Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2007:BA7184
2007-06-15
Bestuursrecht; Belastingrecht
42687
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
67c AWR. Loonbelasting niet tijdig betaald door fout van bank. Verzuimboete. AVAS?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (132)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8414 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7179 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-08-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1853 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6382 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6357 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1792 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1715 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4953 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1280 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-05-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1581 Gerechtshof Amsterdam 12-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3644 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-04-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1114 Rechtbank Noord-Nederland 02-04-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1113 Rechtbank Noord-Nederland 02-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1935 Gerechtshof Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3764 Gerechtshof Amsterdam 23-12-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:283 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 19-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8994 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8778 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8777 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-12-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4836 Rechtbank Noord-Nederland 28-10-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:209 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 16-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6968 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-10-2025
- ECLI:NL:OGEAA:2025:305 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 13-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6674 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2033 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6390 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5643 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-08-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:168 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 15-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5117 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-08-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1062 Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4285 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4213 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3003 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-05-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1486 Gerechtshof Amsterdam 15-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2724 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-05-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:58 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 17-04-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:57 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 17-04-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:59 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 17-04-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:770 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:109 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:110 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8309 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-12-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:4711 Rechtbank Noord-Nederland 14-11-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1477 Gerechtshof Den Haag 06-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4474 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4473 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4472 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4126 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-06-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:5446 Rechtbank Noord-Holland 13-06-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:5448 Rechtbank Noord-Holland 13-06-2024
- ECLI:NL:OGEAA:2024:127 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 03-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3535 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3484 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3485 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3138 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1712 Gerechtshof Amsterdam 14-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2948 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-05-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:716 Gerechtshof Den Haag 01-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3959 Rechtbank Noord-Holland 21-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1692 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-03-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (4.949 tekens)
Nr. 42.687
15 juni 2007
NB
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 april 2006, nr. 02/02296, betreffende na te melden boetebeschikking.
1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 121.740, alsmede een boete van ƒ 1217. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak betreffende de boetebeschikking in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. dr. G.J.M.E. de Bont, advocaat te Breda.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel I kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de boetebeschikking moet worden vernietigd in verband met het beroep van belanghebbende op afwezigheid van alle schuld ter zake van de niet-betaling van de af te dragen belasting. Het Hof heeft dat beroep van belanghebbende verworpen. Daartoe heeft het geoordeeld dat reeds omdat de handelingen van de bank, welke door belanghebbende was ingeschakeld ter fine van effectuering van de betaling van de verschuldigde belasting, aan belanghebbende zijn toe te rekenen, en dat nu die bank klaarblijkelijk nalatig was bij de afdoening van de haar ter zake verstrekte opdracht, die nalatigheid aan belanghebbende moet worden toegerekend. Daaraan heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende niet met vrucht kan stellen dat te harer aanzien sprake is van afwezigheid van alle schuld, ook al zou haar zonder bedoelde toerekening wellicht niets te verwijten zijn.
3.3. Dit oordeel wordt in middel II terecht bestreden. De omstandigheid dat een inhoudingsplichtige de betaling van de op aangifte af te dragen belasting heeft opgedragen aan een bank, die aan die opdracht niet of niet tijdig heeft voldaan, doet niet eraan af dat die inhoudingsplichtige in verzuim is. Dat rechtvaardigt echter niet de gevolgtrekking van het Hof. Een inhoudingsplichtige kan immers met vrucht een beroep doen op afwezigheid van alle schuld indien hij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verschuldigde bedrag tijdig op de rekening van de belastingdienst zou zijn bijgeschreven. Het Hof heeft zulks miskend. Het middel is gegrond en 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek of belanghebbende de hiervoor bedoelde zorg heeft betracht. Opmerking verdient in dit verband dat die zorg zich in het onderhavige geval niet uitstrekte tot een later tijdstip dan de uiterste betaaldatum van 31 januari 2002.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2007.
15 juni 2007
NB
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 april 2006, nr. 02/02296, betreffende na te melden boetebeschikking.
1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 121.740, alsmede een boete van ƒ 1217. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak betreffende de boetebeschikking in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. dr. G.J.M.E. de Bont, advocaat te Breda.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel I kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de boetebeschikking moet worden vernietigd in verband met het beroep van belanghebbende op afwezigheid van alle schuld ter zake van de niet-betaling van de af te dragen belasting. Het Hof heeft dat beroep van belanghebbende verworpen. Daartoe heeft het geoordeeld dat reeds omdat de handelingen van de bank, welke door belanghebbende was ingeschakeld ter fine van effectuering van de betaling van de verschuldigde belasting, aan belanghebbende zijn toe te rekenen, en dat nu die bank klaarblijkelijk nalatig was bij de afdoening van de haar ter zake verstrekte opdracht, die nalatigheid aan belanghebbende moet worden toegerekend. Daaraan heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende niet met vrucht kan stellen dat te harer aanzien sprake is van afwezigheid van alle schuld, ook al zou haar zonder bedoelde toerekening wellicht niets te verwijten zijn.
3.3. Dit oordeel wordt in middel II terecht bestreden. De omstandigheid dat een inhoudingsplichtige de betaling van de op aangifte af te dragen belasting heeft opgedragen aan een bank, die aan die opdracht niet of niet tijdig heeft voldaan, doet niet eraan af dat die inhoudingsplichtige in verzuim is. Dat rechtvaardigt echter niet de gevolgtrekking van het Hof. Een inhoudingsplichtige kan immers met vrucht een beroep doen op afwezigheid van alle schuld indien hij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verschuldigde bedrag tijdig op de rekening van de belastingdienst zou zijn bijgeschreven. Het Hof heeft zulks miskend. Het middel is gegrond en 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek of belanghebbende de hiervoor bedoelde zorg heeft betracht. Opmerking verdient in dit verband dat die zorg zich in het onderhavige geval niet uitstrekte tot een later tijdstip dan de uiterste betaaldatum van 31 januari 2002.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2007.