Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:4678

2026-07-31 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ak_25_3849
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ak_25_3849
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Het Zorgkantoor heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaarschrift dat per aangetekende post is verstuurd is te laat ingediend. De rechtbank constateert dat niet kan worden vastgesteld dat er – anders dan het per aangetekende post verstuurde bezwaarschrift – al eerder een bezwaarschrift is ingediend en concludeert dat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt. Er moet van worden uitgegaan dat de termijnoverschrijding eiser kan worden toegerekend. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.770 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: ZWO 25/3849


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: eiser)


en


Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder (hierna: het Zorgkantoor)
gemachtigde: mr. S. Gezer.


Samenvatting


Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van een bezwaarschrift. Het bezwaar richt zich tegen een besluit over een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden komt de rechtbank tot het oordeel dat het Zorgkantoor het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


1.1.

Met een besluit van 29 juli 2025 heeft het Zorgkantoor het pgb van eiser over de jaren 2022 en 2023 vastgesteld op nihil, de periode over het subsidiejaar 2025 gewijzigd naar
1 januari 2025 tot en met 23 september 2025 en bepaald dat eiser per 24 september 2025 geen zorg via het pgb meer mag inkopen. Met het bestreden besluit van 5 december 2025 heeft het Zorgkantoor het bezwaar van eiser tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard.




1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het Zorgkantoor via een beeldverbinding deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.




Beoordeling door de rechtbank



Uitstel onderzoek ter zitting




2.1.
Met een brief van 4 juli 2026 heeft eiser verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting, omdat hij met vakantie is. De rechtbank heeft deze brief op 8 juli 2026 ontvangen.


2.2.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank het verzoek om uitstel afgewezen. De rechtbank heeft de uitnodiging voor de zitting op 15 juni 2026 in het digitale dossier gezet. De vooraankondiging is al op 27 mei 2026 aan eiser verstuurd. Eiser had dus veel eerder om uitstel kunnen verzoeken. Daarbij komt dat een vakantie geen bijzondere omstandigheid is die aanleiding geeft voor uitstel van een zitting wanneer deze reeds definitief is vastgesteld (de zitting in deze zaak was bij brief van 15 juni 2026 definitief vastgesteld).



Standpunten van partijen





Standpunt Zorgkantoor



3. Het Zorgkantoor heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het Zorgkantoor heeft eiser te laat bezwaar gemaakt en heeft hij hiervoor geen goede reden gegeven.



Standpunt eiser



4. Eiser wil graag dat zijn bezwaar inhoudelijk behandeld wordt, omdat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om tijdig bezwaar te maken.



4.1.
Eiser stelt dat hij eerder, binnen de termijn, een bezwaarschrift verstuurd heeft. Hij heeft dit echter niet aangetekend verzonden, omdat hij op dat moment niet wist dat dat nodig was. Eiser had geen enkele reden om te denken dat de post zijn brief niet zou bezorgen. Eiser is van mening dat het buiten zijn invloed ligt dat de brief niet is aangekomen. Toen eiser ontdekte dat zijn bezwaarschrift niet was ontvangen, heeft hij, op advies van een medewerker van het Zorgkantoor, dit opnieuw en aangetekend verstuurd. Eiser vindt dat hij daarmee precies gedaan heeft wat van een zorgvuldig en redelijk persoon verwacht mag worden.



4.2.
Eiser vraagt om mee te wegen dat deze situatie hem hard raakt, ook in zijn gezondheid en in de zorg die hij nodig heeft. Hij wijst erop dat de beslissing over zijn pgb grote gevolgen heeft voor zijn dagelijkse leven en van groot belang is voor zijn dagelijks functioneren en welzijn. De onzekerheid hierover en het feit dat zijn bezwaar niet eens inhoudelijk wordt bekeken, zorgen voor spanning, angst en stress. Eiser benadrukt dat hij afhankelijk is van zorg. Hij vindt dat een administratieve fout, waar hij niets aan kan doen, niet zou mogen bepalen dat zijn zorg stopt of dat zijn situatie niet wordt beoordeeld.



Overwegingen van de rechtbank





Toetsingskader




5. Artikel 6:7, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt.



Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.



Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb bepaalt dat bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.



Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.




Is het bezwaar tijdig ingediend?





6.1.
Niet in geschil is dat het besluit van 29 juli 2025 ook op die datum is verzonden en dat de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt eindigde op 9 september 2025.



6.2.
Eiser heeft per aangetekende post een ongedateerd bezwaarschrift ingediend, dat het Zorgkantoor op 3 oktober 2025 heeft ontvangen. Duidelijk is dat dit bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn bij het Zorgkantoor is binnengekomen. Het Zorgkantoor heeft het bezwaarschrift ook niet binnen een week na het verstrijken van de bezwaartermijn ontvangen. De rechtbank stelt dan ook vast dat dit bezwaarschrift te laat is ingediend.



6.3.
Eiser stelt dat hij zijn bezwaarschrift ook eerder al per gewone post heeft verstuurd. Het Zorgkantoor betwist dit en zegt dat niet eerder een bezwaarschrift is ontvangen.



6.4.

Uit vaste rechtspraak volgt dat als een verzender kiest voor niet aangetekende verzending het aan de verzender is om aannemelijk te maken dat het stuk tijdig ter post is bezorgd. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn bezwaarschrift al eerder, binnen de bezwaartermijn, heeft ingediend. Het bezwaarschrift bevat geen dagtekening. Eiser heeft ook geen bankafschriften of een bonnetje overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij een gewone brief ter post heeft bezorgd en – bijvoorbeeld – op het postkantoor de verzendkosten daarvoor heeft betaald.
Met een brief van 21 november 2025 heeft eiser gereageerd op het verzoek van het Zorgkantoor om te laten weten wat de reden is van het te laat indienen van zijn bezwaar. In deze brief schrijft eiser dat hij niet kan bewijzen dat hij het bezwaarschrift op tijd heeft verstuurd.




6.5.
De rechtbank constateert dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat er – anders dan het per aangetekende post verstuurde bezwaarschrift – al eerder een bezwaarschrift is ingediend en concludeert dat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt.



Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?





6.6.
Voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb geldt sinds 30 januari 2024 een nieuw beoordelingskader. In rechtspraak heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitgangspunten hiervoor in korte vorm weergegeven en toegespitst op zijn eigen zaken. In deze beroepsprocedure is het volgende van belang.



6.7.
Bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb moeten, naast toegang tot de rechter, ook de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid worden betrokken. Dat geldt ook voor het belang van een goed uitvoerbare bestuurspraktijk en een efficiënte rechtspleging. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij die beoordeling niet relevant.



6.8.
Beoordeeld moet worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarvan kan sprake zijn als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen kan in de eerste plaats gedacht worden aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener, of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats valt te denken aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen.



6.9.
Eiser heeft niet aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die hemzelf betreffen. Verder heeft hij niet gesteld en is niet gebleken dat de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het Zorgkantoor. Ook andere redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid zijn niet naar voren gebracht of gebleken. Eiser was tijdens de zitting niet aanwezig, zodat hij ook niet nader heeft kunnen toelichten of er redenen waren voor het te laat maken van bezwaar. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de termijnoverschrijding eiser kan worden toegerekend. De termijnoverschrijding is dus niet verschoonbaar.



6.10.
De gevolgen die het besluit van 29 juli 2025 voor eiser heeft, kunnen niet meegewogen worden. Uitgangspunt van het nieuwe beoordelingskader is namelijk dat belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid niet relevant zijn.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Zorgkantoor het bezwaar van eiser terecht niet inhoudelijk heeft behandeld. Eiser krijgt geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie onder meer Centrale Raad van Beroep (CRvB) 2 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1199.


Zie CRvB 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932.