Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2019:4108
2019-12-04
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
18/4520 WMO15-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:CRVB:2019:4108 → ECLI:NL:RBZWB:2018:3921 niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Door appellant is erkend dat het procesbelang is komen te vervallen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3754) kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Evenmin is een procesbelang gelegen in het verkrijgen van het griffierecht.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2013:1874 Centrale Raad van Beroep 18-09-2013
- ECLI:NL:CRVB:2019:3754 Centrale Raad van Beroep 27-11-2019
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:CRVB:2024:1721 Centrale Raad van Beroep 15-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2855 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-04-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2020:3569 Rechtbank Overijssel 28-10-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (2.947 tekens)
184520 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juli 2018, 17/6095 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)
Datum uitspraak: 4 december 2019
Zitting hebben: D.S. de Vries als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en C.J. Borman als leden
Griffier: C.I. Heijkoop
Ter zitting is verschenen: het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Bons
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 27 maart 2017, gehandhaafd bij besluit van 19 juli 2017 (bestreden besluit), is de aanvraag van appellant voor een maatwerkvoorziening afgewezen. Hieraan is onder meer ten grondslag gelegd dat het college geen urgentieverklaringen afgeeft. Appellant dient een dergelijke verklaring bij de woningbouwvereniging aan te vragen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Bij brief van 3 december 2019 heeft appellant verklaard dat hij niet langer woonachtig is op het adres waarop zijn aanvraag betrekking had, dat hij geen belang meer heeft bij de onderhavige procedure, maar dat hij wel verzoekt om het college te veroordelen in de proceskosten en het griffierecht.
In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
Door appellant is erkend dat het procesbelang is komen te vervallen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3754) kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Evenmin is een procesbelang gelegen in het verkrijgen van het griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.I. Heijkoop (getekend) D.S. de Vries
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juli 2018, 17/6095 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)
Datum uitspraak: 4 december 2019
Zitting hebben: D.S. de Vries als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en C.J. Borman als leden
Griffier: C.I. Heijkoop
Ter zitting is verschenen: het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Bons
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 27 maart 2017, gehandhaafd bij besluit van 19 juli 2017 (bestreden besluit), is de aanvraag van appellant voor een maatwerkvoorziening afgewezen. Hieraan is onder meer ten grondslag gelegd dat het college geen urgentieverklaringen afgeeft. Appellant dient een dergelijke verklaring bij de woningbouwvereniging aan te vragen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Bij brief van 3 december 2019 heeft appellant verklaard dat hij niet langer woonachtig is op het adres waarop zijn aanvraag betrekking had, dat hij geen belang meer heeft bij de onderhavige procedure, maar dat hij wel verzoekt om het college te veroordelen in de proceskosten en het griffierecht.
In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
Door appellant is erkend dat het procesbelang is komen te vervallen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3754) kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Evenmin is een procesbelang gelegen in het verkrijgen van het griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.I. Heijkoop (getekend) D.S. de Vries