Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27845
2026-08-17
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4502/12312229
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
kort geding; uitstel mondelinge behandeling; geen voortzetting huurovereenkomst
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.000 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
RvdB b/c
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12312229 \ RL EXPL 26-15464
Vonnis in kort geding van 17 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING STAEDION,
te Den Haag,
eiseres,
hierna te noemen: Stichting Staedion,
gemachtigde: mr. A. Çapkurt,
tegen
1DE GEZAMENLIJKE ERVEN VAN WIJLEN [erflaatster] ,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [erflaatster]2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2]
gedaagden,
hierna samen te noemen: gedaagden,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 juli 2026 met 18 producties.
1.2.
Per e-mail van 3 augustus 2026 om 7:01 uur heeft [gedaagde sub 2] via zijn zoon, uitstel gevraagd van de mondelinge behandeling van 3 augustus 2026 om 9:30 uur. De reden van het uitstelverzoek is dat hij de Nederlandse taal niet spreekt, zijn zoon voor hem tijdens de zitting zou vertalen, maar dat zijn zoon in de nacht 2 op 3 augustus 2026 in het ziekenhuis is opgenomen. Omdat de rechtbank het uitstelverzoek zeer kort voor aanvang van de mondelinge behandeling heeft ontvangen en Stichting Staedion al aanwezig was op de rechtbank, heeft de kantonrechter de zaak laten uitroepen. De kantonrechter heeft toen het verzoek van [gedaagde sub 2] ter sprake gebracht en besloten dat het verzoek om uitstel werd gehonoreerd. Er heeft geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden.
1.3.
Op 3 augustus 2026 heeft de kantonrechter een nieuwe mondelinge behandeling bepaald op 10 augustus 2026. Dit is zowel per e-mail als bij brief van 3 augustus 2026 aan partijen doorgegeven.
1.3.
Op 7 augustus 2026 om 16:03 uur heeft [gedaagde sub 2] via zijn zoon opnieuw om uitstel gevraagd. Als reden daarvoor heeft hij aangegeven dat zijn zoon weliswaar niet meer in het ziekenhuis verblijft, maar dat de zoon onvoldoende is hersteld om aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling, dat [gedaagde sub 2] om de hiervoor vermelde reden niet alleen aanwezig kan zijn en aangezochte advocaten niet reageren of niet beschikbaar zijn voor de nieuw geplande mondelinge behandeling. [gedaagde sub 2] heeft toen ook aangegeven dat de betaalachterstand volledig zou zijn ingelopen.
1.3.
Op 10 augustus 2026 heeft de kantonrechter het tweede uitstelverzoek afgewezen en dit per e-mail om 10:33 uur aan partijen doorgegeven. Een kort geding kan volgens artikel 9.2 van het Landelijk procesreglement in drie situaties worden verplaatst. Geen van die situaties doet zich in dit geval voor:
Stichting Staedion heeft aan gedaagden gevraagd om verhinderdata door te geven. Gedaagden hebben echter geen verhinderdata willen doorgeven, omdat (in elk geval [gedaagde sub 2] ) vindt dat hij terecht in de woning verblijft en een kort geding daarom niet nodig is.
Onvoldoende is gebleken dat er nu nog sprake is van klemmende redenen. De nieuwe zittingsdatum is op 3 augustus 2026 aan gedaagden doorgegeven. Hoewel de huidige medische situatie van de zoon erg vervelend is, maakt dat niet dat [gedaagde sub 2] , niet zou kunnen verschijnen op zitting. Gedaagden hebben immers één week de tijd gehad om bijstand tijdens de zitting te regelen. Zoals hierna volgt, hebben partijen uitvoerig met elkaar gecommuniceerd over deze kwestie. Dat een procedure ophanden was, moet voor gedaagden kenbaar zijn geweest. Ook in die periode hadden zij professionele bijstand kunnen zoeken, maar is dat niet gebeurd. Verder uitstel weegt bovendien niet op tegen het belang van Stichting Staedion bij het voortzetten van deze procedure.
Uit de reactie van Stichting Staedion is gebleken dat geen sprake is van een uitstel op basis van een gezamenlijk verzoek.
1.3.
Op 10 augustus 2026 om 13:30 uur heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt. Namens Stichting Staedion was de heer [naam] aanwezig, vergezeld door mr. A. Çapkurt. Hoewel daartoe goed te zijn opgeroepen, zijn gedaagden niet verschenen. Daarom is tegen gedaagden verstek verleend.
2
2. De feiten
2.1.
Stichting Staedion verhuurde sinds 3 oktober 2014 aan [erflaatster] de woning aan de [adres] . De huurprijs bedraagt per 1 juli 2025 € 671,25 per maand.
2.2.
[erflaatster] is op 14 november 2025 overleden. Op dit moment verblijft [gedaagde sub 2] , de vader van [erflaatster] , in de woning. Hij staat sinds 5 juni 2024 ingeschreven op dit adres.
2.3.
Op 30 november 2025 heeft [erve] , een van de erven van [erflaatster] een modelformulier huuropzegging ingevuld en gestuurd aan Stichting Staedion. Stichting Staedion heeft de huuropzegging bevestigd en een voor- en eindinspectie aangekondigd op 8 december 2025 respectievelijk 6 januari 2026.
2.4.
Op 3 december 2025 heeft [gedaagde sub 2] aan Stichting Staedion bericht dat kort gezegd de huuropzegging op een misverstand berust en dat hij daar nooit toestemming voor heeft gegeven, waardoor de huurovereenkomst met hem zou blijven doorlopen. Ook heeft [gedaagde sub 2] toen aangegeven dat hij zijn hoofdverblijf heeft in de woning en er al ruim anderhalf jaar staat ingeschreven. Op 9 december 2025 heeft [gedaagde sub 2] via een e-mail aan Stichting Staedion zijn standpunten herhaald.
2.5.
Stichting Staedion heeft op 22 december 2025 de erfgenamen van [erflaatster] aangeschreven met het verzoek om een onderbouwing aan te leveren waaruit volgt dat [erve] niet bevoegd was de huur op te zeggen. [gedaagde sub 2] heeft hierop gereageerd bij e-mail van 23 december 2025 en kort gezegd zijn standpunten herhaald. In reactie hierop heeft Stichting Staedion op 23 december 2025 [gedaagde sub 2] gevraagd om een formeel verzoek tot voortzetting van de huurovereenkomst in te dienen.
2.6.
Op 9 februari 2026 heeft [gedaagde sub 2] een e-mail gestuurd, waarin hij kort gezegd aangeeft dat hij al enige tijd verblijft in de woning, ook toen [erflaatster] er nog woonde. Daarbij heeft hij ook aangegeven dat hij in de woning wil blijven en dat hij de huur maandelijks kan betalen.
2.7.
Op 20 februari 2026 heeft Stichting Staedion het verzoek van [gedaagde sub 2] afgewezen, omdat kort gezegd niet is bewezen dat is voldaan aan de wettelijke eisen voor het voortzetten van een huurovereenkomst. [gedaagde sub 2] heeft Stichting Staedion toen gevraagd om een persoonlijk gesprek. Stichting Staedion heeft [gedaagde sub 2] uitgenodigd voor een gesprek op 9 april 2026 en gevraagd om mee te nemen: bankafschriften van de afgelopen 12 maanden, verbruiksgegevens van gas, water en licht van de afgelopen 12 maanden, relevante medische gegevens over zijn huidige situatie en zijn legitimatiebewijs. Het gesprek heeft op 9 april 2026 plaatsgevonden. [gedaagde sub 2] is toen vergezeld door zijn dochter, [erve] .
2.8.
Op 12 mei 2026 heeft Stichting Staedion een brief aan [gedaagde sub 2] verstuurd, waarin staat dat hij de woning uiterlijk 31 augustus 2026 moet verlaten. Aan [gedaagde sub 2] is toen ook gevraagd te bevestigen dat hij woning uiterlijk 31 augustus 2025 verlaat. Op deze brief is geen reactie gekomen.
2.9.
Op 24 juni 2026 is [gedaagde sub 2] gesommeerd de woning uiterlijk 31 augustus 2026 te verlaten. Ook is [gedaagde sub 2] aangezegd om de betaalachterstand van € 2.034,14 te voldoen. Daarbij heeft Stichting Staedion ook gevraagd om verhinderdata voor het starten van een gerechtelijke procedure als betaling en oplevering van de woning uitblijft.
2.10.
Op 1 juli 2026 reageert [erve] namens [gedaagde sub 2] op de sommatie. Daarin herhaalt zij de eerdergenoemde standpunten van [gedaagde sub 2] en stelt zij dat Stichting Staedion in het gesprek van 9 april 2026 zou hebben toegezegd dat [gedaagde sub 2] in de woning kon blijven en hij zou worden geholpen met het krijgen van een seniorenwoning. In de e-mail is ook aangegeven dat geen verhinderdata worden gegeven:
“Wij zien geen aanleiding om verhinderdata door te geven, omdat wij ervan uitgaan dat u uw dreigement met een rechtszaak intrekt zodra u onze visie en de feiten kent. Mijn vader heeft huurbescherming en woont hier al geruime tijd. Een rechtszaak is niet nodig en zou voor een kwetsbare, rouwende oudere man onnodig leed veroorzaken.”
2.11.
Stichting Staedion heeft via een e-mail van 7 juli 2026 hierop gereageerd en kort gezegd aangegeven dat van een dergelijke toezegging geen sprake is en opnieuw om verhinderdata gevraagd. In reactie hierop heeft [gedaagde sub 2] onder andere herhaald dat geen verhinderdata zullen worden verstrekt, omdat “(…) wij de noodzaak van een rechtszaak niet erkennen. (…)”.
3Het geschil
3.1.
Stichting Staedion vordert – samengevat – ontruiming van de woning aan [adres] , gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een betaalachterstand van € 2.034,14, vermeerderd met rente, een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs van de woning voor elke maand of een gedeelte daarvan dat de woning na 1 juli 2026 niet is opgeleverd en geheel ter vrije beschikking staat van Stichting Staedion, vermeerderd met rente, en proceskosten.
3.2.
Zij baseert haar vorderingen – samengevat – op het volgende. De erven van [erflaatster] en/of [gedaagde sub 2] houden de woning zonder recht of titel onder zich. Door het overlijden van [erflaatster] is de huurovereenkomst tussen haar en Stichting Staedion namelijk van rechtswege geëindigd en de erven en/of [gedaagde sub 2] voldoen niet aan de eisen van artikel 7:268 lid 2 BW. Voor het gebruik van de woning moet een vergoeding worden betaald die gelijk is aan de huur. Al vanaf mei 2026 vindt geen betaling (meer) plaats van de huur/gebruiksvergoeding en Stichting Staedion verwacht dat de achterstand alsmaar verder oploopt, waardoor zij een belang heeft de achterstand zo veel en zo snel mogelijk te beperken.
3.3.
Tegen gedaagden is verstek verleend.
3.4.
Op de stellingen van Stichting Staedion wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Het beoordelingskader van de rechter in kort geding
4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe hoog de verwachting is dat de vordering in een gewone (bodem)procedure wordt toegewezen. Bij een vordering zoals een ontruiming, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder, moet de kantonrechter volgens vaste rechtspraak met grote terughoudendheid beoordelen. Dat heeft er onder meer mee te maken dat in een kortgedingprocedure geen ruimte is voor diepgaand onderzoek naar bestreden feiten of voor bewijslevering. Aan deze vereisten is in dit geval voldaan. De kantonrechter overweegt als volgt.
4.2.
Het spoedeisend belang van Stichting Staedion volgt uit haar vordering. Als [gedaagde sub 2] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft, maakt hij onrechtmatig inbreuk op het eigendomsrecht van Stichting Staedion. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 augustus 2026 heeft Stichting Staedion benadrukt dat sinds mei 2026 niets meer wordt betaald en dat de huidige betalingsachterstand € 2.725,48 bedraagt, gelijk aan vier maanden huur. Haar verwachting is dat dit bedrag alleen maar zal toenemen. Ook gelet op de lange wachtlijsten die bestaan voor sociale huurwoningen, heeft Stichting Staedion er belang bij dat zo snel mogelijk een einde wordt gemaakt aan een eventuele onrechtmatige situatie zodat de woning op korte termijn kan worden verhuurd aan (een) woningzoekende(n).
Er bestaat geen huurrelatie tussen Stichting Staedion en gedaagden
4.3.
In artikel 7:268 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek staat dat de huurovereenkomst van rechtswege (dit wil zeggen: automatisch) eindigt als aan het einde van de tweede maand nadat de huurder is overleden geen andere personen zijn die de huurovereenkomst voortzetten. Voortzetting van de huurovereenkomst kan alleen als sprake is van medehuurderschap (artikel 7:268 lid 1 BW) of het hebben van het hoofdverblijf in de woning én een en duurzame gemeenschappelijke huishouding (artikel 7:268 lid 2 BW).
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat gedaagden geen huurder of medehuurder zijn van de woning. Stichting Staedion had namelijk alleen met [erflaatster] een huurovereenkomst gesloten.
4.5.
De persoon die geen medehuurder is, kan de huur zes maanden na het overlijden van de huurder voortzetten (artikel 7:268 lid 2 BW). Daarvoor is nodig dat die persoon in de woning zijn hoofdverblijf had en hij met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Als die persoon de huur ook ná die zes maanden wil voortzetten (en de verhuurder daar niet mee instemt), dan kan hij bij de rechter vorderen om de huurovereenkomst voort te mogen zetten. Die vordering moet binnen zes maanden na het overlijden worden ingesteld.
4.6.
De kantonrechter constateert dat gedaagden geen dergelijke vordering hebben ingediend. De termijn van zes maanden is een fatale termijn. Dat betekent dat als de vordering niet binnen die termijn wordt ingesteld, de medebewoner (in dit geval: [gedaagde sub 2] ) geen aanspraak meer kan maken op voortzetting van de huurovereenkomst. Omdat die vordering niet tijdig is ingediend is de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW op 31 januari 2026 geëindigd, zijnde het einde van de tweede maand ná het overlijden van [erflaatster] . Hierdoor staat vast dat [gedaagde sub 2] zonder recht of titel in het de woning verblijft.
4.7.
Gelet op het voorgaande, hoeft niet te worden beoordeeld of [gedaagde sub 2] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met [erflaatster] .
[gedaagde sub 2] woont zonder recht of titel in de woning en moet deze daarom verlaten
4.8.
Zoals hiervoor is vastgesteld, zijn er geen redenen waarom [gedaagde sub 2] in de woning zou mogen blijven wonen. Stichting Staedion heeft als eigenaar van de woning het recht om vrijelijk over de woning te kunnen beschikken. Van haar kan niet worden gevraagd dat zij [gedaagde sub 2] nog langer zonder rechtsgrond in de woning laat verblijven. Deze omstandigheden maken dat het zeer aannemelijk is dat een bodemrechter de vordering tot ontruiming zou toewijzen. De kantonrechter zal dat de vordering tot ontruiming dan ook toewijzen. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Gedaagden moeten voor de tijd dat [gedaagde sub 2] in de woning verblijft een gebruiksvergoeding betalen
4.9.
Stichting Staedion heeft een schadevergoeding gevorderd van € 2.034,14, gelijk aan de huurprijs per maand dat gedaagden de woning zonder recht of titel onder zich houden. Gedaagden hebben de huur van de woning niet voortgezet, waardoor de huurovereenkomst is geëindigd op 31 januari 2026. De wet bepaalt in dit geval dat de erven van [erflaatster] de huurverplichtingen overnemen die gelden bij het einde van de huur (artikel 4:182 BW). Dit houdt in dat op de erven de verplichting rust om de woning bij het einde van de huur weer ter beschikking te stellen aan Stichting Staedion (artikel 7:224 lid 1 BW). Aan die verplichting hebben gedaagden niet voldaan: [gedaagde sub 2] woont immers nog in de woning.
4.10.
Omdat vaststaat dat de woning na afloop van de huur niet aan Stichting Staedion ter beschikking is gesteld, maakt zij terecht aanspraak op een gebruiksvergoeding. Omdat de hoogte van deze achterstand niet is weersproken, wordt de door Stichting Staedion gevorderde betalingsachterstand tot en met juli 2026 van € 2.034,14 toegewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente (artikel 6:119 BW).
4.11.
Stichting Staedion maakt ook aanspraak op een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs voor iedere maand na 1 augustus 2026 tot aan de dag van ontruiming van de woning. Het is voldoende aannemelijk dat deze vordering ook in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarom zal deze vordering worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente over de eventuele toekomstige gebruiksvergoeding (artikel 6:119 BW).
Hoofdelijke veroordeling tot betaling
4.12.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan Stichting Staedion.
Gedaagden moet de proceskosten betalen
4.13.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Staedion worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,60
- griffierecht
€
397,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.273,60
Vonnis mag direct worden uitgevoerd
4.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. De kantonrechter overweegt dat het belang van Stichting Staedion om de woning na 31 augustus 2026, ofwel ongeveer negen maanden na het overlijden van [erflaatster] , de woning weer in haar bezit te krijgen en te kunnen verhuren aan iemand op de wachtlijst, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde sub 2] om ook daarna nog in de woning te kunnen verblijven tijdens een eventueel hoger beroep.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt gedaagden om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Staedion zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Staedion,
5.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om te betalen aan Stichting Staedion:
€ 2.034,14 aan achterstallige gebruiksvergoeding berekend tot en met 31 juli 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde gebruikstermijnen (die gelijk zijn aan huurtermijnen), telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die termijnen tot de dag dat alles is betaald,
een bedrag gelijk aan de gebruiksvergoeding per maand vanaf 1 augustus 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.273,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.M.G. van den Boorn en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.
DEN HAAG
RvdB b/c
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12312229 \ RL EXPL 26-15464
Vonnis in kort geding van 17 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING STAEDION,
te Den Haag,
eiseres,
hierna te noemen: Stichting Staedion,
gemachtigde: mr. A. Çapkurt,
tegen
1DE GEZAMENLIJKE ERVEN VAN WIJLEN [erflaatster] ,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [erflaatster]2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2]
gedaagden,
hierna samen te noemen: gedaagden,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 juli 2026 met 18 producties.
1.2.
Per e-mail van 3 augustus 2026 om 7:01 uur heeft [gedaagde sub 2] via zijn zoon, uitstel gevraagd van de mondelinge behandeling van 3 augustus 2026 om 9:30 uur. De reden van het uitstelverzoek is dat hij de Nederlandse taal niet spreekt, zijn zoon voor hem tijdens de zitting zou vertalen, maar dat zijn zoon in de nacht 2 op 3 augustus 2026 in het ziekenhuis is opgenomen. Omdat de rechtbank het uitstelverzoek zeer kort voor aanvang van de mondelinge behandeling heeft ontvangen en Stichting Staedion al aanwezig was op de rechtbank, heeft de kantonrechter de zaak laten uitroepen. De kantonrechter heeft toen het verzoek van [gedaagde sub 2] ter sprake gebracht en besloten dat het verzoek om uitstel werd gehonoreerd. Er heeft geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden.
1.3.
Op 3 augustus 2026 heeft de kantonrechter een nieuwe mondelinge behandeling bepaald op 10 augustus 2026. Dit is zowel per e-mail als bij brief van 3 augustus 2026 aan partijen doorgegeven.
1.3.
Op 7 augustus 2026 om 16:03 uur heeft [gedaagde sub 2] via zijn zoon opnieuw om uitstel gevraagd. Als reden daarvoor heeft hij aangegeven dat zijn zoon weliswaar niet meer in het ziekenhuis verblijft, maar dat de zoon onvoldoende is hersteld om aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling, dat [gedaagde sub 2] om de hiervoor vermelde reden niet alleen aanwezig kan zijn en aangezochte advocaten niet reageren of niet beschikbaar zijn voor de nieuw geplande mondelinge behandeling. [gedaagde sub 2] heeft toen ook aangegeven dat de betaalachterstand volledig zou zijn ingelopen.
1.3.
Op 10 augustus 2026 heeft de kantonrechter het tweede uitstelverzoek afgewezen en dit per e-mail om 10:33 uur aan partijen doorgegeven. Een kort geding kan volgens artikel 9.2 van het Landelijk procesreglement in drie situaties worden verplaatst. Geen van die situaties doet zich in dit geval voor:
Stichting Staedion heeft aan gedaagden gevraagd om verhinderdata door te geven. Gedaagden hebben echter geen verhinderdata willen doorgeven, omdat (in elk geval [gedaagde sub 2] ) vindt dat hij terecht in de woning verblijft en een kort geding daarom niet nodig is.
Onvoldoende is gebleken dat er nu nog sprake is van klemmende redenen. De nieuwe zittingsdatum is op 3 augustus 2026 aan gedaagden doorgegeven. Hoewel de huidige medische situatie van de zoon erg vervelend is, maakt dat niet dat [gedaagde sub 2] , niet zou kunnen verschijnen op zitting. Gedaagden hebben immers één week de tijd gehad om bijstand tijdens de zitting te regelen. Zoals hierna volgt, hebben partijen uitvoerig met elkaar gecommuniceerd over deze kwestie. Dat een procedure ophanden was, moet voor gedaagden kenbaar zijn geweest. Ook in die periode hadden zij professionele bijstand kunnen zoeken, maar is dat niet gebeurd. Verder uitstel weegt bovendien niet op tegen het belang van Stichting Staedion bij het voortzetten van deze procedure.
Uit de reactie van Stichting Staedion is gebleken dat geen sprake is van een uitstel op basis van een gezamenlijk verzoek.
1.3.
Op 10 augustus 2026 om 13:30 uur heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt. Namens Stichting Staedion was de heer [naam] aanwezig, vergezeld door mr. A. Çapkurt. Hoewel daartoe goed te zijn opgeroepen, zijn gedaagden niet verschenen. Daarom is tegen gedaagden verstek verleend.
2
2. De feiten
2.1.
Stichting Staedion verhuurde sinds 3 oktober 2014 aan [erflaatster] de woning aan de [adres] . De huurprijs bedraagt per 1 juli 2025 € 671,25 per maand.
2.2.
[erflaatster] is op 14 november 2025 overleden. Op dit moment verblijft [gedaagde sub 2] , de vader van [erflaatster] , in de woning. Hij staat sinds 5 juni 2024 ingeschreven op dit adres.
2.3.
Op 30 november 2025 heeft [erve] , een van de erven van [erflaatster] een modelformulier huuropzegging ingevuld en gestuurd aan Stichting Staedion. Stichting Staedion heeft de huuropzegging bevestigd en een voor- en eindinspectie aangekondigd op 8 december 2025 respectievelijk 6 januari 2026.
2.4.
Op 3 december 2025 heeft [gedaagde sub 2] aan Stichting Staedion bericht dat kort gezegd de huuropzegging op een misverstand berust en dat hij daar nooit toestemming voor heeft gegeven, waardoor de huurovereenkomst met hem zou blijven doorlopen. Ook heeft [gedaagde sub 2] toen aangegeven dat hij zijn hoofdverblijf heeft in de woning en er al ruim anderhalf jaar staat ingeschreven. Op 9 december 2025 heeft [gedaagde sub 2] via een e-mail aan Stichting Staedion zijn standpunten herhaald.
2.5.
Stichting Staedion heeft op 22 december 2025 de erfgenamen van [erflaatster] aangeschreven met het verzoek om een onderbouwing aan te leveren waaruit volgt dat [erve] niet bevoegd was de huur op te zeggen. [gedaagde sub 2] heeft hierop gereageerd bij e-mail van 23 december 2025 en kort gezegd zijn standpunten herhaald. In reactie hierop heeft Stichting Staedion op 23 december 2025 [gedaagde sub 2] gevraagd om een formeel verzoek tot voortzetting van de huurovereenkomst in te dienen.
2.6.
Op 9 februari 2026 heeft [gedaagde sub 2] een e-mail gestuurd, waarin hij kort gezegd aangeeft dat hij al enige tijd verblijft in de woning, ook toen [erflaatster] er nog woonde. Daarbij heeft hij ook aangegeven dat hij in de woning wil blijven en dat hij de huur maandelijks kan betalen.
2.7.
Op 20 februari 2026 heeft Stichting Staedion het verzoek van [gedaagde sub 2] afgewezen, omdat kort gezegd niet is bewezen dat is voldaan aan de wettelijke eisen voor het voortzetten van een huurovereenkomst. [gedaagde sub 2] heeft Stichting Staedion toen gevraagd om een persoonlijk gesprek. Stichting Staedion heeft [gedaagde sub 2] uitgenodigd voor een gesprek op 9 april 2026 en gevraagd om mee te nemen: bankafschriften van de afgelopen 12 maanden, verbruiksgegevens van gas, water en licht van de afgelopen 12 maanden, relevante medische gegevens over zijn huidige situatie en zijn legitimatiebewijs. Het gesprek heeft op 9 april 2026 plaatsgevonden. [gedaagde sub 2] is toen vergezeld door zijn dochter, [erve] .
2.8.
Op 12 mei 2026 heeft Stichting Staedion een brief aan [gedaagde sub 2] verstuurd, waarin staat dat hij de woning uiterlijk 31 augustus 2026 moet verlaten. Aan [gedaagde sub 2] is toen ook gevraagd te bevestigen dat hij woning uiterlijk 31 augustus 2025 verlaat. Op deze brief is geen reactie gekomen.
2.9.
Op 24 juni 2026 is [gedaagde sub 2] gesommeerd de woning uiterlijk 31 augustus 2026 te verlaten. Ook is [gedaagde sub 2] aangezegd om de betaalachterstand van € 2.034,14 te voldoen. Daarbij heeft Stichting Staedion ook gevraagd om verhinderdata voor het starten van een gerechtelijke procedure als betaling en oplevering van de woning uitblijft.
2.10.
Op 1 juli 2026 reageert [erve] namens [gedaagde sub 2] op de sommatie. Daarin herhaalt zij de eerdergenoemde standpunten van [gedaagde sub 2] en stelt zij dat Stichting Staedion in het gesprek van 9 april 2026 zou hebben toegezegd dat [gedaagde sub 2] in de woning kon blijven en hij zou worden geholpen met het krijgen van een seniorenwoning. In de e-mail is ook aangegeven dat geen verhinderdata worden gegeven:
“Wij zien geen aanleiding om verhinderdata door te geven, omdat wij ervan uitgaan dat u uw dreigement met een rechtszaak intrekt zodra u onze visie en de feiten kent. Mijn vader heeft huurbescherming en woont hier al geruime tijd. Een rechtszaak is niet nodig en zou voor een kwetsbare, rouwende oudere man onnodig leed veroorzaken.”
2.11.
Stichting Staedion heeft via een e-mail van 7 juli 2026 hierop gereageerd en kort gezegd aangegeven dat van een dergelijke toezegging geen sprake is en opnieuw om verhinderdata gevraagd. In reactie hierop heeft [gedaagde sub 2] onder andere herhaald dat geen verhinderdata zullen worden verstrekt, omdat “(…) wij de noodzaak van een rechtszaak niet erkennen. (…)”.
3Het geschil
3.1.
Stichting Staedion vordert – samengevat – ontruiming van de woning aan [adres] , gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een betaalachterstand van € 2.034,14, vermeerderd met rente, een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs van de woning voor elke maand of een gedeelte daarvan dat de woning na 1 juli 2026 niet is opgeleverd en geheel ter vrije beschikking staat van Stichting Staedion, vermeerderd met rente, en proceskosten.
3.2.
Zij baseert haar vorderingen – samengevat – op het volgende. De erven van [erflaatster] en/of [gedaagde sub 2] houden de woning zonder recht of titel onder zich. Door het overlijden van [erflaatster] is de huurovereenkomst tussen haar en Stichting Staedion namelijk van rechtswege geëindigd en de erven en/of [gedaagde sub 2] voldoen niet aan de eisen van artikel 7:268 lid 2 BW. Voor het gebruik van de woning moet een vergoeding worden betaald die gelijk is aan de huur. Al vanaf mei 2026 vindt geen betaling (meer) plaats van de huur/gebruiksvergoeding en Stichting Staedion verwacht dat de achterstand alsmaar verder oploopt, waardoor zij een belang heeft de achterstand zo veel en zo snel mogelijk te beperken.
3.3.
Tegen gedaagden is verstek verleend.
3.4.
Op de stellingen van Stichting Staedion wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Het beoordelingskader van de rechter in kort geding
4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe hoog de verwachting is dat de vordering in een gewone (bodem)procedure wordt toegewezen. Bij een vordering zoals een ontruiming, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder, moet de kantonrechter volgens vaste rechtspraak met grote terughoudendheid beoordelen. Dat heeft er onder meer mee te maken dat in een kortgedingprocedure geen ruimte is voor diepgaand onderzoek naar bestreden feiten of voor bewijslevering. Aan deze vereisten is in dit geval voldaan. De kantonrechter overweegt als volgt.
4.2.
Het spoedeisend belang van Stichting Staedion volgt uit haar vordering. Als [gedaagde sub 2] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft, maakt hij onrechtmatig inbreuk op het eigendomsrecht van Stichting Staedion. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 augustus 2026 heeft Stichting Staedion benadrukt dat sinds mei 2026 niets meer wordt betaald en dat de huidige betalingsachterstand € 2.725,48 bedraagt, gelijk aan vier maanden huur. Haar verwachting is dat dit bedrag alleen maar zal toenemen. Ook gelet op de lange wachtlijsten die bestaan voor sociale huurwoningen, heeft Stichting Staedion er belang bij dat zo snel mogelijk een einde wordt gemaakt aan een eventuele onrechtmatige situatie zodat de woning op korte termijn kan worden verhuurd aan (een) woningzoekende(n).
Er bestaat geen huurrelatie tussen Stichting Staedion en gedaagden
4.3.
In artikel 7:268 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek staat dat de huurovereenkomst van rechtswege (dit wil zeggen: automatisch) eindigt als aan het einde van de tweede maand nadat de huurder is overleden geen andere personen zijn die de huurovereenkomst voortzetten. Voortzetting van de huurovereenkomst kan alleen als sprake is van medehuurderschap (artikel 7:268 lid 1 BW) of het hebben van het hoofdverblijf in de woning én een en duurzame gemeenschappelijke huishouding (artikel 7:268 lid 2 BW).
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat gedaagden geen huurder of medehuurder zijn van de woning. Stichting Staedion had namelijk alleen met [erflaatster] een huurovereenkomst gesloten.
4.5.
De persoon die geen medehuurder is, kan de huur zes maanden na het overlijden van de huurder voortzetten (artikel 7:268 lid 2 BW). Daarvoor is nodig dat die persoon in de woning zijn hoofdverblijf had en hij met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Als die persoon de huur ook ná die zes maanden wil voortzetten (en de verhuurder daar niet mee instemt), dan kan hij bij de rechter vorderen om de huurovereenkomst voort te mogen zetten. Die vordering moet binnen zes maanden na het overlijden worden ingesteld.
4.6.
De kantonrechter constateert dat gedaagden geen dergelijke vordering hebben ingediend. De termijn van zes maanden is een fatale termijn. Dat betekent dat als de vordering niet binnen die termijn wordt ingesteld, de medebewoner (in dit geval: [gedaagde sub 2] ) geen aanspraak meer kan maken op voortzetting van de huurovereenkomst. Omdat die vordering niet tijdig is ingediend is de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW op 31 januari 2026 geëindigd, zijnde het einde van de tweede maand ná het overlijden van [erflaatster] . Hierdoor staat vast dat [gedaagde sub 2] zonder recht of titel in het de woning verblijft.
4.7.
Gelet op het voorgaande, hoeft niet te worden beoordeeld of [gedaagde sub 2] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met [erflaatster] .
[gedaagde sub 2] woont zonder recht of titel in de woning en moet deze daarom verlaten
4.8.
Zoals hiervoor is vastgesteld, zijn er geen redenen waarom [gedaagde sub 2] in de woning zou mogen blijven wonen. Stichting Staedion heeft als eigenaar van de woning het recht om vrijelijk over de woning te kunnen beschikken. Van haar kan niet worden gevraagd dat zij [gedaagde sub 2] nog langer zonder rechtsgrond in de woning laat verblijven. Deze omstandigheden maken dat het zeer aannemelijk is dat een bodemrechter de vordering tot ontruiming zou toewijzen. De kantonrechter zal dat de vordering tot ontruiming dan ook toewijzen. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Gedaagden moeten voor de tijd dat [gedaagde sub 2] in de woning verblijft een gebruiksvergoeding betalen
4.9.
Stichting Staedion heeft een schadevergoeding gevorderd van € 2.034,14, gelijk aan de huurprijs per maand dat gedaagden de woning zonder recht of titel onder zich houden. Gedaagden hebben de huur van de woning niet voortgezet, waardoor de huurovereenkomst is geëindigd op 31 januari 2026. De wet bepaalt in dit geval dat de erven van [erflaatster] de huurverplichtingen overnemen die gelden bij het einde van de huur (artikel 4:182 BW). Dit houdt in dat op de erven de verplichting rust om de woning bij het einde van de huur weer ter beschikking te stellen aan Stichting Staedion (artikel 7:224 lid 1 BW). Aan die verplichting hebben gedaagden niet voldaan: [gedaagde sub 2] woont immers nog in de woning.
4.10.
Omdat vaststaat dat de woning na afloop van de huur niet aan Stichting Staedion ter beschikking is gesteld, maakt zij terecht aanspraak op een gebruiksvergoeding. Omdat de hoogte van deze achterstand niet is weersproken, wordt de door Stichting Staedion gevorderde betalingsachterstand tot en met juli 2026 van € 2.034,14 toegewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente (artikel 6:119 BW).
4.11.
Stichting Staedion maakt ook aanspraak op een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs voor iedere maand na 1 augustus 2026 tot aan de dag van ontruiming van de woning. Het is voldoende aannemelijk dat deze vordering ook in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarom zal deze vordering worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente over de eventuele toekomstige gebruiksvergoeding (artikel 6:119 BW).
Hoofdelijke veroordeling tot betaling
4.12.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan Stichting Staedion.
Gedaagden moet de proceskosten betalen
4.13.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Staedion worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,60
- griffierecht
€
397,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.273,60
Vonnis mag direct worden uitgevoerd
4.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. De kantonrechter overweegt dat het belang van Stichting Staedion om de woning na 31 augustus 2026, ofwel ongeveer negen maanden na het overlijden van [erflaatster] , de woning weer in haar bezit te krijgen en te kunnen verhuren aan iemand op de wachtlijst, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde sub 2] om ook daarna nog in de woning te kunnen verblijven tijdens een eventueel hoger beroep.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt gedaagden om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Staedion zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Staedion,
5.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om te betalen aan Stichting Staedion:
€ 2.034,14 aan achterstallige gebruiksvergoeding berekend tot en met 31 juli 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde gebruikstermijnen (die gelijk zijn aan huurtermijnen), telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die termijnen tot de dag dat alles is betaald,
een bedrag gelijk aan de gebruiksvergoeding per maand vanaf 1 augustus 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.273,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.M.G. van den Boorn en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.