Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2013:1874
2013-09-18
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
11-1293 AWBZ
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:CRVB:2013:1874 → ECLI:NL:RBROT:2011:99 niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie
Bij besluit heeft CIZ de aanvraag van appellante tot het stellen van een indicatie voor zorg op grond van de AWBZ afgewezen. Ter zitting heeft appellante haar gemachtigde bericht dat appellante eind 2012 is vertrokken naar haar geboorteland Iran en dat zij niet zal terugkeren naar Nederland. Nu er geen sprake is van procesbelang wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (90)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2472 Rechtbank Amsterdam 11-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6049 Rechtbank Midden-Nederland 30-10-2025
- ECLI:NL:OGAACMB:2025:8 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 27-01-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2024:9216 Rechtbank Limburg 12-12-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:3178 Rechtbank Oost-Brabant 01-05-2024
- ECLI:NL:CRVB:2023:2451 Centrale Raad van Beroep 21-12-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:2402 Centrale Raad van Beroep 13-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10522 Rechtbank Noord-Holland 07-09-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1009 Centrale Raad van Beroep 25-05-2023
- ECLI:NL:OGAACMB:2022:88 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 05-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6798 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4556 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-08-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:1982 Rechtbank Oost-Brabant 18-05-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:4196 Rechtbank Den Haag 25-03-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1449 Rechtbank Midden-Nederland 24-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1261 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1263 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-03-2022
- ECLI:NL:ORBAACM:2021:87 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 10-12-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:5601 Rechtbank Gelderland 20-10-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2568 Centrale Raad van Beroep 19-10-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1933 Centrale Raad van Beroep 03-08-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:692 Centrale Raad van Beroep 25-03-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:2604 Rechtbank Den Haag 19-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:620 Centrale Raad van Beroep 17-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:147 Centrale Raad van Beroep 22-01-2021
- ECLI:NL:CRVB:2020:3357 Centrale Raad van Beroep 24-12-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:3278 Centrale Raad van Beroep 23-12-2020
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5837 Rechtbank Midden-Nederland 18-11-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2099 Centrale Raad van Beroep 09-09-2020
- ECLI:NL:RBOVE:2020:1041 Rechtbank Overijssel 06-03-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:192 Centrale Raad van Beroep 29-01-2020
- ECLI:NL:CRVB:2019:4339 Centrale Raad van Beroep 30-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:4324 Centrale Raad van Beroep 19-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:4155 Centrale Raad van Beroep 18-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:4108 Centrale Raad van Beroep 04-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2840 Centrale Raad van Beroep 28-08-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2020 Centrale Raad van Beroep 25-06-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:1603 Centrale Raad van Beroep 18-04-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:1477 Centrale Raad van Beroep 10-04-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:897 Centrale Raad van Beroep 13-03-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:898 Centrale Raad van Beroep 13-03-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:669 Centrale Raad van Beroep 05-03-2019
- ECLI:NL:RBNNE:2019:912 Rechtbank Noord-Nederland 28-02-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:695 Centrale Raad van Beroep 27-02-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:488 Centrale Raad van Beroep 13-02-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:464 Centrale Raad van Beroep 13-02-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:219 Centrale Raad van Beroep 23-01-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:221 Centrale Raad van Beroep 23-01-2019
- ECLI:NL:CRVB:2018:4213 Centrale Raad van Beroep 21-12-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:3507 Centrale Raad van Beroep 08-11-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:3679 Centrale Raad van Beroep 07-11-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:3118 Centrale Raad van Beroep 03-10-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2892 Centrale Raad van Beroep 19-09-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2828 Centrale Raad van Beroep 19-09-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2785 Centrale Raad van Beroep 12-09-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2593 Centrale Raad van Beroep 22-08-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2537 Centrale Raad van Beroep 15-08-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2473 Centrale Raad van Beroep 25-07-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:2547 Rechtbank Gelderland 11-06-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:1298 Centrale Raad van Beroep 02-05-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (4.726 tekens)
11/1293 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011, 10/3400 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te Iran (appellante)
Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.W.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2013. Voor appellante is verschenen mr. W.A. Timmer, opvolgend gemachtigde. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.
OVERWEGINGEN
1.
Bij besluit van 16 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2010 (bestreden besluit) heeft CIZ de aanvraag van appellante tot het stellen van een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) afgewezen.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting van 26 juni 2013 heeft mr. Timmer bericht dat appellante eind 2012 is vertrokken naar haar geboorteland Iran en dat zij niet zal terugkeren naar Nederland.
4.2.
De Raad ziet zich gelet op deze mededeling geplaatst voor de vraag of appellante voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. In vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 1 juni 2010, LJN BM7208) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het doel dat met de procedure beoogd werd, het verkrijgen van adequate zorg op grond van de AWBZ, voor appellante niet meer gerealiseerd kan worden nu appellante is vertrokken naar Iran en niet het voornemen heeft terug te keren naar Nederland. Hiermee is het belang van appellante bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel vervallen. Niettemin zou nog steeds sprake kunnen zijn van een procesbelang, indien door appellante wordt gesteld dat zij schade heeft geleden door het bestreden besluit. Daarvoor is wel vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van het weigeren van een indicatie voor zorg niet op voorhand onaannemelijk is.
4.4.
Mr. Timmer heeft ter zitting betoogd dat de zorg waarvoor appellante een indicatie heeft verzocht door een nichtje is verleend. Appellante is daarvoor een vergoeding verschuldigd aan haar nichtje. Deze enkele stelling is echter onvoldoende om geleden schade op voorhand aannemelijk te achten. De enkele aanknopingspunten die in het dossier te vinden zijn met betrekking tot deze geleverde zorg, bijvoorbeeld in het behandelplan van 26 juni 2011 van psychiater R. Soylu, zijn te algemeen om daaruit de conclusie te trekken dat een betalingsverplichting op grond van geleverde zorg is ontstaan. Daarnaar gevraagd heeft mr. Timmer ter zitting geen nadere concretisering of onderbouwing kunnen geven met betrekking tot de identiteit van deze nicht of de door haar geleverde zorg. Nu appellante reeds in 2012 Nederland heeft verlaten had het op de weg van mr. Timmer gelegen om de gestelde schade en daarmee het procesbelang ter zitting met concrete gegevens te onderbouwen.
4.5.
Nu er geen sprake is van procesbelang wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
4.6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) M.R. Schuurman
NW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011, 10/3400 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te Iran (appellante)
Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.W.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2013. Voor appellante is verschenen mr. W.A. Timmer, opvolgend gemachtigde. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.
OVERWEGINGEN
1.
Bij besluit van 16 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2010 (bestreden besluit) heeft CIZ de aanvraag van appellante tot het stellen van een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) afgewezen.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting van 26 juni 2013 heeft mr. Timmer bericht dat appellante eind 2012 is vertrokken naar haar geboorteland Iran en dat zij niet zal terugkeren naar Nederland.
4.2.
De Raad ziet zich gelet op deze mededeling geplaatst voor de vraag of appellante voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. In vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 1 juni 2010, LJN BM7208) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het doel dat met de procedure beoogd werd, het verkrijgen van adequate zorg op grond van de AWBZ, voor appellante niet meer gerealiseerd kan worden nu appellante is vertrokken naar Iran en niet het voornemen heeft terug te keren naar Nederland. Hiermee is het belang van appellante bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel vervallen. Niettemin zou nog steeds sprake kunnen zijn van een procesbelang, indien door appellante wordt gesteld dat zij schade heeft geleden door het bestreden besluit. Daarvoor is wel vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van het weigeren van een indicatie voor zorg niet op voorhand onaannemelijk is.
4.4.
Mr. Timmer heeft ter zitting betoogd dat de zorg waarvoor appellante een indicatie heeft verzocht door een nichtje is verleend. Appellante is daarvoor een vergoeding verschuldigd aan haar nichtje. Deze enkele stelling is echter onvoldoende om geleden schade op voorhand aannemelijk te achten. De enkele aanknopingspunten die in het dossier te vinden zijn met betrekking tot deze geleverde zorg, bijvoorbeeld in het behandelplan van 26 juni 2011 van psychiater R. Soylu, zijn te algemeen om daaruit de conclusie te trekken dat een betalingsverplichting op grond van geleverde zorg is ontstaan. Daarnaar gevraagd heeft mr. Timmer ter zitting geen nadere concretisering of onderbouwing kunnen geven met betrekking tot de identiteit van deze nicht of de door haar geleverde zorg. Nu appellante reeds in 2012 Nederland heeft verlaten had het op de weg van mr. Timmer gelegen om de gestelde schade en daarmee het procesbelang ter zitting met concrete gegevens te onderbouwen.
4.5.
Nu er geen sprake is van procesbelang wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
4.6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) M.R. Schuurman
NW