Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8853

2026-07-21 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12245362 VV EXPL 26-305
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12245362 VV EXPL 26-305
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming woning toegewezen. Gedaagde betaalt geen huur meer waardoor er een aanzienlijke betalingsachterstand is. Hoewel gedaagde hoger beroep heeft ingesteld tegen een eerder vonnis waarin haar verzoek tot voortzetting van de huurovereenkomst was afgewezen, oordeelt de kantonrechter in deze procedure dat de langdurige betalingsachterstand een zelfstandige grond vormt voor ontruiming. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat gedaagde inmiddels over een andere huurwoning beschikt en heeft verklaard de woning eind juli 2026 vrijwillig te verlaten.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.172 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12245362 VV EXPL 26-305



datum uitspraak: 21 juli 2026




Vonnis in kort geding van de kantonrechter




in de zaak van





[eiseres]
,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. G. Meijerink,



tegen





[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching.



Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 17 juni 2026, met bijlagen.




1.2.
De zaak is op 7 juli 2026 tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [vertegenwoordiger] namens [eiseres] met de gemachtigde en de gemachtigde van [gedaagde] .





2Waar de zaak over gaat

2.1.

[eiseres] verhuurde de woning aan [adres] in [plaats] (hierna: de woning) aan [persoon A] . Na het overlijden van [persoon A] op 11 juni 2024 heeft [gedaagde] bij de kantonrechter gevorderd dat zij de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) mocht voortzetten. Bij vonnis van 12 september 2025 (zaaknummer 11454338 CV EXPL 24-32111) heeft de kantonrechter deze vordering afgewezen en is [gedaagde] veroordeeld tot ontruiming van de woning. De kantonrechter heeft de ontruimingsveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [gedaagde] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag waardoor [eiseres] niet kon overgaan tot ontruiming. Omdat [gedaagde] sinds december 2024 geen huur of gebruiksvergoeding heeft betaald, is [eiseres] dit kort geding begonnen en eist zij dat [gedaagde] de woning ontruimt.



2.2.
De gemachtigde van [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [gedaagde] per 3 juli 2026 een nieuwe huurovereenkomst is aangegaan met Woonstad Rotterdam voor een andere woning. Zij gaat dus verhuizen en wil de woning aan [adres] in [plaats] per eind juli 2026 vrijwillig verlaten.





3De beoordeling

3.1.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. [gedaagde] moet de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.



Het beoordelingskader




3.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.



3.3.

Het spoedeisend belang van [eiseres] bij de vordering vloeit voort uit de aard van de zaak. De achterstand in de betaling van de huur is inmiddels opgelopen tot
€ 13.621,25 en neemt iedere maand toe, terwijl de verhaalsmogelijkheden bij [gedaagde] , gelet op de reeds gelegde beslagen, zeer beperkt zijn. Daar komt bij dat naar verwachting een uitspraak van het gerechtshof Den Haag nog aanzienlijke tijd (naar schatting circa acht maanden) op zich zal laten wachten. Van [eiseres] kan in redelijkheid niet worden gevergd dat zij deze situatie laat voortduren. Zij heeft ook te letten op de belangen van degenen die op de wachtlijst staan voor een huurwoning en wel in staat zijn de huur maandelijks te betalen.




Ontruiming




3.4.

[gedaagde] verblijft thans in de woning in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep over de voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW. Hoewel deze wettelijke bepaling de achterblijver in beginsel bescherming biedt tegen ontruiming totdat onherroepelijk is beslist, ontslaat dit de achterblijver niet van de verplichting om gedurende het verblijf de lopende huurpenningen te betalen.



3.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] onbetwist gesteld dat de betalingsachterstand tot en met juli 2026 is opgelopen tot € 13.621,25 (negentien maanden). Een dergelijke structurele en omvangrijke tekortkoming is van meer dan voldoende gewicht om in een bodemprocedure ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van de woning te rechtvaardigen. [eiseres] heeft ook uitgelegd dat uit verhaalsonderzoek van de deurwaarder is gebleken dat er reeds meerdere beslagen op het inkomen of de bezittingen van [gedaagde] zijn gelegd. Het bevestigt dat [gedaagde] niet in staat is de lopende huur te betalen en dat er geen perspectief is dat de achterstand op korte termijn kan worden ingelopen. Bovendien kan het niet zo zijn dat de wettelijke bescherming wordt ingeroepen om de huur van de woning voort te zetten zonder enige huurbetaling te doen, te meer nu woningzoekenden op de wachtlijst voor deze schaarse sociale huurwoning daardoor onterecht op achterstand worden gezet. Deze tekortkoming levert een zelfstandige grond op voor ontruiming, vooruitlopend op het arrest van het gerechtshof dan wel een eventuele bodemprocedure gericht op ontbinding van de overeenkomst en ontruiming.



3.6.
Naast het voorgaande neemt de kantonrechter ook de tijdens de mondelinge behandeling gebleken ontwikkelingen in zijn beoordeling mee. De gemachtigde van [gedaagde] heeft een huurovereenkomst met Woonstad Rotterdam overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] met ingang van 3 juli 2026 over andere woonruimte beschikt. Zij heeft verklaard dat [gedaagde] de woning aan [adres] in [plaats] per eind juli 2026 vrijwillig wil verlaten.



3.7.
Gelet hierop zal de kantonrechter de datum van ontruiming vaststellen op 31 juli 2026.



Proceskosten




3.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.013,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.



Uitvoerbaar bij voorraad




3.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





4De beslissing
De kantonrechter:


4.1.
veroordeelt [gedaagde] om woning aan [adres] in [plaats] uiterlijk op 31 juli 2026 te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en de woning met alle sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen;



4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.013,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;



4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



4.4.
wijst het anders of meer gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
53954