Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2024:4311

2024-04-25 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.337.361_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2024-04-25
Publicatiedatum
2025-10-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.337.361_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Gezag

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.970 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH




Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak : 25 april 2024
Zaaknummer : 200.337.361/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/319642 / FA RK 23-2476



in de zaak in hoger beroep van:





[de vader]
,
wonende in [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. I.J.L. Daemen-Demarteau,



tegen




de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.



Deze zaak gaat over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats].



Als belanghebbenden worden aangemerkt:




Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),




De heer en mevrouw [de pleegouders],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de pleegouders.



In het kort: deze zaak gaat over de beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige 1].






1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 november 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
Bij beroepschrift van 1 februari 2024, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende in hoger beroep bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het inleidend verzoek van de raad om het gezag van de vader over [minderjarige 1] te beëindigen, alsnog af te wijzen.


2.1.1.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat het verzoek onder 2.1 gelezen moet worden als een primair verzoek. Subsidiair verzoekt de vader de beslissing op het verzoek aan te houden, in afwachting van de resultaten van de behandeling van [minderjarige 1], het psychologisch onderzoek bij de vader en de uitgebreidere contactregeling tussen [minderjarige 1] en de vader.




2.2.
Bij verweerschrift van 5 maart 2024, ingekomen bij het hof op 6 maart 2024, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en te concluderen tot afwijzing van het beroep van de vader.



2.3.
Het hof heeft verder kennis genomen van:
- het V6-formulier van 15 februari 2024, van de advocaat van de vader, met bijlage, ingekomen bij het hof op 19 februari 2024;
- het V6-formulier van 26 maart 2024, van de advocaat van de vader, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.



2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad],
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2].


2.4.1.
De pleegouders zijn, met kennisgeving vooraf, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.



2.4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is overgelegd:
- door de GI: de brief van de GI van 18 maart 2024;
- door de advocaat van de vader: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 4 oktober 2023.






3De beoordeling


3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk tussen de vader en mevrouw [de moeder] (zijnde de moeder) is geboren:
- [minderjarige 1], op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1]).




3.2.
De moeder en de vader zijn tevens de ouders van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2011. [minderjarige 2] woont bij de vader.



3.3.
Het gezag van de moeder over [minderjarige 1] is bij beschikking van 20 november 2018 beëindigd.



3.4.

[minderjarige 1] staat onder toezicht van de GI met ingang van 10 januari 2014. De ondertoe-zichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 10 januari 2024.



3.5.

[minderjarige 1] is in de periode mei 2013 tot januari 2014 uit huis geplaatst. [minderjarige 1] is in de periode van 20 oktober 2015 tot 14 april 2016 weer bij de vader thuis geplaatst. Nadien is [minderjarige 1] opnieuw uit huis geplaatst en sinds mei 2017 verblijft [minderjarige 1] bij de pleegouders.



3.6.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader over [minderjarige 1] beëindigd. De GI is tot voogd benoemd.



3.7.
De vader kan zich met de beslissing ten aanzien van de beëindiging van het gezag niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.



3.8.
De vader voert - samengevat - het volgende aan. De vader wil het gezag over [minderjarige 1] behouden. De vader vreest dat zijn rol als vader bij beëindiging van het gezag steeds kleiner wordt. De vader werkt goed samen met de betrokken hulpverlening en geeft altijd zijn toestemming als er een gezagsbeslissing over [minderjarige 1] genomen moet worden. Hoewel de vader op dit moment achter het verblijf van [minderjarige 1] bij de pleegouders staat, heeft hij wel zorgen over de belastbaarheid van de pleegouders. Volgens de vader kan [minderjarige 1] duidelijkheid krijgen over zijn toekomstperspectief als de betrokkenen naar hem communiceren dat hij de komende tijd bij de pleegouders blijft wonen, daarbij geregeld contact met zijn vader heeft en dat de mogelijkheden van een verblijf van hem bij zijn vader op een later moment opnieuw onderzocht wordt (bijvoorbeeld wanneer hij naar de middelbare school gaat). Dit alles betekent dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1:266 BW en dat er sprake is van een schending van artikel 8 EVRM en 3 IVRK. De vader verwijst bovendien naar jurisprudentie, waaronder die van het EHRM. Volgens de vader had de rechtbank alternatieven, zoals een lichtere maatregel, dienen te onderzoeken. Daar komt bij dat de beëindiging van het gezag niet in het belang van [minderjarige 1] is. De houding van [minderjarige 1] is namelijk verbeterd en de band tussen de vader en [minderjarige 1] is aan het versterken. Een aantal recente ontwikkelingen maken bovendien dat het gezag op dit moment niet beëindigd dient te worden. Zo krijgt [minderjarige 1] sinds kort dagbehandeling vanuit de jeugd GGZ, ondergaat de vader op korte termijn een psychologisch onderzoek waarin zijn rol als ouder belicht zal worden en worden de contacten tussen [minderjarige 1] en de vader uitgebreid.



3.9.
De raad voert - samengevat - het volgende aan. Het gezag van de vader over [minderjarige 1] dient beëindigd te worden. Er is bij [minderjarige 1] sprake van forse hechtings- en loyaliteitsproblematiek. [minderjarige 1] heeft al jaren geen contact met de moeder en de vader kan [minderjarige 1] niet volledig bieden wat [minderjarige 1] nodig heeft. Het toekomstperspectief van [minderjarige 1] ligt daarom bij de pleegouders. De relatie tussen de vader en de pleegouders is verstoord, waardoor [minderjarige 1] geen onbelast contact kan hebben met beiden. Ook is het belastend voor [minderjarige 1] dat de vader blijft strijden tegen de uithuisplaatsing. [minderjarige 1] voelt de onrust en kan daardoor niet profiteren van zijn behandeling. De ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing blijven verlengen is niet zinvol, omdat terugplaatsing bij de vader niet aan de orde is. Ondanks alle inspanningen is het de afgelopen jaren niet gelukt duidelijkheid te creëren voor [minderjarige 1] over zijn perspectief, zodat de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken. [minderjarige 1] is gebaat bij duidelijkheid over hoe het gezag eruit gaat zien.



3.10.
De GI voert - samengevat - het volgende aan. [minderjarige 1] is recent gestart met een intensieve ambulante dagbesteding binnen de jeugd GGZ. De behandeling is gericht op de relationele ontwikkeling van [minderjarige 1] met zijn hechtingsfiguren en het hechtingstrauma van [minderjarige 1]. De behandeling wordt gecombineerd met systemische ondersteuning. Voor [minderjarige 1] moet het voor het slagen van de intensieve behandeling duidelijk zijn wie zijn hechtingsfiguren zijn en dat zowel de pleegouders als de vader een rol in zijn leven kunnen hebben, mits duidelijk is welke rol dat is. Het perspectiefbesluit heeft te weinig duidelijkheid gegeven voor [minderjarige 1]. De komende zes maanden wordt onderzocht of [minderjarige 1] hierin voldoende kan groeien. In de tussentijd blijft hij op de wachtlijst staan voor klinische opname en kan daar naar opgeschaald worden als dat nodig zou blijken te zijn.



3.11.
Het hof overweegt het volgende.


3.11.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:


een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of


de ouder het gezag misbruikt.





3.11.2.
Het hof zal de beslissing op het verzoek aanhouden voor de duur van acht maanden. Het hof legt hierna uit waarom het hof dat beslist.



3.11.3.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat er sprake is van recente ontwikkelingen die maken dat het hof op dit moment onvoldoende in staat is om een definitieve beslissing te kunnen nemen over het verzoek dat voorligt ten aanzien van het beëindigen van het gezag van de vader over [minderjarige 1].
Zo is [minderjarige 1] recent gestart met een intensieve ambulante deeltijd-dagbehandeling binnen de jeugd GGZ. Deze behandeling, die gecombineerd wordt met systemische ondersteuning, is gericht op het optimaliseren van de relationele ontwikkeling van [minderjarige 1] met zijn hechtingsfiguren en het hechtingstrauma van [minderjarige 1]. De behandeling heeft als doel om de juiste voorwaarden te scheppen zodat [minderjarige 1] op kan groeien in het pleeggezin. De komende zes maanden wordt onderzocht of [minderjarige 1] binnen de deeltijdbehandeling voldoende kan groeien, of dat opschalen naar een klinische opname noodzakelijk is. Het is op dit moment nog onvoldoende duidelijk wat de behandeling [minderjarige 1] zal brengen en of dit voldoende is om hem in het pleeggezin te kunnen laten blijven.
Daar komt bij dat de vader recent is doorverwezen door de huisarts naar [instantie] voor een psychologisch onderzoek. De vader heeft hierover aangegeven dat hij opnieuw wil laten onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van de vader om deel uit te blijven maken van het leven van [minderjarige 1]. Het eerdere psychologische onderzoek dat bij de vader heeft plaatsgevonden is volgens de vader niet betrouwbaar en de vader wil met een nieuw onderzoek laten zien waar zijn mogelijkheden liggen en heeft met klem benadrukt dat hij de uitkomsten van dat onderzoek wil inbrengen voordat het hof een eindbeslissing neemt.
Het hof heeft voorts bij de beoordeling betrokken dat door partijen is aangegeven dat de contacten tussen [minderjarige 1] en de vader de komende periode uitgebreid gaan worden.
Gelet op het voorgaande wil het hof de resultaten van voornoemde omstandigheden de komende periode afwachten om vervolgens met die informatie een beslissing te kunnen nemen over het gezag. Op dit moment zijn de omstandigheden hiervoor onvoldoende duidelijk en in beweging.




3.11.4.
Dit betekent dat het hof de verdere behandeling van de zaak zal aanhouden voor de duur van acht maanden, teneinde de resultaten van de hierboven beschreven situatie af te wachten. Het hof verzoekt partijen uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen pro forma datum schriftelijk te informeren over de stand van zaken en de resultaten van de hulpverleningstrajecten. Ook verzoekt het hof partijen een standpunt in te nemen over het gewenste verloop van de procedure en daarbij aan te geven of zij instemmen met nadere schriftelijke afdoening van de zaak dan wel of zij een mondelinge behandeling zouden willen.






4De beslissing


Het hof:



houdt de beslissing met betrekking tot het gezag aan, conform hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.11.3;



verzoekt partijen het hof schriftelijk te informeren over de stand van zaken en het verdere gewenste verloop van de procedure uiterlijk op 3 oktober 2024, met een afschrift daarvan aan de andere partijen;



houdt iedere verdere beslissing aan tot 17 oktober 2024 pro forma.



Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, A.M. Bossink en E.M.D.M. van der Linden en is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2024 door mr. A.M. Bossink in tegenwoordigheid van de griffier.