Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2025:698
2025-02-11
Civiel recht
200.345.573
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toewijzing incidentele vordering tot aanhouding van de procedure in afwachting van de uitkomst van cassatieberoep.
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHARL:2023:7460 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-09-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7460 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-09-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1492 Hoge Raad 21-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2023:7460 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-09-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.982 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.345.573
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 553398
arrest in het incident van 11 februari 2025
in de zaak van
1 [appellant1]
2. [appellant2]
die wonen in [woonplaats1]
die hoger beroep hebben ingesteld en een eis in het incident
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna samen: [app]
advocaat: mr. J.W. Adriaansens
tegen
Apotheek Buijs B.V.
die is gevestigd in Utrecht
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: Buijs
advocaat: mr. E.J.H. van Lith
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[app] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 5 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven tevens houdende een incidentele vordering tot aanhouding en een voorwaardelijke akte vermeerdering van eis
2De kern van de zaak
2.1.
Partijen hebben een langlopend conflict over de verkoop aan Buijs van de benedenverdieping van een aan [app] in eigendom toebehorend pand. Zij hebben daarover een groot aantal procedures gevoerd.
2.2.
In de onderhavige procedure hebben [app] bij de rechtbank onder meer vergoeding van schade gevorderd die zij hebben geleden doordat Buijs nakoming heeft gevorderd van vonnissen in kort geding. In de bodemprocedures is anders geoordeeld dan in de kort gedingen, zodat [app] vinden dat Buijs aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de onrechtmatige executies.
2.3.
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Buijs onrechtmatig heeft gehandeld door nakoming te vorderen van de kort gedingvonnissen, maar heeft de door [app] gevorderde schadevergoeding afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4.
Inmiddels is bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld tegen een door dit hof tussen partijen gewezen arrest in een andere procedure (zaaknummer 200.307.802). Volgens [app] zal het oordeel van de Hoge Raad in die procedure direct van invloed zijn op de beoordeling van de vorderingen in onderhavige procedure. [app] hebben daarom een incidentele vordering ingesteld met de strekking dat de onderhavige procedure wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van de zaak bij de Hoge Raad (zaaknummer 23/04757). Gelet op de aard van de incidentele vordering zal het hof daar in dit arrest (eerst en vooraf) op beslissen.
3Het oordeel van het hof
3.1.
Het hof zal beslissen dat de vordering van [app] tot aanhouding van de onderhavige procedure wordt toegewezen. Ook zal het [app] worden toegestaan hun grieven aan te vullen in verband met de uitspraak van de Hoge Raad in de genoemde cassatieprocedure. Het hof legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen.
De feiten
3.2.
Bij het aangaan van de koopovereenkomst tussen [app] en Buijs is door [app] een opschortende voorwaarde bedongen dat het pand bestuursrechtelijk gesplitst zou mogen worden. Het conflict tussen partijen is voortgekomen uit een verschil van inzicht over de uitleg van die opschortende voorwaarde en de reikwijdte van de in dat verband op [app] rustende inspanningsverplichting. Inmiddels is onherroepelijk geoordeeld (bij arrest van dit hof van 2 februari 2021, welk arrest door de Hoge Raad in stand is gelaten) dat de opschortende voorwaarde niet is vervuld, zodat de overeenkomst geen werking kreeg.
3.3.
Tussen partijen is op 15 april 2019 een overeenkomst met het opschrift ‘vaststellingsovereenkomst’ gesloten. Over de uitleg en de gevolgen van die overeenkomst heeft dit hof bij arrest van 5 september 2023 beslist. Het hof heeft (onder meer) geoordeeld dat de verplichtingen uit de ‘vaststellingsovereenkomst’, bijvoorbeeld de verplichting tot het indienen van een nieuwe, deugdelijke aanvraag voor een splitsingsvergunning, op [app] rustten ongeacht de uitkomst van de civiele procedure over de koopovereenkomst. [app] zijn die verplichtingen uit de ‘vaststellingsovereenkomst’ niet tijdig nagekomen en zijn veroordeeld tot betaling van de in verband daarmee verschuldigd geworden boetes. Tegen dat arrest hebben [app] cassatieberoep ingesteld. Er zal naar hun verwachting in de eerste helft van 2025 door de Hoge Raad arrest worden gewezen.
De incidentele vordering van [app]
3.4.
Volgens [app] loopt onderhavige procedure parallel met de procedure die op dit moment aanhangig is bij de Hoge Raad, waarbij cassatieberoep is ingesteld tegen het arrest van dit hof van 5 september 2023. Volgens [app] is het waarschijnlijk dat de Hoge Raad overwegingen zal hanteren die ook in onderhavige procedure van belang zijn. Om te voorkomen dat geoordeeld wordt op basis van stukken die mogelijk door een hogere rechter worden vernietigd, willen [app] dat de onderhavige procedure wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van de cassatieprocedure bij de Hoge Raad. Buijs heeft geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering.
Onderhavige procedure wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad
3.5.
De rechtbank heeft in de onderhavige procedure de door [app] gevorderde schadevergoeding afgewezen. Daarvoor heeft de rechtbank mede de uitleg en de gevolgen van de ‘vaststellingsovereenkomst’ van belang geacht. Volgens [app] staan de uitleg en de gevolgen van de ‘vaststellingsovereenkomst’ ook in het cassatieberoep in de andere procedure ter discussie. Omdat het oordeel daarover voor de beslissing in het onderhavige hoger beroep van belang kan zijn (zoals dat ook het geval was in eerste aanleg), draagt aanhouding van de procedure in afwachting van de uitkomst van het cassatieberoep bij aan een doelmatige procesvoering. Daarmee wordt voorkomen dat op onderwerpen door het hof en de Hoge Raad tegenstrijdig zou worden beslist of dat het hof in de onderhavige procedure van onjuiste uitgangspunten zou uitgaan. Deze belangen prevaleren in dit geval boven de vertraging die het gevolg zal zijn van de aanhouding tot aan het arrest van de Hoge Raad.
3.6.
Het hof merkt nog op dat [app] abusievelijk artikel 392 lid 6 Rv aan hun incidentele vordering ten grondslag hebben gelegd, nu in de procedure bij de Hoge Raad in afwachting waarvan [app] de onderhavige procedure wensen aan te houden, aan de Hoge Raad geen prejudiciële vragen zijn gesteld. Dit staat, gelet op de open stelsel van incidenten (art. 209 Rv), niet in de weg aan de toewijzing van de aanhouding. Voor zover [app] bedoeld hebben dat aanhouding van dit hoger beroep ook geïndiceerd is totdat, in geval van vernietiging van het bestreden arrest door de Hoge Raad, ‘definitief’ is beslist in de verwijzingsinstantie gaat het hof daar niet in mee, omdat de vertraging van de onderhavige procedure dan te groot wordt (vgl. art. 20 lid 1 Rv en art. 6 lid 1 EVRM).
3.7.
[app] hebben verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld hun grieven aan te vullen in verband met de uitspraak van de Hoge Raad. [app] wensen zo het oordeel van de Hoge Raad in hun memorie van grieven te verwerken. Het hof acht ook dit doelmatig en zal die gelegenheid bieden.
De conclusie
3.8.
Het hof wijst de incidentele vordering toe. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4De beslissing
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering toe;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.2.
houdt de verdere voortgang van de procedure in hoger beroep aan totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in het cassatieberoep van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:7460);
4.3.
verwijst de hoofdzaak naar de roldatum van 6 mei 2025 voor beraad partijen overleggen uitspraak in het cassatieberoep van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:7460) of zoveel eerder of later als die uitspraak gewezen is;
4.4.
bepaalt dat de hoofdzaak op de eerste roldatum zes weken nadat gevolg is gegeven aan het bepaalde in 4.3 op de rol komt voor het nemen van een akte aan de zijde van [app] waarin zij hun grieven mogen aanvullen in verband met het arrest van de Hoge Raad, waarna Buijs bij memorie op de (aangevulde) grieven mag antwoorden;
4.5.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, G.R. den Dekker en M. Wallart, en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1492.
Hof Arnhem-Leeuwarden 5 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7460.
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.345.573
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 553398
arrest in het incident van 11 februari 2025
in de zaak van
1 [appellant1]
2. [appellant2]
die wonen in [woonplaats1]
die hoger beroep hebben ingesteld en een eis in het incident
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna samen: [app]
advocaat: mr. J.W. Adriaansens
tegen
Apotheek Buijs B.V.
die is gevestigd in Utrecht
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: Buijs
advocaat: mr. E.J.H. van Lith
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[app] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 5 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven tevens houdende een incidentele vordering tot aanhouding en een voorwaardelijke akte vermeerdering van eis
2De kern van de zaak
2.1.
Partijen hebben een langlopend conflict over de verkoop aan Buijs van de benedenverdieping van een aan [app] in eigendom toebehorend pand. Zij hebben daarover een groot aantal procedures gevoerd.
2.2.
In de onderhavige procedure hebben [app] bij de rechtbank onder meer vergoeding van schade gevorderd die zij hebben geleden doordat Buijs nakoming heeft gevorderd van vonnissen in kort geding. In de bodemprocedures is anders geoordeeld dan in de kort gedingen, zodat [app] vinden dat Buijs aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de onrechtmatige executies.
2.3.
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Buijs onrechtmatig heeft gehandeld door nakoming te vorderen van de kort gedingvonnissen, maar heeft de door [app] gevorderde schadevergoeding afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4.
Inmiddels is bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld tegen een door dit hof tussen partijen gewezen arrest in een andere procedure (zaaknummer 200.307.802). Volgens [app] zal het oordeel van de Hoge Raad in die procedure direct van invloed zijn op de beoordeling van de vorderingen in onderhavige procedure. [app] hebben daarom een incidentele vordering ingesteld met de strekking dat de onderhavige procedure wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van de zaak bij de Hoge Raad (zaaknummer 23/04757). Gelet op de aard van de incidentele vordering zal het hof daar in dit arrest (eerst en vooraf) op beslissen.
3Het oordeel van het hof
3.1.
Het hof zal beslissen dat de vordering van [app] tot aanhouding van de onderhavige procedure wordt toegewezen. Ook zal het [app] worden toegestaan hun grieven aan te vullen in verband met de uitspraak van de Hoge Raad in de genoemde cassatieprocedure. Het hof legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen.
De feiten
3.2.
Bij het aangaan van de koopovereenkomst tussen [app] en Buijs is door [app] een opschortende voorwaarde bedongen dat het pand bestuursrechtelijk gesplitst zou mogen worden. Het conflict tussen partijen is voortgekomen uit een verschil van inzicht over de uitleg van die opschortende voorwaarde en de reikwijdte van de in dat verband op [app] rustende inspanningsverplichting. Inmiddels is onherroepelijk geoordeeld (bij arrest van dit hof van 2 februari 2021, welk arrest door de Hoge Raad in stand is gelaten) dat de opschortende voorwaarde niet is vervuld, zodat de overeenkomst geen werking kreeg.
3.3.
Tussen partijen is op 15 april 2019 een overeenkomst met het opschrift ‘vaststellingsovereenkomst’ gesloten. Over de uitleg en de gevolgen van die overeenkomst heeft dit hof bij arrest van 5 september 2023 beslist. Het hof heeft (onder meer) geoordeeld dat de verplichtingen uit de ‘vaststellingsovereenkomst’, bijvoorbeeld de verplichting tot het indienen van een nieuwe, deugdelijke aanvraag voor een splitsingsvergunning, op [app] rustten ongeacht de uitkomst van de civiele procedure over de koopovereenkomst. [app] zijn die verplichtingen uit de ‘vaststellingsovereenkomst’ niet tijdig nagekomen en zijn veroordeeld tot betaling van de in verband daarmee verschuldigd geworden boetes. Tegen dat arrest hebben [app] cassatieberoep ingesteld. Er zal naar hun verwachting in de eerste helft van 2025 door de Hoge Raad arrest worden gewezen.
De incidentele vordering van [app]
3.4.
Volgens [app] loopt onderhavige procedure parallel met de procedure die op dit moment aanhangig is bij de Hoge Raad, waarbij cassatieberoep is ingesteld tegen het arrest van dit hof van 5 september 2023. Volgens [app] is het waarschijnlijk dat de Hoge Raad overwegingen zal hanteren die ook in onderhavige procedure van belang zijn. Om te voorkomen dat geoordeeld wordt op basis van stukken die mogelijk door een hogere rechter worden vernietigd, willen [app] dat de onderhavige procedure wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van de cassatieprocedure bij de Hoge Raad. Buijs heeft geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering.
Onderhavige procedure wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad
3.5.
De rechtbank heeft in de onderhavige procedure de door [app] gevorderde schadevergoeding afgewezen. Daarvoor heeft de rechtbank mede de uitleg en de gevolgen van de ‘vaststellingsovereenkomst’ van belang geacht. Volgens [app] staan de uitleg en de gevolgen van de ‘vaststellingsovereenkomst’ ook in het cassatieberoep in de andere procedure ter discussie. Omdat het oordeel daarover voor de beslissing in het onderhavige hoger beroep van belang kan zijn (zoals dat ook het geval was in eerste aanleg), draagt aanhouding van de procedure in afwachting van de uitkomst van het cassatieberoep bij aan een doelmatige procesvoering. Daarmee wordt voorkomen dat op onderwerpen door het hof en de Hoge Raad tegenstrijdig zou worden beslist of dat het hof in de onderhavige procedure van onjuiste uitgangspunten zou uitgaan. Deze belangen prevaleren in dit geval boven de vertraging die het gevolg zal zijn van de aanhouding tot aan het arrest van de Hoge Raad.
3.6.
Het hof merkt nog op dat [app] abusievelijk artikel 392 lid 6 Rv aan hun incidentele vordering ten grondslag hebben gelegd, nu in de procedure bij de Hoge Raad in afwachting waarvan [app] de onderhavige procedure wensen aan te houden, aan de Hoge Raad geen prejudiciële vragen zijn gesteld. Dit staat, gelet op de open stelsel van incidenten (art. 209 Rv), niet in de weg aan de toewijzing van de aanhouding. Voor zover [app] bedoeld hebben dat aanhouding van dit hoger beroep ook geïndiceerd is totdat, in geval van vernietiging van het bestreden arrest door de Hoge Raad, ‘definitief’ is beslist in de verwijzingsinstantie gaat het hof daar niet in mee, omdat de vertraging van de onderhavige procedure dan te groot wordt (vgl. art. 20 lid 1 Rv en art. 6 lid 1 EVRM).
3.7.
[app] hebben verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld hun grieven aan te vullen in verband met de uitspraak van de Hoge Raad. [app] wensen zo het oordeel van de Hoge Raad in hun memorie van grieven te verwerken. Het hof acht ook dit doelmatig en zal die gelegenheid bieden.
De conclusie
3.8.
Het hof wijst de incidentele vordering toe. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4De beslissing
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering toe;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.2.
houdt de verdere voortgang van de procedure in hoger beroep aan totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in het cassatieberoep van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:7460);
4.3.
verwijst de hoofdzaak naar de roldatum van 6 mei 2025 voor beraad partijen overleggen uitspraak in het cassatieberoep van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:7460) of zoveel eerder of later als die uitspraak gewezen is;
4.4.
bepaalt dat de hoofdzaak op de eerste roldatum zes weken nadat gevolg is gegeven aan het bepaalde in 4.3 op de rol komt voor het nemen van een akte aan de zijde van [app] waarin zij hun grieven mogen aanvullen in verband met het arrest van de Hoge Raad, waarna Buijs bij memorie op de (aangevulde) grieven mag antwoorden;
4.5.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, G.R. den Dekker en M. Wallart, en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1492.
Hof Arnhem-Leeuwarden 5 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7460.