Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:3583

2026-06-02 Civiel recht 200.347.969
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-06-02
Publicatiedatum
2026-06-02
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.347.969
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Hoger beroep van ECLI:NL:RBGEL:2024:5722. Art. 6:265 BW. Art. 7:363 BW. Pachter tekort geschoten in handelen als goed pachter, maar tekortkomingen rechtvaardigen ontbinding niet. Geen tekortkoming in nakoming verplichting persoonlijk gebruik en geen schending verbod op bestemmingswijziging. Voor nu geen indeplaatsstelling omdat pachter nog niet concreet bezig met bedrijfsoverdracht en gezien de tekortkomingen waarbij de in de plaats te stellen persoon betrokken was.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.302 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem, afdeling civiel



zaaknummer gerechtshof 200.347.969
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 10883672




arrest van de pachtkamer van 2 juni 2026




in de zaak van





[appellant]


die woont in [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. B. Nijman



tegen





[geïntimeerde]


die woont in [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2]
die bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. P. Stehouwer



en





[naam zoon]


die woont in [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2]
die op grond van art. 118 Rv is opgeroepen als beoogd in de plaats te stellen pachter
hierna: [naam zoon]
advocaat: mr. P. Stehouwer






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep verwijst het hof naar het tussenarrest van 7 oktober 2025. Naar aanleiding van dit arrest heeft op 19 februari 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Ten behoeve van deze zitting hebben beide partijen nog nadere stukken overgelegd. Na de mondelinge behandeling hebben partijen, na een aanhouding om te proberen tot een vergelijk te komen, het hof gevraagd arrest te wijzen.





2De kern van de zaak; feiten; vorderingen en inzet van het hoger beroep



Kern van de zaak




2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de pacht tussen [geïntimeerde] en [appellant] moet worden ontbonden omdat [geïntimeerde] zich niet als goed pachter heeft gedragen en het gepachte niet meer persoonlijk gebruikt en over de vraag of [naam zoon] in de plaats van zijn vader [geïntimeerde] kan worden gesteld.



De feiten waarvan het hof uitgaat





2.2.
Het gaat in deze zaak om de percelen [gemeente 3] , sectie [sectieletter] [perceel 1] en [perceel 2] (samen 2.26.20 ha) en [perceel 3] (0.85.30 ha) en daaromheen gelegen percelen. Deze percelen zijn gelegen zoals hieronder aangegeven:


Afbeelding percelen



2.3.

[geïntimeerde] heeft een agrarisch bedrijf, bestaand uit akkerbouw en jongvee opfok. De percelen [perceel 4] en [perceel 5] heeft hij in eigendom. Hij heeft de percelen [perceel 1] en [perceel 2] in reguliere pacht van [appellant] .



2.4.

[appellant] heeft op 26 oktober 2022 de pacht opgezegd omdat de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] niet zou zijn geweest zoals een goed pachter betaamt of [geïntimeerde] anderszins ernstig zou zijn tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. [geïntimeerde] heeft zich daartegen verzet. Aan de opzegging heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] ten onrechte perceel [perceel 3] in gebruik heeft gehouden nadat de (tijdelijke) hectare-pacht daarvan op 31 oktober 2020 was afgelopen. Ook heeft hij op perceel [perceel 3] een sloot gedempt en afrastering verwijderd. En hij heeft aan nabuur [naam A] , aan wie [appellant] perceel [perceel 3] had verpacht na het aflopen van de tijdelijke pacht met [geïntimeerde] , in 2022 de toegang tot perceel [perceel 3] over perceel [perceel 2] ontzegd.



De vorderingen van partijen





2.5.

[geïntimeerde] heeft, voor zover nog relevant in hoger beroep, samen met onder andere [naam zoon] , bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, een aantal vorderingen ingesteld over het aanleggen van een dam en het gebruik van bepaalde percelen, zolang [naam A] pachter/gebruiker was van de percelen [perceel 3] en [perceel 6] , en om de maatschap [naam B] en/of [naam A] te verbieden om na aanleg van deze eerder genoemde dam nog over perceel [perceel 2] te gaan.



2.6.

[appellant] heeft, voor zover nog relevant in hoger beroep, bij de rechtbank gevorderd een datum te bepalen waarop de pachtovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] zal eindigen, dan wel voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] zich niet heeft gedragen zoals het een goed pachter betaamt.



Het oordeel van de pachtkamer in Zutphen





2.7.
De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen heeft de zaak verwezen naar de pachtkamer van deze rechtbank. De pachtkamer in Zutphen heeft aan de zijde van de eisers in conventie anderen dan [geïntimeerde] , inclusief [naam zoon] , niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, zodat alleen de vorderingen van [geïntimeerde] overbleven. Die vorderingen zijn afgewezen. De tegenvorderingen van [appellant] zijn ook afgewezen.



De inzet van het hoger beroep





2.8.

[appellant] is daartegen in hoger beroep gekomen en heeft zijn eis in hoger beroep vermeerderd. Hij wil dat de pachtovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] voor de percelen [gemeente 3] , sectie [sectieletter] [perceel 1] en [perceel 2] , met een totale oppervlakte van 2.26.20 ha wordt ontbonden en als dat niet wordt toegewezen, dat een datum wordt bepaald waarop de pachtovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] eindigt, dan wel dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] zich niet heeft gedragen zoals het een goed pachter betaamt. [appellant] heeft ook een incidentele vordering ingesteld waarop dit hof bij arrest van 22 april 2025 heeft beslist.



2.9.
Ook [geïntimeerde] is in hoger beroep gekomen en heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd. Hij wil dat [naam zoon] in zijn plaats als pachter wordt gesteld ten aanzien van zijn pachtovereenkomst met [appellant] . Het hof begrijpt dat [geïntimeerde] niet opkomt tegen de afwijzing van zijn oorspronkelijke vorderingen. Naar aanleiding van deze eisvermeerdering heeft dit hof bij arrest van 19 augustus 2025 bepaald dat [geïntimeerde] zijn zoon, [naam zoon] , in het geding moest roepen (op grond van artikel 118 Rv) en [naam zoon] in de gelegenheid gesteld te verschijnen en zich uit te laten over deze vordering. [naam zoon] is verschenen en heeft zich uitgelaten.




Samenvatting van de beslissing





2.10.
Het hof zal beslissen dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten door zich niet als een goed pachter te gedragen, maar dat de tekortkomingen de ontbinding van de pacht niet rechtvaardigen en zal daarom de pachtovereenkomst niet ontbinden en geen datum voor beëindiging vaststellen. Het hof zal ook beslissen dat de indeplaatsstelling van [naam zoon] wordt afgewezen. Het hof laat het vonnis van de pachtkamer in Zutphen daarom grotendeels in stand, behalve dat het voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] zich niet als een goed pachter heeft gedragen.





3De toelichting op de beslissing van het hof



Heeft [geïntimeerde] zich niet als een goed pachter gedragen ten aanzien van perceel [perceel 3] ?




3.1.

[appellant] komt ertegen op dat de pachtkamer in Zutphen heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] zich niet als een goed pachter heeft gedragen. Samengevat komen zijn klachten over het handelen van [geïntimeerde] neer op het volgende. Hij verwijt [geïntimeerde] dat hij perceel [perceel 3] niet tijdig ontruimd heeft, zodat [naam A] , de nieuwe pachter van dat perceel, op perceel [perceel 3] niet tijdig kon zaaien en door het gebruik voort te zetten en ongevraagd pacht te betalen op slinkse wijze heeft geprobeerd reguliere pachtrechten af te dwingen. Ook verwijt hij [geïntimeerde] de toegang tot perceel [perceel 3] aan [naam A] te hebben ontzegd. Ten slotte verwijt hij [geïntimeerde] dat deze op de grens van perceel [perceel 3] en [perceel 4] een sloot heeft gedempt en afrasteringen en kadastermarkeringen heeft verwijderd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] zich er ook op beroepen dat [geïntimeerde] de bestemming van het gepachte zonder overleg met [appellant] heeft gewijzigd.



3.2.
Deze verwijten zien op perceel [perceel 3] , met dien verstande dat het belemmeren van de toegang voor [naam A] ziet op een pad dat over het gepachte perceel [perceel 2] naar perceel [perceel 3] liep en het verwijt van bestemmingswijziging ziet op het gepachte. Voor zover de verwijten zien op perceel [perceel 3] beroept [appellant] zich er echter op dat een pachtovereenkomst naar zijn aard op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW ook de verplichting meebrengt zich te onthouden van onrechtmatige inbreuken op de niet gepachte eigendommen van de verpachter.



3.3.
Artikel 6:265 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van één van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het hof moet beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de pachter bij het voortduren van de pachtovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden.



3.4.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] weliswaar tekort geschoten is, maar dat deze tekortkomingen zowel individueel als gezamenlijk een ontbinding van het verpachte niet rechtvaardigen.



3.5.
Vaststaat dat [geïntimeerde] perceel [perceel 3] , nadat de pacht eind oktober 2020 was geëindigd, is blijven gebruiken en geprobeerd heeft daarvoor te betalen. Niet betwist is echter dat [geïntimeerde] en de rentmeester van [appellant] op dat moment in gesprek waren over het ruilen van percelen, zodanig dat [geïntimeerde] zou blijven beschikken over perceel [perceel 3] . [appellant] heeft gesteld dat zijn rentmeester [geïntimeerde] op het gebruik heeft aangesproken, maar ook erkend dat vervolgens over een perceelruil is gesproken. De pachtkamer in Zutphen heeft vastgesteld dat pas toen daarover geen overeenstemming werd bereikt, het perceel aan [naam A] verpacht is. Tegen die feitenvaststelling is [appellant] niet opgekomen. In dat licht is het voortzetten van het gebruik gedurende deze onderhandelingen weliswaar een tekortkoming in de verplichting om perceel [perceel 3] te ontruimen, maar onvoldoende om ontbinding van andere gepachte percelen te rechtvaardigen. Dat [geïntimeerde] op deze manier op slinkse wijze zou hebben geprobeerd reguliere pachtrechten te verkrijgen, is onvoldoende om dit anders te maken: [geïntimeerde] heeft het gebruik van perceel [perceel 3] namelijk opgegeven.



3.6.
Vaststaat dat [geïntimeerde] in 2022 ook het overpad voor [naam A] heeft belemmerd. De pachtkamer in Zutphen heeft vastgesteld dat was afgesproken dat de toegang tot perceel [perceel 3] over perceel [perceel 2] liep. [geïntimeerde] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft erop gewezen dat het probleem bij [naam A] lag en dat slechts sprake was van een eenmalig incident. Hij heeft de vorderingen in eerste aanleg ingesteld om af te dwingen dat een andere toegangsweg gekozen zou worden. Tegen de afwijzing van die vorderingen op grond van de vaststelling door de pachtkamer dat toegang verschaft moest worden via perceel [perceel 2] is hij niet in hoger beroep gekomen. Door in 2022 de toegang aan [naam A] te ontzeggen is [geïntimeerde] daarmee tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen ten aanzien van het gepachte perceel [perceel 2] . Ook deze tekortkoming is echter onvoldoende om de ontbinding van de pacht te rechtvaardigen. Het betrof het eenmalig ontzeggen van het overpad in 2022. De schade die [appellant] of anderen zouden hebben geleden, is niet concreet gemaakt en ook niet onderbouwd.



3.7.
Vaststaat ook dat [geïntimeerde] zonder overleg of instemming de sloot tussen perceel [perceel 3] en [perceel 4] heeft gedempt, in de periode dat hij perceel [perceel 3] nog pachtte. Daarmee heeft [geïntimeerde] de inrichting van het destijds gepachte veranderd, zonder toestemming van de verpachter of machtiging door de grondkamer (artikel 7:348 BW). Ook dat is een tekortkoming in de nakoming van de verbintenissen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft echter op eigen kosten opnieuw een sloot laten graven. Dat [appellant] daadwerkelijk nadeel van het dempen van de sloot heeft ondervonden, heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft hij een rapport van [adviesbureau] overgelegd waarin is onderbouwd dat waar de sloot lag, water blijft staan en dat op die plaats gewasschade kan ontstaan voor snijmais, maar de schade op perceel [perceel 3] ziet volgens dit rapport op een opbrengst van ongeveer 0,05 ha. De daadwerkelijke schade is lager, omdat waar voorheen de sloot lag ook geen opbrengsten van gewassen gerealiseerd werden. Dat op het land van de buren waterschade ontstaan is door het dempen van de sloot op perceel [perceel 3] kan het hof ook uit het [adviesbureau] -rapport niet afleiden en is verder ook niet onderbouwd. Ook deze tekortkoming is daarom onvoldoende om ontbinding te rechtvaardigen.



3.8.
Dat [geïntimeerde] zonder overleg en instemming van [appellant] afrasteringen heeft verwijderd, staat vast. In de brief van zijn gemachtigde van 23 november 2022 is dat als ‘part of the deal’ genoemd. Het verwijderen van afrasteringen en kadastermarkeringen is echter verder niet toegelicht: onduidelijk is welke afrasteringen precies en welke last [appellant] daarvan heeft gehad. Ook deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding niet.



3.9.
Ook gezamenlijk rechtvaardigen deze tekortkomingen de ontbinding van de pacht van percelen [perceel 1] en [perceel 2] niet. Alleen de belemmering van de toegang tot perceel [perceel 3] ziet direct op perceel [perceel 2] . De andere tekortkomingen gaan over een perceel dat al niet meer gepacht is. De tekortkomingen zijn individueel en gezamenlijk van onvoldoende omvang en de daardoor veroorzaakte schade van [appellant] is, voor zover al geconcretiseerd, van onvoldoende omvang om in het licht van het belang van [geïntimeerde] bij het gepachte land ontbinding te rechtvaardigen. Met een en ander is wel voldoende grond om, zoals [appellant] ook vordert, voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] zich niet heeft gedragen zoals het een goed pachter betaamt. Dat deel van de vordering van [appellant] zal daarom alsnog worden toegewezen.



Onvoldoende persoonlijk gebruik





3.10.

[appellant] heeft in hoger beroep ook gesteld dat [geïntimeerde] het gepachte onvoldoende persoonlijk gebruikt. Hij wijst er op dat [geïntimeerde] een maatschap heeft met zijn zoon en dat de rechten op de van [appellant] gepachte grond lijken te zijn ingebracht. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] zich de zeggenschap onvoldoende voorbehouden. Het bedrijf wordt volgens [appellant] geheel geëxploiteerd door [naam zoon] [geïntimeerde] heeft dat weersproken.



3.11.
Het is in de agrarische praktijk alleszins gangbaar dat het gebruik van gepachte grond in een personenvennootschap met familieleden wordt ingebracht, zodat een bedrijfsopvolger voorafgaand aan zijn indeplaatsstelling gedurende enige jaren in vennootschapsverband met de zittende pachter samenwerkt, en ook dat vervolgens na die indeplaatsstelling de afgaande pachter nog enige jaren als vennoot bij het bedrijf betrokken blijft. Daarmee is de verplichting tot persoonlijk gebruik doorgaans niet geschonden. Maar wanneer een pachter een samenwerkingsverband aangaat in een zodanige vorm dat hij (feitelijk) het gepachte niet langer zelf exploiteert, bij voorbeeld omdat een pachter niet langer zelf aan het hoofd staat van zijn onderneming of het gebruik van het gepachte in de agrarische onderneming onvoldoende voor eigen rekening en risico is, voldoet een pachter niet aan deze verplichting. Of een pachter feitelijk het gepachte nog zelf exploiteert, moet beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval.



3.12.
De stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast dat onvoldoende sprake is van persoonlijk gebruik rusten op [appellant] . [appellant] heeft naar aanleiding van het door hem opgeworpen incident de beschikking gekregen over bedrijfsgegevens. Het hof is echter van oordeel dat [appellant] aan de hand daarvan onvoldoende gesteld en onderbouwd heeft om te kunnen concluderen dat van persoonlijk gebruik geen sprake meer is. Uit de overgelegde jaarcijfers en wat tijdens de mondelinge behandeling is gezegd, blijkt dat [geïntimeerde] en zijn zoon [naam zoon] gezamenlijk een bedrijf voeren met de echtgenote van [geïntimeerde] , waarin zowel akkerbouw als veeteelt wordt bedreven. Daarbij zijn voor subsidiedoeleinden soms aanvragen gedaan op een kamer van koophandel-nummer van [naam zoon] , maar het hof is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat [geïntimeerde] en [naam zoon] gezamenlijk het bedrijf voeren. Dat de zeggenschap alleen bij [naam zoon] ligt, is niet gebleken en door [appellant] ook niet onderbouwd. Dat [geïntimeerde] niet meer voldoende deelt in de winst of in het bedrijf is ook niet uitgewerkt door [appellant] . [appellant] stelt vragen bij de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] en zegt dat [geïntimeerde] die vragen onvoldoende beantwoordt. Hij neemt bijvoorbeeld aan dat het graszaad mogelijk voor een derde geteeld is. Maar dat is niet voldoende: als [appellant] zich op een tekortkoming omdat er geen sprake meer is van persoonlijk gebruik wil beroepen, zal hij duidelijk moeten stellen en onderbouwen waaruit blijkt dat van persoonlijk gebruik geen sprake meer is. Dat heeft hij onvoldoende gedaan.



3.13.
Ook de stelling dat sprake is van een bestemmingswijziging, omdat geen sprake meer is van (alleen) veeteelt maar ook van akkerbouw op het gepachte is, voor zover in hoger beroep al tijdig aangevoerd, onvoldoende onderbouwd. Niet is gesteld of gebleken dat in de oorspronkelijke pachtovereenkomst is afgesproken dat het land alleen als grasland gebruikt mocht worden. Volgens de stellingen van [appellant] is het land sinds 2017/2018 ook voor akkerbouwgewassen gebruikt. Dat daartegen geprotesteerd is, is ook niet gebleken. Ook daaruit blijkt niet dat een specifieke bestemming van het gepachte als grasland was overeengekomen. Een tekortkoming is op dit punt dan ook niet komen vast te staan.



Geen datum voor het einde van de pacht





3.14.

[appellant] heeft gevorderd dat dit hof, als het de pacht niet zou ontbinden, een datum zal bepalen waarop de pachtovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] eindigt. [appellant] heeft de pacht opgezegd en [geïntimeerde] heeft zich daartegen verzet. De grondslagen voor de opzegging zijn echter dezelfde als voor de ontbinding. Ook voor een opzegging op de grond dat de bedrijfsvoering door de pachter niet is geweest zoals een goed pachter betaamt of de pachter ernstig is tekortgeschoten, moeten de tekortkomingen van de pachter voldoende ernstig zijn. Om dezelfde redenen dat het hof oordeelt dat de tekortkomingen van [geïntimeerde] ontbinding niet rechtvaardigen, oordeelt het hof dat zij onvoldoende grond zijn voor een opzegging van de pacht.



Geen indeplaatsstelling





3.15.

[geïntimeerde] heeft indeplaatsstelling van zijn zoon [naam zoon] gevorderd. [appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd.



3.16.
Artikel 7:363 BW bepaalt dat een pachter zich tot de rechter kan wenden met de vordering, onder andere, een kind in zijn plaats als pachter te stellen. De rechter beslist naar billijkheid. De rechter wijst de vordering af, indien de voorgestelde pachter niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt.



3.17.
Het hof zal de vordering tot indeplaatsstelling voor nu afwijzen. Het hof stelt voorop dat [appellant] er niet op heeft gewezen dat [naam zoon] in opleiding, praktische ervaring of bedrijfsinzicht niet zou voldoen en ook niet dat het bedrijf van de familie [geïntimeerde] onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering zou bieden. [geïntimeerde] heeft echter geen handen en voeten gegeven aan het belang van een overneming van het gepachte voor de bedrijfsvoering. [geïntimeerde] heeft aangegeven helemaal nog niet concreet bezig te zijn met een overdracht van het bedrijf aan zijn zoon. In de toekomst gaat dat wel gebeuren, maar zover is het nog niet, heeft hij gezegd. Tegelijkertijd oordeelt het hof dat [geïntimeerde] op meerdere punten in de nakoming van zijn verbintenissen is tekort geschoten, waarbij ook in de woordvoering tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken is dat [naam zoon] bij die tekortkomingen betrokken geweest is. Het is het hof tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat [geïntimeerde] en [naam zoon] weinig oog hebben voor beperkingen die een pachtrelatie hen als pachter opleggen als gaat om de omgang met het gepachte. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de billijkheid in ieder geval op dit moment eraan in de weg staat om [appellant] te dwingen de pachtrelatie met [naam zoon] in plaats van [geïntimeerde] voort te zetten.



De conclusie





3.18.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt gedeeltelijk: het hof zal voor recht verklaren dat [geïntimeerde] zich niet heeft gedragen zoals het een goed pachter betaamt, maar voor het overige de vorderingen van [appellant] afwijzen. De oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerde] in conventie zijn in hoger beroep niet opnieuw aan de orde gesteld. Het hof ziet daarin aanleiding om de proceskosten in eerste aanleg in conventie en reconventie in stand te laten, en de proceskosten in het hoger beroep van [appellant] te compenseren, inclusief de kosten van het door [appellant] opgeworpen incident. Het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet. Het hof zal hem in de proceskosten van [appellant] in dit incidenteel hoger beroep veroordelen.





4De beslissing


Het hof:




in het hoger beroep van [appellant]




4.1.
bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 augustus 2024, behalve voor zover in reconventie de gevorderde verklaring voor recht is afgewezen, vernietigt in zoverre het in reconventie gewezen vonnis en doet opnieuw recht als volgt;



4.2.
verklaart voor recht dat [geïntimeerde] zich niet heeft gedragen zoals het een goed pachter betaamt, zoals uiteengezet in rov. 3.5 tot en met 3.8;



4.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten in het hoger beroep van [appellant] draagt;



in het hoger beroep van [geïntimeerde]





4.4.
wijst de vorderingen in hoger beroep af;



4.5.

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] :
€ 1.290 aan salaris van de advocaat van [appellant] (1/2 x 2 procespunten x het toepasselijke tarief van € 1.290);




4.6.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



in het hoger beroep van [appellant] en [geïntimeerde]





4.7.
wijst af wat verder is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, H.L. Wattel en W.F. Boele en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en ing. H.W.J. van Schooten en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.











Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2458.


Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5132.


Gerechtshof Arnhem 23 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO6763.


Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.