Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1138

2026-08-27 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/296 ANW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/296 ANW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De bezwaren van betrokkene zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het bezwaar tegen de brieven van de Svb is terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.598 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer



25/296 ANW, 25/297 ANW










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 december 2024, 23/635 en 23/339 (aangevallen uitspraak)







Partijen:



De erven van [betrokkene] (betrokkene), in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats]



de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)








Datum uitspraak: 27 augustus 2026

SAMENVATTING


Betrokkene heeft te laat bezwaar gemaakt tegen een aantal besluiten en brieven van de Svb. De Raad is het met de rechtbank eens dat de Svb terecht het bezwaar tegen de besluiten nietontvankelijk heeft verklaard, omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het bezwaar tegen de brieven van de Svb is terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.





PROCESVERLOOP


Namens betrokkene heeft mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.



Betrokkene is op [datum 1] 2025 overleden. De erven hebben laten weten de procedure voort te willen zetten.



De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2026. Van de erven zijn verschenen [naam kind 1] en [naam kind 2] , kinderen van betrokkene, bijgestaan door mr. Meuwissen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Erkens.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Betrokkene ontving een WIA-uitkering en een toeslag in aanvulling op de WIAuitkering. Op [datum 2] 2020 is betrokkene opnieuw gehuwd. De echtgenoot van betrokkene is op [datum 3] 2020 overleden. Naar aanleiding van zijn overlijden ontving betrokkene vanaf 1 december 2020 een ANW-uitkering. In verband met wisselende inkomsten uit de WIA-uitkering heeft de Svb de ANW-uitkering van betrokkene meermaals herzien en de te veel betaalde uitkering teruggevorderd.



1.2.
De Svb heeft met besluiten van 1 juni 2021 de ANW-uitkering van betrokkene over de periode januari 2021 tot en met mei 2021 herzien, omdat haar inkomsten zijn veranderd. Daarbij is vastgesteld dat betrokkene in die periode € 2.142,97 te veel aan ANW-uitkering heeft ontvangen en dat de vordering met ingang van augustus 2021 in 12 maanden op de ANW-uitkering wordt ingehouden. Betrokkene heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt.



1.3.
Met een besluit van 21 juni 2022 (besluit 1) is de ANW-uitkering van betrokkene vanaf juli 2022 herzien, omdat het inkomen is veranderd.



1.4.
Bij brief van 8 augustus 2022 (brief 2) is betrokkene op de hoogte gesteld van de wijze waarop de onder 1.2 genoemde vordering is verrekend. De laatste inhouding op haar ANW-uitkering heeft plaatsgevonden in juli 2022. Daarna heeft de Svb met een brief van 12 augustus 2022 (brief 3) deze informatie nogmaals aan betrokkene gegeven.



1.5.
Met een besluit van 23 augustus 2022 (besluit 4) is de ANW-uitkering van betrokkene vanaf september 2022 herzien. Daarbij is overwogen dat de Svb overleg heeft gehad met het Uwv. Uit het overleg is gebleken dat het Uwv maandelijks een bruto vordering verrekent op de WIA-uitkering van betrokkene. De Svb houdt voortaan rekening met de schuld bij het Uwv en de berekening en toepassing van de beslagvrije voet door het Uwv. Toekomstige vorderingen van de ANW-uitkering worden pas verrekend als de vordering bij het Uwv is voldaan en na de ingangsdatum van een AOW-pensioen van betrokkene. Daarnaast is in overleg met het Uwv besloten om de laatste verrekening van € 173,22 die in juli 2022 op de ANW-uitkering heeft plaatsgevonden, aan betrokkene terug te betalen. Dit bedrag wordt per oktober 2024 met € 50,00 per maand verrekend.



1.6.
Met een besluit van 20 oktober 2022 (besluit 5) is een betalingsregeling getroffen. Daarvoor is verwezen naar een overleg dat op 14 oktober 2022 heeft plaatsgevonden tussen de Svb, het Uwv en de Belastingdienst. Naar aanleiding hiervan heeft de Svb besloten rekening te houden met het feit dat het Uwv over augustus 2021 tot en met juni 2022 al een vordering had ingesteld met daarbij de berekening van de beslagvrije voet. De netto verrekening van ANW-uitkering over deze periode bedroeg € 1.234,30. In verband met dubbele verrekening wordt het bedrag teruggestort. De invordering van dit bedrag wordt opgeschort tot januari 2025.



1.7.
Met een besluit van 1 november 2022 (besluit 6) heeft de Svb de ANW-uitkering van betrokkene vanaf juli 2022 herzien in verband met wijziging in het inkomen. Hierdoor heeft betrokkene over juli en augustus 2022 een bedrag van € 179,88 te veel ontvangen, dat de Svb terugvordert. De Svb neemt dit bedrag op in de betalingsregeling die met betrokkene is afgesproken in besluit 5.



1.8.
Betrokkene heeft op 10 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen besluiten 1, 4, 5 en 6. Daarbij is ook bezwaar gemaakt tegen brieven 2 en 3.



1.9.
Met een besluit van 21 februari 2023 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen de besluiten 1, 4, 5 en 6 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het bezwaar tegen brieven 2 en 3 is niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brieven geen besluit zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen de mogelijkheid van bezwaar open staat.



1.10.
Met een besluit van 13 juli 2023 (besluit 7) heeft de Svb de ANW-uitkering van betrokkene herzien over de maanden februari 2023 tot met juni 2023. Hierdoor heeft betrokkene over die periode een bedrag van € 274,81 te veel ontvangen, dat wordt teruggevorderd. Deze vordering wordt opgenomen in de lopende betalingsregeling. Verder is afgesproken dat de Svb alle openstaande vorderingen van te veel betaalde ANW-uitkering op het AOW-pensioen zal gaan verrekenen. Hiervoor neemt de Svb eind 2024 contact met betrokkene op om een passende betalingsregeling te treffen. Betrokkene heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.11.
Met een besluit van 26 oktober 2023 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen besluit 7 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dat besluit wat de betalingsregeling betreft een herhaald besluit is.



Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.




2.1.
Ten aanzien van bestreden besluit 1 is de rechtbank van oordeel dat de Svb terecht de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de rechtbank heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat het te laat indienen van het bezwaar tegen de besluiten 1, 4, 5 en 6 verschoonbaar is. Deze besluiten zijn naar de belangenbehartiger van betrokkene verstuurd. Het komt voor haar risico wanneer deze belangenbehartiger de belangen niet deugdelijk behartigt. Bovendien heeft betrokkene binnen een week na verzending van de besluiten telefonisch contact met de Svb hierover heeft opgenomen, zodat afdoende blijkt dat de besluiten ook zijn ontvangen. Verder heeft de rechtbank in de door betrokkene aangevoerde medische redenen geen geldige reden gezien om te concluderen dat betrokkene niet in staat was tijdig bezwaar te maken. De overgelegde medische stukken vormen geen aanleiding om te oordelen dat betrokkene niet in staat was tijdig bezwaar in te dienen of anderszins hulp in te roepen. De medische informatie betreft één poliklinisch contact op de PAAZ in augustus 2022, naar aanleiding van stemmingsklachten van betrokkene. Er is aan dit contact geen vervolg gegeven. De overige overgelegde medische stukken zien op de medische toestand van de overleden partner van betrokkene.



2.2.
Uit de vele telefoonnotities in het dossier blijkt dat betrokkene herhaaldelijk telefonisch contact met de Svb heeft opgenomen en de Svb vragen heeft gesteld over de brieven en besluiten. De rechtbank acht betrokkene in staat adequaat te handelen, haar belangen te behartigen en tijdig bezwaar te maken. Betrokkene heeft aangevoerd dat het verslag van het overleg van 14 oktober 2022 tussen de Svb, het Uwv en de Belastingdienst ten onrechte niet is ingediend. De rechtbank acht dit punt echter inhoudelijk niet relevant voor de beoordeling of het bezwaar van betrokkene terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en de grond dat ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, zijn door de rechtbank verworpen.



2.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat brieven 2 en 3 geen besluiten zijn waartegen het rechtsmiddel van bezwaar open staat. Deze brieven bevatten informatie en uitleg over een eerder besluit over de herziening en terugvordering van de ten onrechte betaalde ANWuitkering. Het was daarom niet mogelijk om hiertegen bezwaar te maken.



2.4.

Ten aanzien van bestreden besluit 2 is overwogen dat besluit 7, wat de betalingsregeling betreft, een herhaald besluit is waartegen niet de mogelijkheid van bezwaar open staat. De grond dat betrokkene in bezwaar had moeten worden gehoord, slaagt niet. Betrokkene is bij brief van 1 september 2023 uitgenodigd voor een hoorgesprek. Op 22 september 2023 is telefonisch contact geweest met een medewerker van de Svb. Uit die telefoonnotitie blijkt dat betrokkene nog niet wist of zij gehoord wilde worden en hierover overleg zou hebben met haar advocaat. De medewerker van de Svb heeft kenbaar gemaakt dat betrokkene die middag nog zou moeten laten weten of ze gehoord wilde worden en dat anders de medewerker een beslissing zou nemen zonder hoorgesprek. Er bevindt zich onder de stukken geen telefoonnotitie waaruit blijkt dat betrokkene heeft laten weten gehoord te willen worden. Onder die omstandigheden kon de Svb van horen afzien.

Het standpunt van betrokkene




3. Betrokkene is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.





Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.




Bestreden besluit 1



Te laat bezwaar




4.1.
Vast staat en ook niet in geschil is dat betrokkene tegen besluiten 1, 4, 5 en 6 te laat bezwaar heeft gemaakt. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.



4.2.
In vier uitspraken van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb in bestuursrechtelijke procedures. De Raad heeft dit nieuwe beoordelingskader in zijn uitspraken van 8 mei 2024, in korte vorm weergegeven en toegespitst op zijn eigen zaken, overgenomen.



4.3.
De nieuwe uitgangspunten houden onder meer in dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding – in het geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen – een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering wordt gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet de indiener minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen. Als onderdeel van de contextuele benadering kan bij de vraag naar de toerekening aandacht worden besteed aan de hoedanigheid van de indiener, of de indiener zich heeft laten bijstaan door een rechtshulpverlener of andere derde, de omvang van de termijnoverschrijding, de partijconstellatie en de positie van het bestuursorgaan. Als het gaat om het bewijs van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, bestaat aanleiding voor een minder strikte benadering dan uit vroegere rechtspraak volgt. Dit betekent onder meer dat aan de bewijsmiddelen en de daaraan te verbinden bewijskracht geen in de context van het geval onnodig hoge eisen mogen worden gesteld.



4.4.
Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij door de volgende omstandigheden niet in staat was om tijdig bezwaar te maken tegen besluiten 1, 4, 5 en 6. Betrokkene was emotioneel en psychisch ingestort na het overlijden van haar echtgenoot en had zelf nog naweeën van een ernstige ziekte. Daarnaast was zij door fysieke gebreken aan haar handen niet of nauwelijks in staat om te schrijven. Pas in januari 2023 ontving zij hulp vanuit de gemeente om orde te brengen in de administratieve chaos. Uit telefonische onderhouden met de Svb bleek bovendien dat betrokkene het allemaal niet meer wist.


4.4.1.
Deze beroepsgronden slagen niet. In wat betrokkene heeft aangevoerd zijn onvoldoende bijzondere omstandigheden gelegen die in samenhang bezien maken dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank en verwijst daarvoor naar de overwegingen van de rechtbank. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.



4.4.2.
De Raad stelt voorop dat het in het geval van betrokkene niet om een geringe overschrijding van de bezwaartermijn gaat. Die termijn is tussen de drie en acht maanden overschreden. De beschikbare gegevens bieden onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat zich in het geval van betrokkene zodanige bijzondere (persoonlijke) omstandigheden voordoen, zoals psychisch onvermogen, dat zij pas op 10 februari 2023 bezwaar kon instellen en niet tijdig om hulp heeft kunnen vragen.



Geen besluiten






4.5.
Voor zover het bezwaar gericht was tegen brieven 2 en 3, oordeelt de Raad met de rechtbank dat dit geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. In brieven 2 en 3 is alleen opnieuw uitleg gegeven over de verrekening van de terugvordering van € 2.142,97 over de periode van augustus 2021 tot en met juli 2022. Dit stond ook al in een eerder besluit van 15 juli 2021, zodat geen nieuw rechtsgevolg is beoogd met brieven 2 en 3.




Bestreden besluit 2


4.6.
De Raad is verder van oordeel dat de Svb bij bestreden besluit 2 het bezwaar tegen besluit 7 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat dat besluit geen besluit betreft in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.


4.6.1.
Betrokkene is tegen besluit 7 opgekomen, omdat zij het niet eens is met de lopende betalingsregeling van de terugvordering. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat de betalingsregeling al eerder was neergelegd in besluiten 4 en 6, tegen welke besluiten betrokkene niet verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt. In zoverre is besluit 7 een herhaling van eerdere besluiten en niet op rechtgevolg gericht.



Geen schending hoorplicht






4.7.
Wat betreft de grond dat ten onrechte van het horen van betrokkene is afgezien, wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien als het bezwaar kennelijk nietontvankelijk is. Volgens de geschiedenis van haar totstandkoming vormt de hoorplicht een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Van een kennelijk nietontvankelijk bezwaar is sprake wanneer er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.



4.8.
Anders dan betrokkene meent, heeft de Svb onder de gegeven omstandigheden terecht gebruik gemaakt van de mogelijkheid om van het horen in bezwaar af te zien. Ten aanzien van bestreden besluit 1 is daarvoor van belang dat betrokkene op 17 februari 2023 met de Svb heeft gebeld over haar te laat ingediende bezwaar. In dat gesprek heeft betrokkene de redenen toegelicht waarom zij te laat bezwaar heeft gemaakt. Betrokkene heeft gemeld dat een kennis en familievriend haar berichtenbox beheert en dat hij niet alle beslissingen tijdig aan haar heeft doorgegeven. Zij heeft ook gemeld dat zij al eerder door de Svb er op is gewezen dat het beheer van de berichtenbox door een ander, wel haar verantwoordelijkheid blijft en heeft gemeld dit ook te weten. De familievriend mist wel eens wat en dat kan gebeuren, aldus destijds betrokkene. Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar was voldaan aan de voorwaarden van de onder 4.5 vermelde bepaling. Ten aanzien van bestreden besluit 2 heeft rechtbank in de aangevallen uitspraak beschreven waarom de Svb van horen in bezwaar heeft mogen afzien. Deze overwegingen worden onderschreven.



4.9.
Tot slot heeft betrokkene nog inhoudelijke beroepsgronden aangevoerd ten aanzien van de bruto-netto verrekening van de ANW-uitkering en de door de Svb gehanteerde huwelijksdatum. Gelet op het voorgaande behoeven deze beroepsgronden van betrokkene, hier geen bespreking meer.





Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de bezwaren van betrokkene terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt betrokkene geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.





Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.






(getekend) E.E.V. Lenos




(getekend) C.C.M. van ‘t Hol



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Algemene wet bestuursrecht





Artikel 1:3, eerste lid




Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.




Artikel 6:11




Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.




Artikel 7:3




Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
(..)
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
(..)


Algemene Nabestaandenwet.


Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.


Algemene wet bestuursrecht.


ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.


ECLI:NL:CRVB:2024:932, ECLI:NL:CRVB:2024:935, ECLI:NL:CRVB:2024:972 en ECLI:NL:CRVB:2026:264.