Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2024:2947

2024-12-11 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-24/492
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2024-12-11
Publicatiedatum
2026-06-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-24/492
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2026/1357

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Artikel 40 Wet WOZ. De waarde van de woning is niet te hoog vastgesteld. Artikel 2, lid 3, Bpb, Het Hof ziet in deze zaak geen aanleiding om de proceskostenvergoeding te matigen op grond van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in voormeld artikel. Het Hof oordeelt verder dat de belastingrechter niet bevoegd is te oordelen over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding dient plaats te vinden.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.175 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/492



Uitspraak van 11 december 2024


in het geding tussen:



[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Gieben)


en


de heffingsambtenaar van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 maart 2024, nummer SGR 23/1721.





Procesverloop


1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 509.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag).



1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 50 geheven. De uitspraak van de Rechtbank luidt:


“De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 87,50;
 draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.”




1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht van € 138 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.


1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 oktober 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande woning uit 1930. De gebruiksoppervlakte van de woning is 111 m² en de oppervlakte van het perceel is 2.753 m². Van het perceeloppervlakte is een deel, groot 428 m2, aan te merken als uitgezonderde grond als bedoeld in artikel 2, lid 1, letter d, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken. Verder beschikt de woning over een garage van 40 m² en een berging van 382 m².



2.2.
De Heffingsambtenaar heeft een matrix overgelegd waarin de waarde van de woning voor het onderhavige belastingjaar is getaxeerd op € 532.262,94. In de matrix zijn de verkooptransacties van drie naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen opgenomen, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten).



2.3.
De in de matrix opgenomen waarde van de woning is als volgt onderbouwd:









Waardering


TOTAAL


per m2




Waarde grond (2.753 m2)


€ 306.959


€ 111,500




Waarde water


€ 0







Waarde hoofdgebouw


€ 230.526







Waarde garage


€ 36.000







Waarde berging


€ 6.500


€ 2.077















Waarde economische verkeer



€ 579.984,86








Uitgezonderde grond (428 m2)



€ 47.721,92









WOZ-waarde




€ 532.262,94




















Vastgesteld waarde




€ 509.000,00














Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:



“Beoordeling van de waarde van de woning


2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar te weinig rekening heeft gehouden met de matige staat en ligging van de woning. De heffingsambtenaar heeft de kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen op onder gemiddeld gewaardeerd en heeft – als gevolg hiervan – de vierkante meterprijs met 40% gecorrigeerd ten opzichte van de vergelijkingsobjecten. Met deze correctie heeft de heffingsambtenaar ruimschoots rekening gehouden met de staat en ligging van de woning. De enkele stelling van belanghebbende dat de waarde vanwege de staat en ligging van de woning nog verder gecorrigeerd moet worden, volgt de rechtbank dan ook niet.

4. Het object bestaat uit twee verschillende percelen die samen optellen tot 2.753 m2; perceel 759 is de woning en de grond rondom de woning en perceel 732 is het stuk grond achter de woning. De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat perceel 759 onder de uitzondering valt van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken. De onbebouwde grond van dit perceel (357 m²) is daarom uitgezonderd voor de waardebepaling. Daarnaast bevindt zich op perceel 732 een sloot met een oppervlak van afgerond 71 m². Deze sloot is openbaar vaarwater en is daarom op dezelfde grond uitgezonderd voor de waardebepaling. In totaal heeft de heffingsambtenaar bij de waardebepaling aldus 428 m2 aan grond uitgezonderd. Voor de vierkante meterprijs van de uitgezonderde grond is de heffingsambtenaar uitgegaan van de gemiddelde vierkante meterprijs die volgt uit de grondstaffel. Naar het oordeel van de rechtbank is dit juist. De enkele stelling van belanghebbende, die hij ter zitting niet nader kon onderbouwen, dat de grond van perceel 732 voor € 15 per m2 gewaardeerd moet worden, leidt niet tot een ander oordeel.

5. Wat belanghebbende verder aanvoert, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niets af. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar de indexeringspercentages, de onderlinge correcties van KOUDV- en liggingsfactoren en de waarde van de objectonderdelen niet inzichtelijk heeft gemaakt. De heffingsambtenaar heeft met zijn toelichting ter zitting naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt hoe het indexeringspercentage tot stand komt. Wat betreft de correctie van de KOUDV- en liggingsfactoren en de waarde van de objectonderdelen overweegt de rechtbank dat de heffingsambtenaar niet verplicht is deze inzichtelijk te maken. Waarderen is geen exacte wetenschap en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet over de vraag of de juiste bedragen zijn vastgesteld voor de verschillen in KOUDV- en liggingsfactoren of over het vaststellen van de juiste bedragen van samenstellende onderdelen van de woning, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel.[1]



Overleggen van stukken


6. Belanghebbende stelt verder dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden omdat de heffingsambtenaar de door belanghebbende gevraagde stukken in bezwaar niet heeft toegezonden. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat enkele gegevens inderdaad niet verstrekt zijn. Artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is dus geschonden. Belanghebbende heeft in beroep alsnog kennis kunnen nemen van de gevraagde stukken en heeft deze kunnen betwisten. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

8. Gelet op het onder 6 veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. De rechtbank stelt deze, gelet op het derde lid van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op € 87,50 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank komt tot dit bedrag, gelet op de eenvoud van de zaak, de (zeer geringe) werkbelasting van de gemachtigde alsook het geringe belang van de zaak, een en ander indachtig de maatschappelijke wens de overcompensatie weg te nemen die er is bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.[2] De rechtbank overweegt hierbij dat belanghebbende, die procedeert met een no-cure-no-pay-gemachtigde, hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.


(…)



[1] Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.
[2] Kamerstukken II, 2023/24, 36 427, nr. 2 e.v.”





Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In geschil is of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Verder is in geschil of de Rechtbank een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning wordt verminderd tot € 335.000 en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Verder heeft belanghebbende verzocht om toekenning van een hogere proceskostenvergoeding.



4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het hoger beroep



Verweerschrift in beroep




5.1.
Belanghebbende heeft ter zitting zijn stelling dat de Rechtbank het verweerschrift van de Heffingsambtenaar tardief had moeten verklaren, ingetrokken, zodat deze grief geen behandeling meer behoeft.



Waarde van de woning





5.2.
De waarde van de woning wordt ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43-44).



5.3.
De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een matrix overgelegd. Uit de matrix volgt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. De Heffingsambtenaar heeft voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt om de conclusie te kunnen trekken dat de door hem voorgestane waarde van € 509.000 niet te hoog is. Het Hof verwijst naar de motivering van de Rechtbank, die het Hof overneemt en mede ten grondslag legt aan zijn oordeel. Het Hof voegt daaraan het volgende toe.


5.4.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de waarde moet worden bepaald op € 335.000. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Voor de grond met de bestemming natuur dient een m2-prijs van € 15 te worden gehanteerd, omdat het geen bouwgrond is. Van het totale perceeloppervlak heeft een deel groot 2.243 m2 de bestemming natuur, zodat aan die grond een waarde moet worden toegekend van € 33.645. Van het overige deel van het perceel (510 m2) is 428 m2 uitgezonderd van de waardebepaling. Aan het resterende deel van het perceel moet een waarde met inachtneming van de grondstaffel worden toegekend van ((510 – 428 =) 82 m2 x € 350 =) € 28.700. Dit brengt mee dat aan de grond een waarde van in totaal € 62.345 (€ 33.645 plus € 28.700) moet worden toegekend. Door deze waarde te vermeerderen met de waarde van het hoofdgebouw, de garage en de berging, komt belanghebbende uit op de door hem bepleite waarde van € 335.000.



5.4.2.
Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de Heffingsambtenaar, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat aan het deel van de grond dat de bestemming natuur heeft, een lagere waarde moet worden toegekend dan de Heffingsambtenaar heeft gehanteerd. De Heffingsambtenaar heeft de totale grondoppervlakte van 2.753 m² gewaardeerd tegen een waarde van € 111,50 per m², zijnde in totaal € 306.959. Daarop is een bedrag van € 47.721,92 (428 m² x € 111,50) in mindering gebracht voor de uitgezonderde grond. In totaal is zodoende een bedrag van € 259.237 in aanmerking genomen voor de totale grondoppervlakte. De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat een m2-prijs van € 15 voor grond met de bestemming natuur niet in overeenstemming is met marktgegevens waarbij dergelijke grond is verkocht aan privépersonen. Ook uit de eigen aankoopprijs van de woning van € 577.500 in 2016 en de marktontwikkeling in daarop volgende jaren volgt dat een prijs van € 15 per m2 voor de grond met de bestemming natuur niet reëel is. Dit volgt ook uit de verkoopprijs van het naast de woning gelegen object [adres 5] dat in 2023 is verkocht voor € 975.000 en welk object ook een perceel heeft met de bestemming natuur. Het Hof is dan ook van oordeel dat hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd ter betwisting van (de onderbouwing van) de door de Heffingsambtenaar voorgestane waarde, niet tot een ander oordeel leidt.



5.4.3.
Belanghebbende stelt verder dat de waarde van de uit te zonderen grond (428 m2) hoger is dan waar de Heffingsambtenaar rekening mee heeft gehouden. De Heffingsambtenaar is uitgegaan van een waarde van € 111,50 per m² terwijl dit volgens belanghebbende, uitgaande van de eerste trede in de grondstaffel, € 350 per m² moet zijn. Dit betekent dat de waarde die aan de grond is toe te rekenen volgens belanghebbende moet worden verminderd met € 149.800 (428 m² x € 350).



5.4.4.
Het Hof is van oordeel dat de Heffingsambtenaar voor de uitgezonderde grond terecht is uitgegaan van de gemiddelde vierkantemeterprijs die volgt uit de grondstaffel. De uitgezonderde grond is onderdeel van het totale perceel, zodat het niet juist is die grond te waarderen alsof het een afzonderlijk en zelfstandig ‘in de heffing te betrekken’ deel zou zijn.




5.5.
Voor zover belanghebbende stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld omdat geen inzicht is gegeven in de onderlinge correcties van KOUDV- en liggingsfactoren en de waarde van de objectonderdelen kan hij niet worden gevolgd. De Heffingsambtenaar heeft de kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen op onder gemiddeld (2) gewaardeerd en heeft daarom de vierkante meterprijs met 40% gecorrigeerd ten opzichte van de vergelijkingsobjecten terwijl uit de matrix volgt dat daarvoor een correctie van 16% (4 x 4%) voldoende zou zijn geweest. Verder geldt dat de Heffingsambtenaar een ruime correctie op de grondwaarde heeft toegepast. Daarbij komt nog dat de Heffingsambtenaar de waarde die volgt uit de grond, hoofdgebouw en de bijgebouwen (€ 532.262) naar beneden heeft gecorrigeerd tot € 509.000. Deze waarde is, mede gelet op de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten, niet te hoog. In zoverre faalt het hoger beroep.



Proceskostenvergoeding beroepsfase





5.6.
De Rechtbank heeft in de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ aanleiding gezien de Heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten en heeft de vergoeding gematigd tot een bedrag van € 87,50.



5.7.
Belanghebbende komt op tegen de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding en met name tegen de toegepaste matiging op grond van artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Naar de mening van belanghebbende had de Rechtbank op basis van het Bpb 1 punt voor het beroepschrift moeten toekennen, 1 punt voor de zitting, met toepassing van wegingsfactor 1.



5.8.
Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in artikel 2, lid 3, Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting. Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering. Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden door de rechter terughoudend te worden toegepast (vgl. HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, BNB 2011/180).



5.9.
Het Hof ziet in de aangedragen feiten en omstandigheden van dit geval geen aanleiding de kosten te matigen op grond van het bepaalde in artikel 2, lid 3, Bpb. Er is geen sprake van een uitzonderlijke situatie waarin de toekenning van een vergoeding volgens de regels opgenomen in de bijlage bij het Bpb, leidt tot een onrechtvaardige uitkomst. De eenvoud van de zaak, de (zeer geringe) werkbelasting van de gemachtigde alsook het geringe belang van de zaak, worden verdisconteerd in de toe te passen wegingsfactor. De maatschappelijke wens om overcompensatie weg te nemen is opgepakt door de wetgever met de invoering van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Aan de voorwaarden van het overgangsrecht bij die wet is voor de beroepsfase niet voldaan. De omstandigheid dat belanghebbende procedeert met een no-cure-no-pay-gemachtigde vormt evenmin aanleiding de toe te kennen proceskostenvergoeding te matigen.



5.10.
Dit brengt mee dat het hoger beroep wat betreft de proceskostenvergoeding gegrond is. Het Hof zal de kosten voor de beroepsfase opnieuw vaststellen met inachtneming van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 2, lid 1, letter a Bpb en in samenhang met de daarbij behorende Bijlage.





Proceskosten en griffierecht



Kosten beroep en hoger beroep




6.1.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep.



6.1.2.
Het Hof stelt deze kosten vast op € 437,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting) à € 875 x 0,25 (gewicht van de zaak). Het geschil bij de Rechtbank betreft de hoogte van de waarde van de woning en de vraag of de Heffingsambtenaar heeft voldaan aan de toezendverplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Belanghebbende is slechts ten aanzien van het gebrek aan informatieverstrekking in het gelijk gesteld. Dat gebrek is vervolgens gepasseerd omdat belanghebbende niet is benadeeld. De aanleiding voor de proceskostenvergoeding heeft mitsdien alleen betrekking op een formeelrechtelijk punt van ondergeschikt belang. Op grond hiervan is het gewicht van de zaak op 0,25 bepaald.



6.1.3.
Het hoger beroep is gericht tegen een uitspraak van de Rechtbank die is bekendgemaakt na 1 januari 2024, zodat op grond van artikel 30a, lid 2, letter b, Wet WOZ de wettelijke vermenigvuldigingsfactor van 0,1 voor de hogerberoepsfase van toepassing is. Het Hof stelt deze kosten vast op € 175 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor de zitting) à € 875 x 1 (gewicht van de zaak) x factor 0,1.



6.2.
Verder dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 te worden vergoed.



Verzoek om uitbetaling op rekening van de gemachtigde





6.3.
Belanghebbende heeft het Hof verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten, in overeenstemming met dat wat is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. Belanghebbende heeft hiertoe aangevoerd dat de vorderingen nog vóór de inwerkingtreding van artikel 30a, lid 4 en lid 5, Wet WOZ rechtsgeldig aan de gemachtigde zijn gecedeerd. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat het verpandings-/vervreemdingsverbod dat is opgenomen in artikel 30a, lid 5, Wet WOZ onrechtmatig is. Volgens belanghebbende is sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op het ongestoorde recht van eigendom en is het cessieverbod discriminatoir en in strijd met het gelijkheidsbeginsel.



6.4.
Bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm is artikel 30a in de Wet WOZ ingevoegd. Artikel 30a Wet WOZ luidt – voor zover van belang – als volgt:




“Artikel 30a

(…)
4. Onverminderd de artikelen 7:15, vijfde lid, en 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, al dan niet in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van die wet of de artikelen 29 of 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vinden uitbetalingen ingevolge een beslissing op bezwaar of uitspraak op beroep, hoger beroep of beroep in cassatie betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of een daarmee verband houdend besluit, waaronder uitbetalingen van vergoedingen als bedoeld in de voorgaande leden, dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en vergoedingen van het betaalde griffierecht als bedoeld in artikel 8:74 van die wet, uitsluitend plaats op een bankrekening die op naam staat van de belanghebbende.
5. Vorderingen tot uitbetaling als bedoeld in het vierde lid zijn niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.”



6.5.
De Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. Voor de leden 4 en 5 van artikel 30a Wet WOZ is geen overgangsrecht in de vorm van eerbiedigende werking. Dit brengt mee dat een uitbetaling van een proceskostenvergoeding naar aanleiding van een uitspraak van de rechter van ná 1 januari 2024, op grond van artikel 30a, lid 4, Wet WOZ uitsluitend kan plaatsvinden op een bankrekening op naam van de belanghebbende.



6.6.
Wat betreft het verzoek van belanghebbende, is het Hof van oordeel dat de belastingrechter niet bevoegd is een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding dient plaats te vinden. Belanghebbende dient zich bij een geschil over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding te wenden tot de burgerlijke rechter. Uit artikel 8:75 Awb, noch uit artikel 30a Wet WOZ of enige andere wettelijke bepaling, volgt immers dat de belastingrechter is gehouden op een dergelijk verzoek te beslissen (vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, BNB 2016/105).





Beslissing


Het Gerechtshof:




vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor wat betreft de proceskostenvergoeding;


veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende voor het geding in beroep en in hoger beroep, vastgesteld op € 612,50; en


gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.





Deze uitspraak is vastgesteld door I. Reijngoud, P.J.J. Vonk en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier N. Veenstra. De beslissing is op 11 december 2024 in het openbaar uitgesproken.







Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:





Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.