Huur woonruimte. Inwonende zoon verzoekt na overlijden laatste ouder voortzetting van de huurovereenkomst op voet van art. 7:268 lid 2 BW. Verhuurster, een toegelaten instelling ex art. 19 Woningwet, wijst verzoek af. Woonruimte te groot voor alleenstaande. Mede gelet op haar taa
Burgerlijk Wetboek
Art. 7:268 BW
Genoemd in 375 uitspraken · Officiële wettekst
375 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 3 · live
Huur. Huurovereenkomst tussen vader (inmiddels overleden) en verhuurder. Voldoet zoon aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 en 3 BW om de huurovereenkomst voort te mogen zetten na het overlijden van zijn vader?
Huurrecht. Vordering voortzetting huur na overlijden huurder. Vordering afgewezen- niet voldaan aan eis om aannemelijk te maken dat eiseres de huur in de toekomst zal kunnen voldoen.
Een man die na het overlijden van zijn vader in diens huurwoning bleef wonen, moet daar vertrekken. Ook moet hij ruim 500 euro aan achterstallige huur betalen.
art. 7:231, lid 2 BW; sluiting van huurpand door burgemeester; buitengerechtelijke ontbinding; belangenafweging huurder/verhuurder; art. 8 EVRM; schadevergoeding voor verhuurder wegens niet kunnen verhuren voor hogere prijs gedurende de sluiting afgewezen
Dexia vordering in waiver-zaak afgewezen. Tegenvordering vernietiging en terugbetaling toegewezen i.v.m. advisering door tussenpersoon zonder vergunning.
Een vrouw mag met haar zoons in een huurwoning blijven wonen na haar mans dood. Verhuurder Rappange wilde dat de vrouw vertrok omdat zij geen medehuurder zou zijn en de huurovereenkomst dus niet kon voortzetten. Zij was echter wel medehuurder omdat haar man huurder was en haar le
Huur; ontbinding?; voortzetting huur op grond van 7:268 lid 2 BW; verzoek niet binnen zes maanden
Art. 81 lid 1 RO. Huur woonruimte. Voortzetting huurovereenkomst door meerderjarige zoon van overleden huurder; duurzame gemeenschappelijke huishouding, art. 7:268 lid 2 BW.
Huur woonruimte. Stellingen in processtukken en ter comparitie leiden tot het oordeel dat het samenleven van vader en zoon in de woning niet kan worden gekwalificeerd als duurzame gemeenschappelijke huishouding. Onvoldoende bijzondere omstandigheden die aan het in beginsel aflope
Het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding impliceert een keuze om blijvend en met een verwachting voor de toekomst samen te wonen (niet om bij elkaar te blijven in verband met een verslechterende gezondheidstoestand).
Huur woonruimte. Verzoek om medehuurderschap; duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in art. 7:628 lid 2 BW, eis van bijzondere lotsverbondenheid.
Erfrechtelijk geschil tussen twee zussen omtrent erfdeel van eiseres uit nalatenschap van vader en haar legitieme portie uit de nalatenschap van moeder. Erfgenamen van vader zijn zijn echtgenote en hun kinderen (partijen en hun broer). Het testament van vader bevat een ouderlijke
Voortzetting van de huur. Kan aan de (wettelijke) eis van een huisvestingsvergunning worden vastgehouden als de woning wordt verkocht.
8 oktober 2004 Eerste Kamer Nr. C03/163HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. D. Stoutjesdijk, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. P.C.M. van
Huur van woonruimte. Artikel 7:268 lid 2 BW. Kleinzoon wil huurovereenkomst grootmoeder voortzetten na haar overlijden. Hof oordeelt dat kleinzoon onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding had met grootmoeder
Huur woonruimte. Volwassen kind vordert voortzetting van de huurovereenkomst na overlijden moeder op de voet van artikel 7:268 lid 2 BW. Kantonrechter en hof wijzen de vordering af. Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding.
kort geding; uitstel mondelinge behandeling; geen voortzetting huurovereenkomst
Voortzetting huur na overlijden huurder? Artikel 7:268 lid 2 BW? Nieuwe huurovereenkomst? Gedogen? Ontruimingskosten.
kort geding; ontruiming woning toegewezen; in de seniorenwoning van zijn overleden vader achtergebleven meerderjarige zoon; geen medehuurder; geen vordering ex art. 7:268 lid 2 BW ingesteld; geen rechtsverwerking; belangenafweging; langere ontruimingstermijn
Voortzetting huur na overlijden
Huur. artikel 7: 268 lid 2 BW. Moeder-zoon. Geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Wederkerigheid ontbreekt.
Kort geding. Ontruiming woning toegewezen. Gedaagde betaalt geen huur meer waardoor er een aanzienlijke betalingsachterstand is. Hoewel gedaagde hoger beroep heeft ingesteld tegen een eerder vonnis waarin haar verzoek tot voortzetting van de huurovereenkomst was afgewezen, oordee
Huurrecht woonruimte. Art. 7:268 lid 2 BW. Voortzetting van huurovereenkomst door achterblijvende samenwoner na overlijden van huurder. Kan ontruimingsvordering in kort geding worden toegewezen als nog niet onherroepelijk is beslist op vordering van achterblijvende samenwoner tot
Voortzetting huur na overlijden