Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7718

2026-08-14 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht BRE 25/5797
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/5797
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

AOW Bezwaar NO. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het te laat indienen daarvan.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.013 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/5797 AOW


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. J. Oversluizen),


en


de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht (de Svb).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser vanwege het te laat indienen daarvan. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de Svb het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 30 mei 2025 (primair besluit) heeft de Svb aan eiser medegedeeld dat zijn recht op pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 1 februari 2025 is herzien van de norm voor een alleenstaande naar de norm voor een gehuwde, omdat eiser sinds 15 januari 2015 een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [persoon]. Over de periode van februari 2025 tot en met mei 2025 heeft eiser een bedrag van € 1.125,27 aan AOW-pensioen te veel ontvangen. Dit bedrag wordt verrekend met de AOW over juni 2025 en het vakantiegeld.



2.1.
Eiser heeft op 4 juni 2025 telefonisch contact gehad met de Svb.



2.2.
Bij brief van 18 juli 2025 heeft de Svb het te veel uitbetaalde AOW-pensioen teruggevorderd, omdat de in het primaire besluit genoemde verrekening niet heeft plaatsgevonden. Een kopie van het primaire besluit is bijgevoegd.



2.3.
Bij brief van 4 augustus 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De Svb heeft het bezwaarschrift op 6 augustus 2025 ontvangen.



2.4.
Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 heeft de Svb het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de indieningstermijn zonder geldige reden.



2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.6.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. De Svb was, met voorafgaand bericht, niet aanwezig.




Beoordeling door de rechtbank

3. In geschil is of het bezwaarschrift tijdig is ingediend, nadat het primaire besluit aan eiser is bekendgemaakt.



Wettelijk kader



4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het primair besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het primaire besluit aan eiser is toegezonden. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van een na afloop ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.



Wat is de omvang van het geding?



5. Ter beoordeling ligt aan de rechtbank een beslissing op bezwaar voor waarin het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard. Dat betekent dat de rechter uitsluitend kan beoordelen of de Svb het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepsgronden van eiser die zien op de inhoud van het primaire besluit, vallen daarom buiten de omvang van dit geding.



Wat zijn de gronden van eiser?



6. Eiser stelt dat hij eerst met de brief van 18 juli 2025 in kennis is gesteld van het primaire besluit van 30 mei 2025. Het bezwaarschrift is daarmee tijdig ingediend. De verwijzing naar een besluit in een telefoongesprek kan volgens eiser niet gelden als een juiste bekendmaking van dat besluit. Hij verwijst daartoe naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:208.



Heeft eiser tijdig bezwaar gemaakt?



7. Uit de Awb volgt dat de bezwaartermijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.


7.1.
Volgens de Svb is het primaire besluit van 30 mei 2025 per gewone post verzonden aan het adres van eiser. Eiser betwist de verzending van het besluit op 30 mei 2025 en stelt dat hij pas bekend is geworden met het besluit bij brief van 18 juli 2025.



7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de telefoonnotitie van 4 juni 2025 dat eiser op die dag heeft gebeld met de Svb over het besluit van 30 mei 2025, met de vraag waarom hij een lager bedrag aan AOW krijgt. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de CRvB treft geen doel. In die uitspraak is namelijk overwogen dat een verwijzing naar een besluit in een telefoongesprek geen juiste bekendmaking van dat besluit is. In dit geval is hier geen sprake van. Eiser heeft gebeld met de Svb over het besluit, waaruit niet anders kan worden opgemaakt dan dat hij voorafgaand aan het telefoongesprek bekend was met het besluit.



7.3.
Uit het dossier blijkt niet dat het primaire besluit op een ander moment dan de dagtekening is verstuurd. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 31 mei 2025. De zes weken-termijn eindigde daarmee op vrijdag 11 juli 2025. Het bezwaarschrift van eiser is van 4 augustus 2025 en is op 6 augustus 2025 ontvangen bij de Svb. De rechtbank stelt vast dat dit na het einde van de bezwaartermijn is. Dat betekent dat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt.



Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?




8. Als iemand te laat bezwaar maakt, wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dat is alleen anders wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit is zo, als er een goede reden is voor de termijnoverschrijding. In dat geval wordt de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht. Het criterium “verschoonbaarheid” is uitgewerkt in rechtspraak van de hoogste bestuursrechters. De termijnoverschrijding is onder andere verschoonbaar als sprake is van bijzondere omstandigheden die de indiener van het bezwaarschrift betreffen. Hierbij valt in de eerste plaats te denken aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf (zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan). In de tweede plaats kan worden gedacht aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen (zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand). Als er een duidelijke verhindering was, is het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift niet verwijtbaar en kan dit niet aan de indiener worden toegerekend.




8.1.
Namens eiser is ter zitting aangevoerd dat hij een zwervend bestaan heeft gehad, waarbij hij verschillende verblijfplaatsen had in binnen- en buitenland en een periode in de verslaafdenopvang heeft verbleven.



8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank geven de door eiser aangevoerde redenen geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het zwervend bestaan en de periode in de verslaafdenopvang waren van (ruim) voor de periode waarin bezwaar kon worden gemaakt tegen het primaire besluit. Eiser was in staat om enkele dagen na ontvangst van het besluit telefonisch contact op te nemen met de Svb over dit besluit. Hij is in het besluit en tijdens het telefoongesprek gewezen op de bezwaarclausule en hij heeft telefonisch aangegeven in bezwaar te zullen gaan. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in staat was tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Dat hij dit heeft nagelaten is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico moet blijven.


9. De Svb heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.





Conclusie en gevolgen


10. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Er is daarom geen reden voor een proceskostenveroordeling en eiser krijgt zijn griffierecht niet vergoed.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 14 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Artikel 6:7 van de Awb.


Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.


Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:11 van de Awb.


Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:11 van de Awb.


Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 en de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932.