Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8414

2026-09-03 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/2118 en 25/2119
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/2118 en 25/2119
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026091008; V-N Vandaag 2026/1885; FutD 2026-1616; NLF 2026/1952

Inhoudsindicatie

Voorbelasting

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.910 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Belastingrecht



zaaknummers: BRE 25/2118 en 25/2119


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting over het tijdvak 1 april 2018 tot en met 31 december 2018 en het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 en de daarbij opgelegde verzuimboetes en in rekening gebrachte belastingrentes.



1.1.
De rechtbank beoordeelt of de in aftrek gebrachte voorbelasting over de tijdvakken gelegen in de jaren 2018 en 2019 terecht is nageheven en of de verzuimboetes terecht zijn opgelegd en passend zijn.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de in aftrek gebrachte voorbelasting terecht is nageheven. Dit betekent dat de naheffingsaanslagen, zoals die bij de uitspraak op bezwaar zijn vastgesteld, en de belastingrente in stand blijven. De beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 april 2018 tot en met 31 december 2018 en het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd.



2.1.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen) en verzuimboetes opgelegd (de boetebeschikkingen)



2.2.
De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 21 maart 2025 de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 april 2018 tot en met 31 december 2018 verminderd tot € 2.494, de verzuimboete tot € 249 en de belastingrente tot € 496. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 verminderd tot € 22.555, de verzuimboete tot € 2.225 en de belastingrente tot € 3.538.



2.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.



2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Partijen waren niet aanwezig. Partijen procederen digitaal. De griffier heeft op 30 juli 2026 in het digitaal dossier een bericht geplaatst waarbij partijen zijn uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur verzonden naar het door hen voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat partijen dit bericht op 30 juli 2026 hebben ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat partijen correct en op de juiste wijze voor de zitting zijn uitgenodigd. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van partijen.




Feiten


3. Belanghebbende verricht in de onderhavige tijdvakken belaste prestaties. Belanghebbende gebruikt [handelsnaam] als handelsnaam. [persoon] is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende.



3.1.
Belanghebbende is in de periode 1 april 2018 tot en met 31 december 2019 uitgenodigd tot het periodiek doen van aangifte omzetbelasting.



3.2.
Op 18 oktober 2019 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van 1 april 2018 tot en met 30 juni 2019. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in het controlerapport van 30 november 2023 dat aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. In het controlerapport wordt aangekondigd dat over 2018 € 4.326 en over 2019 € 26.832 omzetbelasting wordt nageheven en over beide jaren een verzuimboete van 10% wordt opgelegd.



3.3.
In de bezwaarfase is door belanghebbende informatie overgelegd aan de inspecteur ter onderbouwing van de in aftrek gebrachte voorbelasting. Vervolgens heeft de inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan en de naheffingsaanslagen over de onderhavige tijdvakken verminderd tot de bedragen zoals vermeld in 2.2. De verzuimboetes zijn dienovereenkomstig verminderd.




Beoordeling door de rechtbank



Voorbelasting




4. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet OB vindt de aftrek van omzetbelasting die ter zake van de levering van goederen of diensten aan de ondernemer in rekening is gebracht (de voorbelasting) plaats voor zover de desbetreffende goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.



4.1.
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op aftrek van voorbelasting over de onderhavige tijdvakken omdat de facturen aanwezig waren en de diensten aan haar zijn verricht.



4.2.
De inspecteur stelt dat een deel van de door belanghebbende geclaimde voorbelasting in het geheel niet is onderbouwd met facturen. Daarnaast stelt de inspecteur dat voor bepaalde door belanghebbende in aftrek gebrachte voorbelasting onduidelijk is of deze betrekking heeft op zakelijke kosten van belanghebbende dan wel privé-kosten van haar dga. Ten aanzien van de in aftrek gebrachte voorbelasting op de factuur van [BV] voor een managementfee en de factuur van de gemachtigde [gemachtigde] van 17 november 2018 heeft de inspecteur gemotiveerd betwist dat belanghebbende de afnemer was van de beschreven diensten.



4.3.
De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de last rust om aannemelijk te maken dat zij terecht de voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Zij kan daartoe in beginsel volstaan met het overleggen van een factuur afkomstig van een andere ondernemer voor aan haar verrichtte leveringen dan wel diensten. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de in aftrek gebrachte voorbelasting een aantal facturen overgelegd. De inspecteur heeft de door belanghebbende overgelegde facturen beoordeeld en voor een gedeelte de in rekening gebrachte voorbelasting over de onderhavige tijdvakken in aftrek toegestaan. Wat betreft de niet toegestane aftrek heeft de inspecteur met wat hij heeft gesteld en de stukken die hij heeft overgelegd dusdanige twijfel gezaaid over de vraag of aan deze facturen daadwerkelijk economische prestaties ten grondslag liggen die aan belanghebbende zijn verricht dan wel betrekking hebben op zakelijke kosten dat van belanghebbende nader bewijs mag worden gevraagd. Daarbij geldt ten aanzien van de factuur van gemachtigde [gemachtigde] dat de inspecteur veeleer aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de afnemer van de in rekening gebrachte diensten was, dan dat belanghebbende aan haar bewijslast heeft voldaan. Ten aanzien van de factuur van [BV] heeft de inspecteur er op gewezen dat deze maatschappij de aan belanghebbende gefactureerde omzetbelasting zelf niet in haar aangiften omzetbelasting heeft opgenomen en deze omzetbelasting ook niet heeft afgedragen, waar belanghebbende niets tegenover heeft gesteld.



4.4.
Belanghebbende heeft in de beroepsfase niet concreet gemaakt dan wel onderbouwd welke bedragen op welke facturen toch betrekking hebben op aan haar verrichte leveringen dan wel diensten. Voor een deel van de in aftrek gebrachte bedragen op boekingen waarvoor belanghebbende geen facturen heeft overgelegd, is door belanghebbende ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat deze voorbelasting aan haar in rekening is gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende niet aan haar bewijslast heeft voldaan. De inspecteur heeft de aftrek van die voorbelasting terecht geweigerd.



Belastingrente





4.5.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.




Verzuimboete





4.6.
De inspecteur stelt dat de verzuimboetes over de onderhavige tijdvakken terecht aan belanghebbende zijn opgelegd, omdat is gebleken dat een te hoog bedrag aan omzetbelasting als voorbelasting in aftrek is gebracht. Belanghebbende betwist dat de aan haar opgelegde boetes terecht zijn opgelegd, omdat zij meende dat zij recht had op aftrek van voorbelasting voor de volledige bedragen. Volgens belanghebbende is de volledige in aftrek geclaimde voorbelasting onderbouwd.



4.7.
Het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is sprake van het niet betalen van omzetbelasting die op aangifte had moeten worden voldaan. Daarom kan een boete worden opgelegd van 10% van de verschuldigde belasting.



4.8.
Voor het opleggen van een verzuimboete is geen opzet of grove schuld vereist, alleen in geval van afwezigheid van alle schuld (avas) wordt geen verzuimboete opgelegd. Van avas is slechts sprake indien belanghebbende in de gegeven omstandigheden de van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verzuim te voorkomen. De bewijslast hiervoor rust op belanghebbende.



4.9.
De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende de in de aangiften omzetbelasting geclaimde aftrek niet of onvoldoende heeft onderbouwd (zie 4.4), waardoor de aftrek (deels) onterecht is geclaimd en dat daardoor een betaalverzuim is ontstaan. In beginsel kan de inspecteur dan een boete van 10% van de verschuldigde belasting opleggen, zoals hij heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van avas of een pleitbaar standpunt. Dat belanghebbende niet met facturen en evenmin op andere wijze de in aftrek gebrachte voorbelasting kan onderbouwen, brengt mee dat in het onderhavige geval niet kan worden geoordeeld dat zij alle zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht. Ook ziet de rechtbank in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding om de boetes te matigen. De rechtbank acht de verzuimboetes in dit geval passend en geboden.



Undue delay





4.10.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding de boete voor het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 te matigen, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 30 november 2023 als aanvangsmoment geldt van de redelijke termijn, nu de boete op die dag, in het controlerapport, bekend is gemaakt. Sindsdien is, nu de rechtbank uitspraak doet op 3 september 2026, afgerond twee jaar en tien maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar hiermee is overschreden met tien maanden. De boete voor het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 zal daarom worden gematigd tot € 2002. Ten aanzien van de boete voor het tijdvak 1 april 2018 tot en met 31 december 2018 wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden nu deze boete minder dan € 1.000 bedraagt.




Conclusie en gevolgen


5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen in stand blijven. De boete voor het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 wordt in verband met ‘undue delay’ verminderd tot € 2.002.



5.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de verzuimboete voor het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019;
- vermindert de verzuimboete voor het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 tot € 2.002.



Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 3 september 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Artikel 67c van de AWR.


Paragraaf 24, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.


Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184, r.o. 3.3.


Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.


Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853 en Hof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.


Ambtshalve vermindering van de boete in verband met undue delay leidt niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).