Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2024:932
2024-05-08
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
23/2366 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verschoonbaarheid termijnoverschrijding. Vanwege samenloop van bijzondere persoonlijke omstandigheden kan de termijnoverschrijding niet aan appellant worden toegerekend.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
Geciteerd door (54)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8604 Rechtbank Amsterdam 28-08-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:1138 Centrale Raad van Beroep 27-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7718 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-08-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4678 Rechtbank Overijssel 31-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4001 Rechtbank Midden-Nederland 07-07-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:909 Centrale Raad van Beroep 30-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5160 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13513 Rechtbank Den Haag 27-05-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:420 Centrale Raad van Beroep 02-04-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:264 Centrale Raad van Beroep 03-03-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:217 Centrale Raad van Beroep 25-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:476 Rechtbank Gelderland 23-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27113 Rechtbank Den Haag 19-12-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:12609 Rechtbank Limburg 18-12-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:1886 Centrale Raad van Beroep 09-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24222 Rechtbank Den Haag 04-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22098 Rechtbank Den Haag 21-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20353 Rechtbank Den Haag 05-11-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:5709 Rechtbank Midden-Nederland 05-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7558 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-11-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:1564 Centrale Raad van Beroep 23-10-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:1523 Centrale Raad van Beroep 14-10-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:1522 Centrale Raad van Beroep 14-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6131 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-09-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:4730 Rechtbank Midden-Nederland 22-08-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:5907 Rechtbank Amsterdam 13-08-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:1120 Centrale Raad van Beroep 17-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11279 Rechtbank Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:935 Centrale Raad van Beroep 18-06-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:825 Centrale Raad van Beroep 03-06-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:4094 Rechtbank Rotterdam 03-04-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:1790 Rechtbank Overijssel 28-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:357 Parket bij de Hoge Raad 21-03-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:541 Centrale Raad van Beroep 20-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1240 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-03-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:1169 Rechtbank Overijssel 27-02-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:171 Centrale Raad van Beroep 29-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:126 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8702 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:6634 Rechtbank Overijssel 11-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2454 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2371 Centrale Raad van Beroep 05-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2235 Centrale Raad van Beroep 20-11-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2221 Centrale Raad van Beroep 13-11-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1897 Centrale Raad van Beroep 03-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17245 Rechtbank Den Haag 25-09-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1769 Centrale Raad van Beroep 11-09-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8826 Rechtbank Noord-Holland 29-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8818 Rechtbank Noord-Holland 29-08-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:4668 Rechtbank Midden-Nederland 31-07-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:4321 Rechtbank Midden-Nederland 18-07-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1258 Centrale Raad van Beroep 27-06-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1324 Centrale Raad van Beroep 19-06-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:3707 Rechtbank Midden-Nederland 13-06-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (11.910 tekens)
23/2366 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2023, 22/6332 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 8 mei 2024
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de vraag of het college mocht beslissen dat het bezwaarschrift van appellant niet inhoudelijk hoefde te worden behandeld omdat dat te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Gelet op de aangevoerde omstandigheden en in het licht van de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024 kan de termijnoverschrijding niet aan appellant worden toegerekend. De termijnoverschrijding is daarom verschoonbaar. Dit betekent dat het college het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J. Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend en schriftelijk gereageerd op een vraag van de Raad.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 maart 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mulder en mr. J.J. Koenders, advocaat. Het college is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellant ontving sinds 12 april 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Met een besluit van 21 juni 2022 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 21 juni 2022 opgeschort, omdat appellant zonder bericht van verhindering niet is verschenen op een gesprek op een kantoor van het college.
1.3.
Op 26 augustus 2022 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 juni 2022.
1.4.
Met een beslissing op bezwaar van 22 november 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant het bezwaar te laat heeft ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De standpunten van partijen
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, gelet op verschillende bijzondere omstandigheden, zoals het overlijden van zijn moeder, zijn verblijf in het buitenland en een brand in zijn woning.
3.2.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het bezwaar terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevoerde omstandigheden geven geen blijk van bijzondere omstandigheden bij appellant die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.
Het oordeel van de Raad
4.1.
Niet (langer) ter discussie staat dat het bezwaarschrift van appellant ruim drie weken na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn is ingediend. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Nieuwe beoordeling termijnoverschrijdingen
4.2.
In een uitspraak van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen in bestuursrechtelijke procedures. Daaraan ligt mede ten grondslag dat met het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid “Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op zelfredzaamheid” uit 2017 en enkele rapporten van de Nationale ombudsman, een discussie op gang is gekomen over de vraag of in de rechtspraktijk niet te lichtvaardig het uitgangspunt wordt gehanteerd dat elke burger over voldoende ‘doe-vermogen’ beschikt om tijdig bezwaar te maken en beroep in te stellen (en om te voldoen aan de overige ontvankelijkheidsvoorwaarden). Die discussie is mede ingegeven door de opvatting dat het doel van het bestuurs(proces)recht is om rechtsbescherming te bieden door materiële beslechting van geschillen en dat ‘procederen over procederen’ zoveel mogelijk moet worden voorkomen. In hoofdlijnen, verkort weergegeven en voor zover hier van belang, komen de nieuwe uitgangspunten op het volgende neer.
4.2.1.
Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij de toepassing van dit artikel moeten, naast toegang tot de rechter, ook de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid worden betrokken. Dat geldt ook voor het belang van een goed uitvoerbare bestuurspraktijk en een efficiënte rechtspleging. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij die beoordeling niet relevant.
4.2.2.
Beoordeeld moet worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen kan in de eerste plaats gedacht worden aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener, of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats valt te denken aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen.
4.2.3.
Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet de indiener minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen.
4.2.4.
Als onderdeel van de contextuele benadering kan bij de beoordeling van de vraag naar de toerekening aandacht worden besteed aan de hoedanigheid van de indiener, of de indiener zich heeft laten bijstaan door een rechtshulpverlener of andere derde, de omvang van de termijnoverschrijding, de partijconstellatie en de positie van het bestuursorgaan.
4.2.5.
Als het gaat om het bewijs van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, bestaat aanleiding voor een minder strikte benadering dan uit vroegere rechtspraak volgt. Dit betekent onder meer dat aan de bewijsmiddelen en de daaraan te verbinden bewijskracht geen in de context van het geval onnodig hoge eisen mogen worden gesteld.
Beoordeling van het voorliggende geval
4.3.
Naar het oordeel van de Raad geeft de samenloop van de door appellant aangevoerde omstandigheden blijk van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift appellant niet kan worden toegerekend. Hiervoor is het volgende van belang. Appellant kampt al lange tijd met psychische en sociale problemen. Voor de psychische problemen staat hij onder behandeling. Het pand waarin hij woonde beschikte over slechts één brievenbus. Appellant heeft toegelicht dat naast de zeven vaste bewoners van het pand er nog diverse anderen woonden en dat mede daardoor post hem niet altijd onmiddellijk bereikte. Na het overlijden van zijn moeder [in] 2022 is appellant vertrokken naar Marokko. Hij heeft nog wel geregeld dat een neef de post in de gaten zou houden. Op 31 juli 2022 is er brand geweest in het pand waar appellant woonde. Gelet op deze omstandigheden is het aannemelijk dat appellant ten tijde van het besluit van 21 juni 2022 en gedurende de bezwaartermijn in een moeilijke situatie verkeerde. De omvang van de termijnoverschrijding in dit twee-partijengeschil, waarbij geen belangen van derden zijn betrokken, is ook relatief beperkt.
4.4.
Gelet op het voorgaande en in het licht van de onder 4.2 bedoelde uitspraak is er naar het oordeel van de Raad aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dit leidt – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – tot de conclusie dat het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2022 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.5.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op inhoudelijk op het bezwaarschrift van appellant te beslissen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil kan tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar uitsluitend bij de Raad beroep worden ingesteld. Dat betekent dat de procedure bij de rechtbank in dat geval wordt overgeslagen.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende bijstand in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt) en op € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt). Daarnaast moet het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 november 2022;
draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepaalt dat beroep tegen dat besluit uitsluitend bij de Raad kan worden ingesteld;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.500,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.C. Boeree en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2024.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) L.C. van Bentum
ECLI:NL:CBB:2024:31.
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2023, 22/6332 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 8 mei 2024
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de vraag of het college mocht beslissen dat het bezwaarschrift van appellant niet inhoudelijk hoefde te worden behandeld omdat dat te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Gelet op de aangevoerde omstandigheden en in het licht van de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024 kan de termijnoverschrijding niet aan appellant worden toegerekend. De termijnoverschrijding is daarom verschoonbaar. Dit betekent dat het college het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J. Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend en schriftelijk gereageerd op een vraag van de Raad.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 maart 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mulder en mr. J.J. Koenders, advocaat. Het college is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellant ontving sinds 12 april 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Met een besluit van 21 juni 2022 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 21 juni 2022 opgeschort, omdat appellant zonder bericht van verhindering niet is verschenen op een gesprek op een kantoor van het college.
1.3.
Op 26 augustus 2022 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 juni 2022.
1.4.
Met een beslissing op bezwaar van 22 november 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant het bezwaar te laat heeft ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De standpunten van partijen
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, gelet op verschillende bijzondere omstandigheden, zoals het overlijden van zijn moeder, zijn verblijf in het buitenland en een brand in zijn woning.
3.2.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het bezwaar terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevoerde omstandigheden geven geen blijk van bijzondere omstandigheden bij appellant die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.
Het oordeel van de Raad
4.1.
Niet (langer) ter discussie staat dat het bezwaarschrift van appellant ruim drie weken na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn is ingediend. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Nieuwe beoordeling termijnoverschrijdingen
4.2.
In een uitspraak van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen in bestuursrechtelijke procedures. Daaraan ligt mede ten grondslag dat met het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid “Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op zelfredzaamheid” uit 2017 en enkele rapporten van de Nationale ombudsman, een discussie op gang is gekomen over de vraag of in de rechtspraktijk niet te lichtvaardig het uitgangspunt wordt gehanteerd dat elke burger over voldoende ‘doe-vermogen’ beschikt om tijdig bezwaar te maken en beroep in te stellen (en om te voldoen aan de overige ontvankelijkheidsvoorwaarden). Die discussie is mede ingegeven door de opvatting dat het doel van het bestuurs(proces)recht is om rechtsbescherming te bieden door materiële beslechting van geschillen en dat ‘procederen over procederen’ zoveel mogelijk moet worden voorkomen. In hoofdlijnen, verkort weergegeven en voor zover hier van belang, komen de nieuwe uitgangspunten op het volgende neer.
4.2.1.
Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij de toepassing van dit artikel moeten, naast toegang tot de rechter, ook de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid worden betrokken. Dat geldt ook voor het belang van een goed uitvoerbare bestuurspraktijk en een efficiënte rechtspleging. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij die beoordeling niet relevant.
4.2.2.
Beoordeeld moet worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen kan in de eerste plaats gedacht worden aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener, of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats valt te denken aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen.
4.2.3.
Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet de indiener minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen.
4.2.4.
Als onderdeel van de contextuele benadering kan bij de beoordeling van de vraag naar de toerekening aandacht worden besteed aan de hoedanigheid van de indiener, of de indiener zich heeft laten bijstaan door een rechtshulpverlener of andere derde, de omvang van de termijnoverschrijding, de partijconstellatie en de positie van het bestuursorgaan.
4.2.5.
Als het gaat om het bewijs van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, bestaat aanleiding voor een minder strikte benadering dan uit vroegere rechtspraak volgt. Dit betekent onder meer dat aan de bewijsmiddelen en de daaraan te verbinden bewijskracht geen in de context van het geval onnodig hoge eisen mogen worden gesteld.
Beoordeling van het voorliggende geval
4.3.
Naar het oordeel van de Raad geeft de samenloop van de door appellant aangevoerde omstandigheden blijk van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift appellant niet kan worden toegerekend. Hiervoor is het volgende van belang. Appellant kampt al lange tijd met psychische en sociale problemen. Voor de psychische problemen staat hij onder behandeling. Het pand waarin hij woonde beschikte over slechts één brievenbus. Appellant heeft toegelicht dat naast de zeven vaste bewoners van het pand er nog diverse anderen woonden en dat mede daardoor post hem niet altijd onmiddellijk bereikte. Na het overlijden van zijn moeder [in] 2022 is appellant vertrokken naar Marokko. Hij heeft nog wel geregeld dat een neef de post in de gaten zou houden. Op 31 juli 2022 is er brand geweest in het pand waar appellant woonde. Gelet op deze omstandigheden is het aannemelijk dat appellant ten tijde van het besluit van 21 juni 2022 en gedurende de bezwaartermijn in een moeilijke situatie verkeerde. De omvang van de termijnoverschrijding in dit twee-partijengeschil, waarbij geen belangen van derden zijn betrokken, is ook relatief beperkt.
4.4.
Gelet op het voorgaande en in het licht van de onder 4.2 bedoelde uitspraak is er naar het oordeel van de Raad aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dit leidt – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – tot de conclusie dat het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2022 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.5.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op inhoudelijk op het bezwaarschrift van appellant te beslissen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil kan tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar uitsluitend bij de Raad beroep worden ingesteld. Dat betekent dat de procedure bij de rechtbank in dat geval wordt overgeslagen.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende bijstand in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt) en op € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt). Daarnaast moet het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 november 2022;
draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepaalt dat beroep tegen dat besluit uitsluitend bij de Raad kan worden ingesteld;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.500,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.C. Boeree en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2024.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) L.C. van Bentum
ECLI:NL:CBB:2024:31.