelijk o.a. Hoge Raad 14 april 1989 (het Harmonisatiewetarrest), ECLI:NL:HR:1989:AD5725, rov. 3.4 en volgende.


Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).


Hoge Raad 19 december 2014, nr. 13/01874, ECLI:NL:HR:2014:3612.


Artikel 20 AWR.


Artikel 37 Wet MRB in samenhang met artikel 67c, lid 1, AWR (tekst 2021).


Paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.


Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.