Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2919

2025-10-23 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.337.361_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-23
Publicatiedatum
2025-10-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.337.361_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Vernietiging beslissing rechtbank ten aanzien van beëindiging gezag vader over minderjarige. Vader dient gezag te behouden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.287 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH



Team familie- en jeugdrecht


Uitspraak : 23 oktober 2025
Zaaknummer : 200.337.361/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/319642 / FA RK 23-2476


in de zaak in hoger beroep van:




[de vader]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. I.J.L. Daemen-Demarteau,


tegen



de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.


Deze zaak gaat over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] .


Als belanghebbenden worden aangemerkt:



Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),



De heer en mevrouw [de pleegouders],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken.


In het kort: deze zaak gaat over de vraag of het gezag van de vader over [minderjarige 1] beëindigd moet worden.



5De beschikking van het hof van 25 april 2024


Bij die beschikking heeft het hof partijen verzocht het hof uiterlijk op 3 oktober 2024 schriftelijk te informeren over de stand van zaken en het verdere gewenste verloop van de procedure en de beslissing op het verzoek met betrekking tot het gezag aangehouden tot
17 oktober 2024 pro forma.





6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep


6.1.
Het hof heeft nadien kennisgenomen van:
- de brief van de raad van 27 september 2024;
- de brief van de GI van 1 oktober 2024, met bijlagen;
- het V6-formulier van 3 oktober 2024, met bijlagen, van de advocaat van de vader.



6.2.

De advocaat van de vader heeft bij voornoemde brief van 3 oktober 2024 het hof verzocht om de beslissing op het verzoek aan te houden voor zes tot acht maanden. Dit verzoek is toegewezen en de beslissing op het verzoek is vervolgens aangehouden tot
15 april 2025 in afwachting van het verder schriftelijke bericht van partijen over de gang van zaken. Het hof heeft nadien ontvangen:

- de brief van de GI van 8 april 2025;
- het V8-formulier van 14 april 2025, van de advocaat van de vader;
- het V6-formulier van 20 augustus 2025, met bijlagen, van de advocaat van de vader;
- het V2-formulier van 22 augustus 2025, waarin de advocaat van de pleegouders zich gesteld heeft in deze procedure;
- het V6-formulier van 26 augustus 2025, met bijlagen, van de advocaat van de pleegouders.



6.3.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025. Omdat de samenstelling van de kamer die de tussenbeschikking van 25 april 2024 heeft gegeven is gewijzigd, heeft de voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden in een nieuwe samenstelling. In die nieuwe samenstelling wordt deze beschikking ook gegeven. Partijen zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling geïnformeerd over de rechterswisseling.


6.3.1.
Op de voortzetting van de mondelinge behandeling op 27 augustus 2025 zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat.



6.3.2.
De advocaat van de pleegouders heeft tijdens de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Hierin wordt door de pleegouders primair verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen en subsidiair verzocht om de benoeming van een bijzondere curator die onderzoek kan doen naar hetgeen in [minderjarige 1] ’s belang de meest wenselijke beslissing is.




6.4.
Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en het hof een brief geschreven, ingekomen op 23 juli 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.





7De verdere beoordeling


7.1.
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader wil het gezag over [minderjarige 1] behouden. De reden die destijds aanleiding gaf om te komen tot beëindiging van het gezag is niet meer aanwezig en er zijn nog steeds belangrijke ontwikkelingen. Het perspectief van [minderjarige 1] ligt niet meer bij de pleegouders en [minderjarige 1] is inmiddels klinisch opgenomen bij [instantie 1] , om [minderjarige 1] los te kunnen krijgen uit het loyaliteitsconflict waarin hij verkeert en de contactmomenten met de vader uit te breiden. [minderjarige 1] verblijft nu om de week een heel weekend bij de vader en soms ook extra dagen, en dat gaat goed. Op verzoek van de GI is [minderjarige 1] bovendien ingeschreven bij de huisarts, tandarts en orthodontist (in de buurt) van de vader. De vader is bereid om mee te werken aan de benodigde hulpverlening en de samenwerking met de GI is goed. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] de ruimte krijgt om het contact met de pleegouders te onderhouden. De vader betreurt het dat de pleegouders daar andersom niet hetzelfde in staan. De vader is in staat binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [minderjarige 1] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.



7.2.
De raad voert, samengevat, het volgende aan. Voor de raad is de situatie nog steeds net zo complex als eerder. Het is belangrijk dat een neutrale partij alle beslissingen voor [minderjarige 1] kan nemen waarbij rekening gehouden kan worden met de hechtings- en loyaliteits-problematiek van [minderjarige 1] .



7.3.
De GI voert, samengevat, het volgende aan. De situatie is alleen maar complexer geworden. Het is voor [minderjarige 1] heel moeilijk om zich te kunnen verhouden tot alle stressoren om hem heen. Het perspectiefbesluit speelt hier een grote rol in. Als de vader het gezag houdt over [minderjarige 1] is die situatie voor [minderjarige 1] niet te hanteren ten opzichte van de pleegouders. [minderjarige 1] leeft in drie werelden en is emotioneel belast. De GI kan hierin een neutrale positie innemen.



7.4.
De pleegouders voeren, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] heeft behoefte aan rust en duidelijkheid. De nood die [minderjarige 1] ervaart omdat voor hem niet duidelijk is waar hij mag wonen wordt steeds groter. De pleegouders willen dat het gezag van de vader wordt beëindigd, dan wel dat er een bijzondere curator wordt benoemd die kan adviseren welke beslissing het meest in het belang is van [minderjarige 1] .



7.5.
Het hof overweegt als volgt.


7.5.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:


een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of


de ouder het gezag misbruikt.





7.5.2.
Aan het hof ligt de vraag voor of op grond van voornoemd wetsartikel het gezag van de vader over [minderjarige 1] beëindigd moet worden. Het hof acht zicht op dit moment voldoende voorgelicht om op dit verzoek te kunnen beslissen en is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het gezag van de vader over [minderjarige 1] niet dient te worden beëindigd. Het hof licht dat hierna toe.



7.5.3.

In de periode na de tussenbeschikking van het hof van 25 april 2024 is er veel veranderd in het leven van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] woonde op dat moment nog bij de pleegouders en kreeg dagbehandeling bij [instantie 1] ( [dagbehandeling] ) . Dit is op 11 november 2024 omgezet
in een klinische opname bij [instantie 1] ( [klinische opname] ).
Op 1 april 2025 heeft de GI vervolgens het besluit genomen dat het opgroeiperspectief van [minderjarige 1] niet meer bij de pleegouders ligt. Waar het perspectief wel ligt staat nog niet vast. De GI heeft hierover aangegeven dat het de pleegouders in de afgelopen jaren onvoldoende is gelukt om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige 1] , waardoor hij niet ontspannen in contact heeft kunnen komen met zijn vader en daardoor klem zit. Ook blijven er zorgen over het bespreken van volwassen zaken door de pleegouders met [minderjarige 1] . De hulpverlening die is ingezet ( [instantie 2] en ambulante zorg vanuit [instantie 3] ) heeft in de afgelopen jaren niet tot voldoende verbetering geleid. Daar komt bij dat de GI heeft beschreven dat de pleegouders het steeds moeilijker vonden om voor [minderjarige 1] te zorgen vanwege het gedrag dat hij liet zien. Dit heeft ertoe geleid dat [instantie 3] het pleegzorgcontract met de pleegouders heeft beëindigd.
De rechtbank heeft daarna op 9 mei 2025 aan de GI vervangende toestemming verleend om [minderjarige 1] te laten gaan wonen in een kleinschalige woonvoorziening van waaruit [minderjarige 1] zoveel mogelijk onbelast contact kan hebben met de vader en met de pleegouders. Tegen deze uitspraak van de rechtbank zijn de pleegouders recent in hoger beroep gekomen. Het verdere verloop hiervan is het hof tijdens het geven van deze beschikking niet bekend.

[minderjarige 1] verblijft op dit moment vanuit de klinische opname bij [instantie 1] het ene weekend bij de pleegouders en het andere weekend bij de vader. De situatie waarin hij nu verkeert is, zoals de GI dat ook beschrijft, in de afgelopen periode alleen maar complexer geworden.




7.5.4.
Het hof betrekt daarbij dat [minderjarige 1] in zijn leven veel instabiliteit heeft gekend. [minderjarige 1] is sinds mei 2013 overwegend uit huis geplaatst geweest en hij is bovendien het contact met zijn moeder in 2016 verloren. Uit de stukken is gebleken dat hij zijn moeder erg mist. [minderjarige 1] heeft daarnaast grote moeite zich staande te houden tussen het contact mogen hebben met zijn vader en met zijn pleegouders, bij wie hij sinds 2017 heeft gewoond. Die loyaliteitsproblematiek drukt zwaar op hem en moet worden aangepakt. Bovendien is het perspectief waar [minderjarige 1] op mag groeien aldus opnieuw onzeker. Gelet hierop wordt zijn ontwikkeling ernstig bedreigd.



7.5.5.
Echter, ook is gebleken dat de vader, als gezaghebbend ouder, afgelopen jaren voor [minderjarige 1] beschikbaar is geweest en zich als een stabiel te noemen factor heeft getoond. De vader wil graag het gezag behouden over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is inmiddels eens in de veertien dagen in het weekend en daarnaast ook gedurende extra dagen bij de vader. Dat gaat goed. Bij de vader wonen zijn vijf andere kinderen en er is geen ondertoezichtstelling voor die kinderen (meer). Het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die ook weer bij de vader woont, is goed. Van de GI krijgt de vader bovendien steeds meer regeltaken zoals de inschrijving bij de tandarts, orthodontist en de huisarts in de buurt van de vader. De samenwerking tussen de vader en de GI is goed. Het hof betrekt verder bij de beoordeling dat de vader andermaal te kennen heeft gegeven dat hij ziet dat de pleegouders een belangrijke plek innemen in het leven van [minderjarige 1] en dat hij er achter staat dat [minderjarige 1] contact heeft en houdt met de pleegouders.



7.5.6.

Voor [minderjarige 1] is het belangrijk dat er behandeling komt voor de loyaliteitsproblematiek waarin hij verkeert. Hier zullen de vader en de pleegouders bij betrokken dienen te worden. Ook is het voor [minderjarige 1] belangrijk dat hij duidelijkheid krijgt over de vraag wie de belangrijke beslissingen over hem mag nemen. Het hof acht het van groot belang voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] dat de vader, als stabiele factor in het leven van [minderjarige 1] , dit kan blijven doen. Het hof acht het daarom in strijd met de belangen van [minderjarige 1] en de vader als het gezag van de vader beëindigd zou worden. De vader speelt een belangrijke rol in het leven van [minderjarige 1] en wil dat blijven doen. Er is sprake van een goede samenwerking met de GI. Er is al met al geen noodzaak om tot beëindiging van het gezag van de vader te komen. Integendeel, het hof acht juist het doorbreken van deze band schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en in strijd met artikel 8 EVRM, omdat beëindiging van het gezag niet noodzakelijk is.
De aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] is nog niet verstreken en een gezagsbeëindiging zal in deze specifieke complexe situatie geen directe oplossing zijn voor het enorme loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 1] zich bevindt. [minderjarige 1] kan weliswaar vanwege de problematiek die er speelt nu niet bij de vader wonen, maar dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding voor [minderjarige 1] te dragen is niet vast komen te staan.




7.5.7.
In dit geval is beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige 1] daarom een te zwaar middel, nu met een lichtere maatregel kan worden volstaan. De vader heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat een ondertoezichtstelling nodig is als hij het gezag over [minderjarige 1] zou behouden, onder andere vanwege de hoeveelheid betrokken hulpverlening voor [minderjarige 1] en dat er daarom een regievoerder nodig is. Alle belanghebbenden en ook de raad zijn het erover eens dat [minderjarige 1] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het hof onderschrijft zodoende de noodzaak hiertoe en zal de raad in de gelegenheid stellen om een verzoekschrift tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] bij de rechtbank in te dienen, nu het hof een minderjarige niet ambtshalve, en in hoger beroep voor het eerst, onder toezicht kan stellen. Aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is naar het oordeel van het hof voldaan. Om geen ‘gat’ te laten ontstaan in de kinderbeschermingsmaatregelen en de GI zodoende in de gelegenheid te laten blijven de regie over de zorg en hulp voor [minderjarige 1] te houden, zal het hof daarom de bestreden beschikking vernietigen met ingang van 15 januari 2026.



7.5.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen met ingang van 15 januari 2026 en het inleidende verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige 1] alsnog zal afwijzen.
Het hof ziet geen aanleiding om het tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 27 augustus 2025 gedane, verzoek van de pleegouders tot benoeming van een bijzondere curator voor [minderjarige 1] , toe te wijzen. Het hof acht dit niet noodzakelijk in het belang van [minderjarige 1] , gelet op de kwestie waarover het hof nu moet beslissen, te weten: het gezag van de vader.







8De beslissing


Het hof:



vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 november 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en aldus ten aanzien van de beslissing met betrekking tot het beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ;



en opnieuw recht doende:



wijst alsnog met ingang vanaf 15 januari 2026 af het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] en de benoeming van de GI tot voogd over [minderjarige 1] ;



verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;



verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, A.M. Bossink en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.