Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
ECLI:NL:ORBAACM:2021:87
2021-12-10
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
BON2020H00010
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak. Het zuiveren van de naam van appellante levert geen procesbelang op.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2013:1874 Centrale Raad van Beroep 18-09-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.014 tekens)
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
BONAIRE, SINT EUSTATIUS, SABA
Proces-verbaal
van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[Appellante]
wonend op Bonaire,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Gerecht) van 16 maart 2020, BON201900534 en BON201900615 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
geïntimeerde,
gemachtigden: mr. S.L. Navia-Rodriguez, en mr. S. C. van Lint, advocaten
Beslissing
De Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Procesverloop
Bij beschikking van 25 juli 2019 heeft geïntimeerde appellante met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad.
Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2021. Appellante is verschenen. Geïntimeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J. Leijsen, advocaat en kantoorgenoot van mrs. Van Lint en Navia-Rodriguez.
Zitting hadden W.H. Bel, voorzitter, en L.J.J. Rogier en B. Nijland als leden.
Overwegingen
Ter zitting is gebleken dat appellante, ongeacht de uitslag van deze beroepsprocedure, berust in het ontslag, op geen enkele manier nog iets te maken wil hebben met het Korps Politie Caribisch Nederland (Korps) en zeker niet wenst terug te keren naar het Korps. Het enige resultaat dat appellante met het hoger beroep nog wil bereiken is het zuiveren van haar naam. Omdat de opgetekende verklaringen volgens appellante niet overeenkomen met wat zij daadwerkelijk tijdens de verhoren heeft verklaard, heeft appellante de Raad verzocht om de geluidsopnames van deze verhoren te beluisteren.
Nog daargelaten wat het beluisteren van deze geluidsopnames betekent voor de beantwoording van de vraag of het aan appellante verweten plichtsverzuim terecht is, merkt de Raad het zuiveren van haar naam als een uitsluitend principieel belang aan. Een zodanig belang levert volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874), waarbij de Raad zich aansluit, geen procesbelang op. Dit betekent dat appellante geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Om die reden is het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
IN AMBTENARENZAKEN
BONAIRE, SINT EUSTATIUS, SABA
Proces-verbaal
van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[Appellante]
wonend op Bonaire,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Gerecht) van 16 maart 2020, BON201900534 en BON201900615 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
geïntimeerde,
gemachtigden: mr. S.L. Navia-Rodriguez, en mr. S. C. van Lint, advocaten
Beslissing
De Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Procesverloop
Bij beschikking van 25 juli 2019 heeft geïntimeerde appellante met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad.
Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2021. Appellante is verschenen. Geïntimeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J. Leijsen, advocaat en kantoorgenoot van mrs. Van Lint en Navia-Rodriguez.
Zitting hadden W.H. Bel, voorzitter, en L.J.J. Rogier en B. Nijland als leden.
Overwegingen
Ter zitting is gebleken dat appellante, ongeacht de uitslag van deze beroepsprocedure, berust in het ontslag, op geen enkele manier nog iets te maken wil hebben met het Korps Politie Caribisch Nederland (Korps) en zeker niet wenst terug te keren naar het Korps. Het enige resultaat dat appellante met het hoger beroep nog wil bereiken is het zuiveren van haar naam. Omdat de opgetekende verklaringen volgens appellante niet overeenkomen met wat zij daadwerkelijk tijdens de verhoren heeft verklaard, heeft appellante de Raad verzocht om de geluidsopnames van deze verhoren te beluisteren.
Nog daargelaten wat het beluisteren van deze geluidsopnames betekent voor de beantwoording van de vraag of het aan appellante verweten plichtsverzuim terecht is, merkt de Raad het zuiveren van haar naam als een uitsluitend principieel belang aan. Een zodanig belang levert volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874), waarbij de Raad zich aansluit, geen procesbelang op. Dit betekent dat appellante geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Om die reden is het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.