Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:6419
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12014334 \ CV EXPL 25-6158
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huur. artikel 7: 268 lid 2 BW. Moeder-zoon. Geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Wederkerigheid ontbreekt.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.863 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12014334 \ CV EXPL 25-6158
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[huurder]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. M.J.W. Janssen-van Rooij,
tegen
STICHTING WOONWENZ,
te Venlo,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Woonwenz,
gemachtigde: mr. J.G. van Heertum.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging aanvullende producties 10 tot en met 14 van [huurder] ;
- de nadere productie 15 van [huurder] ;- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1. (
De rechtsvoorganger van) Woonwenz verhuurde de woning te [adres] met ingang van 19 januari 1990 aan de vader van [huurder] . Na diens overlijden in 2021 heeft de moeder van [huurder] de huurovereenkomst voortgezet.
2.2.
[huurder] heeft vanaf aanvang huurovereenkomst in 1990 zijn hoofdverblijf in het gehuurde gehad. Hij woonde daar als gezin met zijn vader en moeder. In 2001 heeft [huurder] het gehuurde verlaten (uitgeschreven in de BRP op 12 maart 2001).
2.3.
Bij brief van 28 december 2022 heeft moeder aan Woonwenz verzocht of [huurder] bij haar in mocht komen wonen. Bij brief van 7 februari 2023 heeft Woonwenz het verzoek van moeder goedgekeurd, onder mededeling van het volgende:
“Dit betekent niet dat dhr. [persoon 1] daarmee ook (samen)huurder wordt en dezelfde rechten en plichten heeft die u heeft. Dit kunt u pas aanvragen als u langer dan twee jaar samenwoont op dit adres. Voldoet u hier in de toekomst aan en wilt u beiden officieel huurder van de woning worden? Dan kunt u tegen die tijd ‘samenhuurderschap’ bij ons aanvragen. Voor het aanvragen van medehuurder ouder- kind gelden er extra voorwaarden. (…)”.
2.4.
Op 1 januari 2023 is [huurder] ingeschreven in de BRP op het adres van het gehuurde.
2.5.
Op 14 april 2025 heeft moeder aan Woonwenz verzocht of [huurder] ook huurder mocht worden van de woning aan [adres] . Bij brief van 17 april 2025 heeft Woonwenz aan moeder kenbaar gemaakt het verzoek niet in te willigen, op grond dat Woonwenz niet overtuigd is dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
2.6.
Moeder is op [datum] 2025 overleden.
2.7.
[huurder] heeft Woonwenz bij brief van 15 september 2025 formeel verzocht of hij de huurovereenkomst kan voortzetten. Woonwenz heeft dat verzoek bij brief van 8 oktober 2025 afgewezen en [huurder] medegedeeld dat hij nog voor de duur van 6 maanden in de woning mag blijven wonen.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[huurder] vordert - samengevat – te bepalen dat hij de huurovereenkomst die op 15 januari 1990 met [persoon 2] is aangegaan voortzet, kosten rechtens.
3.2.
[huurder] legt aan de vordering artikel 7:268 lid 2 BW ten grondslag. [huurder] is op 1 januari 2023 weer bij moeder gaan wonen, als mantelzorger. Het was de bedoeling dat moeder en zoon voor lange, onbepaalde tijd zouden blijven samenwonen. Ze deelden samen in de kosten, maakten uitstapjes en aten samen.
3.3.
Woonwenz voert verweer. Woonwenz concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [huurder] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [huurder] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurder] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Woonwenz voert aan dat niet aan de vereisten van voortzetting zoals omschreven in artikel 7:268 BW is voldaan, althans dat onvoldoende is onderbouwd dat daaraan is voldaan, ondanks de op [huurder] rustende verzwaarde stelplicht. Nu niet aan de vereisten is voldaan, is de rechtbank verplicht tot afwijzing van de vorderingen van [huurder] over te gaan.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
Woonwenz vordert - samengevat – [huurder] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, de woning aan [adres] te ontruimen en te verlaten, met veroordeling van [huurder] tot betaling van een bedrag van € 606,60 per maand, kosten rechtens.
3.7.
Woonwenz legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
Nu de huurovereenkomst met moeder van rechtswege per 1 september 2025 is geëindigd, wenst Woonwenz haar eigendom op te eisen en te verhuren aan personen die daarvoor in aanmerking komen. Het verblijf van [huurder] in de woning frustreert de belangen van personen die al lange tijd zoeken naar een dergelijke woning, terwijl Woonwenz voorts een belang heeft bij een ontruiming om daarmee precedentwerking te voorkomen.
3.8.
[huurder] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Woonwenz.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
4.1.
Vast staat dat Woonwenz voor de woning geen huurovereenkomst met [huurder] had gesloten en dat [huurder] geen medehuurder is. [huurder] kan daardoor alleen aanspraak op een huurovereenkomst maken, als aan de eisen van artikel 7:268 lid 2 BW is voldaan, waaronder de eis dat (aannemelijk is dat) hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding had. Volgens [huurder] is aan deze eis voldaan, Woonwenz betwist dat.
4.2.
Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond, moeten volgens vast rechtspraak alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Degene die een beroep doet op het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding heeft een verzwaarde stelplicht. Als de verhuurder betwist dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, moet de samenwoner voldoende concrete feiten aanvoeren over de gestelde gemeenschappelijke huishouding om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies moet richten.
4.3.
Verder kan slechts onder bijzondere omstandigheden een samenleving van een ouder met een volwassen kind als een duurzame, blijvende, samenwoning met gemeenschappelijke huishouding worden aangemerkt. Of dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen, is ook weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Als een kind eerst op zichzelf heeft gewoon (is ‘uitgevlogen’) en daarna weer bij (een van) zijn ouders intrekt, kan dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de bedoeling van de terugkeer van belang is, tot het oordeel leiden dat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sprake is. Als een kind weer bij een ouder is gaan wonen om mantelzorg te verlenen, zoals in onderhavige zaak, kan dat een indicatie zijn dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, maar dat hoeft niet; mantelzorg op zichzelf wordt niet altijd duurzaam geoordeeld en andere omstandigheden blijven daarbij dus van belang. Het ‘zorgkarakter’ kan ook juist in de weg staan bij het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding als sprake is van een gebrek aan wederkerigheid tussen de huurder en medebewoner, in die zin dat de ene bewoner zich laat verzorger door de andere en zij (verder) geen gemeenschappelijke huishouding voeren.
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat de samenwoning van [huurder] met zijn moeder gericht was op het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zoals bedoeld in artikel 7:268 BW. [huurder] is bij zijn moeder gaan inwonen, omdat zijn moeder hulp nodig had. Moeder kampte met verschillende gezondheidsklachten en ontving thuiszorg. Vanaf het begin van de inwoning is het (steeds) de bedoeling geweest dat [huurder] zijn moeder zou helpen. Niets wijst er op dat [huurder] ook met zijn moeder zou zijn gaan samenwonen, als zij niet zorgbehoevend zou zijn geweest, en dat zij zouden blijven samenwonen als de zorg van [huurder] niet meer nodig zou zijn. [huurder] heeft juist uitdrukkelijk aangevoerd dat het zijn bedoeling was om bij zijn moeder te gaan wonen en haar te helpen voor zolang als dat nodig mocht zijn. Hieruit volgt dat de inwoning bedoeld was voor de zorgverlening tussen kind en ouder en niet voor het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De aard van deze zorgverlening was ook niet wederkerig. Moeder was op de hulp van [huurder] aangewezen en niet omgekeerd. Zoals [huurder] zelf heeft aangevoerd was moeder ziek en leed zij aan verschillende aandoeningen, waaronder ernstige diabetes en een longaandoening en was moeder afhankelijk van [huurder] om het huis te kunnen verlaten. Daarmee ontbreekt in de omgang tussen [huurder] en zijn moeder de vereiste wederkerigheid om samen een huishouding te voeren.
4.5.
De kantonrechter acht ook niet aannemelijk dat [huurder] en zijn moeder gezamenlijk voorzagen in de kosten van de huishouding en het levensonderhoud, zoals (ook) van belang is voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Vast staat dat moeder van haar rekening de huur betaalde en [huurder] de nutsvoorzieningen betaalde, maar dit maakt nog niet dat [huurder] de financiële lasten van de huishouding gezamenlijk met zijn moeder droeg. Er was geen gezamenlijke (huishoud)rekening en er zijn verder geen financiële stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat [huurder] vanuit zijn eigen inkomen, anders dan enkel de nutsvoorzieningen, bijdroeg aan de gezamenlijke huishouding.
4.6.
Alles wijst erop dat veeleer sprake was van een eenzijdige zorgrelatie. De wederkerigheid in de samenwoning ontbrak door de zorgrelatie tussen zoon en moeder, waarmee de duurzame gemeenschappelijke huishouding niet kan worden vastgesteld. [huurder] kan daarom geen aanspraak maken op voortzetting van de huurovereenkomst op basis van artikel 7:268 BW, zodat de vordering in conventie dient te worden afgewezen.
4.7.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonwenz worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
542,50
in reconventie
4.8.
Omdat [huurder] geen huurovereenkomst met Woonwenz heeft en ook geen aanspraak kan maken op voortzetting van de huurovereenkomst van moeder, heeft hij geen recht of titel om in de woning te blijven wonen. Woonwenz heeft er belang bij dat [huurder] de woning verlaat, zodat zij de woning kan verhuren aan personen die daarvoor in aanmerking komen en al lange tijd zoeken naar een dergelijke woning. De vordering van Woonwenz tot ontruiming van de woning zal daarom worden toegewezen. Er zal een redelijke ontruimingstermijn van twee maanden gehanteerd moeten worden.
4.9.
Nu [huurder] de woning wel gebruikt is hij voor dat gebruik ook een gebruikersvergoeding verschuldigd, zodat de vordering tot betaling van een bedrag van € 606,60 per maand eveneens zal worden toegewezen. Tot dusver heeft [huurder] deze vergoeding ook netjes betaald, zodat hij van deze veroordeling geen last hoeft te hebben.
4.10.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Woonwenz worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
108,50
(1 punt × factor 0,5 × € 217,00)
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [huurder] af,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
5.3.
veroordeelt [huurder] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis, de woning aan [adres] te ontruimen en te verlaten met al het zijne en al de personen die zijdens [huurder] in de woning verblijven en de woning ter vrije beschikking te stellen van Woonwenz,
5.4.
veroordeelt [huurder] om aan Woonwenz tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 606,60 per maand voor elke ingegane maand of gedeelte daarvan, dat [huurder] de woning aan [adres] onder zich houdt tot aan het moment van ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden tot aan de dag van algehele voldoening,
5.5.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 108,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2., 5.4. en 5.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12014334 \ CV EXPL 25-6158
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[huurder]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. M.J.W. Janssen-van Rooij,
tegen
STICHTING WOONWENZ,
te Venlo,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Woonwenz,
gemachtigde: mr. J.G. van Heertum.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging aanvullende producties 10 tot en met 14 van [huurder] ;
- de nadere productie 15 van [huurder] ;- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1. (
De rechtsvoorganger van) Woonwenz verhuurde de woning te [adres] met ingang van 19 januari 1990 aan de vader van [huurder] . Na diens overlijden in 2021 heeft de moeder van [huurder] de huurovereenkomst voortgezet.
2.2.
[huurder] heeft vanaf aanvang huurovereenkomst in 1990 zijn hoofdverblijf in het gehuurde gehad. Hij woonde daar als gezin met zijn vader en moeder. In 2001 heeft [huurder] het gehuurde verlaten (uitgeschreven in de BRP op 12 maart 2001).
2.3.
Bij brief van 28 december 2022 heeft moeder aan Woonwenz verzocht of [huurder] bij haar in mocht komen wonen. Bij brief van 7 februari 2023 heeft Woonwenz het verzoek van moeder goedgekeurd, onder mededeling van het volgende:
“Dit betekent niet dat dhr. [persoon 1] daarmee ook (samen)huurder wordt en dezelfde rechten en plichten heeft die u heeft. Dit kunt u pas aanvragen als u langer dan twee jaar samenwoont op dit adres. Voldoet u hier in de toekomst aan en wilt u beiden officieel huurder van de woning worden? Dan kunt u tegen die tijd ‘samenhuurderschap’ bij ons aanvragen. Voor het aanvragen van medehuurder ouder- kind gelden er extra voorwaarden. (…)”.
2.4.
Op 1 januari 2023 is [huurder] ingeschreven in de BRP op het adres van het gehuurde.
2.5.
Op 14 april 2025 heeft moeder aan Woonwenz verzocht of [huurder] ook huurder mocht worden van de woning aan [adres] . Bij brief van 17 april 2025 heeft Woonwenz aan moeder kenbaar gemaakt het verzoek niet in te willigen, op grond dat Woonwenz niet overtuigd is dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
2.6.
Moeder is op [datum] 2025 overleden.
2.7.
[huurder] heeft Woonwenz bij brief van 15 september 2025 formeel verzocht of hij de huurovereenkomst kan voortzetten. Woonwenz heeft dat verzoek bij brief van 8 oktober 2025 afgewezen en [huurder] medegedeeld dat hij nog voor de duur van 6 maanden in de woning mag blijven wonen.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[huurder] vordert - samengevat – te bepalen dat hij de huurovereenkomst die op 15 januari 1990 met [persoon 2] is aangegaan voortzet, kosten rechtens.
3.2.
[huurder] legt aan de vordering artikel 7:268 lid 2 BW ten grondslag. [huurder] is op 1 januari 2023 weer bij moeder gaan wonen, als mantelzorger. Het was de bedoeling dat moeder en zoon voor lange, onbepaalde tijd zouden blijven samenwonen. Ze deelden samen in de kosten, maakten uitstapjes en aten samen.
3.3.
Woonwenz voert verweer. Woonwenz concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [huurder] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [huurder] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurder] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Woonwenz voert aan dat niet aan de vereisten van voortzetting zoals omschreven in artikel 7:268 BW is voldaan, althans dat onvoldoende is onderbouwd dat daaraan is voldaan, ondanks de op [huurder] rustende verzwaarde stelplicht. Nu niet aan de vereisten is voldaan, is de rechtbank verplicht tot afwijzing van de vorderingen van [huurder] over te gaan.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
Woonwenz vordert - samengevat – [huurder] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, de woning aan [adres] te ontruimen en te verlaten, met veroordeling van [huurder] tot betaling van een bedrag van € 606,60 per maand, kosten rechtens.
3.7.
Woonwenz legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
Nu de huurovereenkomst met moeder van rechtswege per 1 september 2025 is geëindigd, wenst Woonwenz haar eigendom op te eisen en te verhuren aan personen die daarvoor in aanmerking komen. Het verblijf van [huurder] in de woning frustreert de belangen van personen die al lange tijd zoeken naar een dergelijke woning, terwijl Woonwenz voorts een belang heeft bij een ontruiming om daarmee precedentwerking te voorkomen.
3.8.
[huurder] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Woonwenz.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
4.1.
Vast staat dat Woonwenz voor de woning geen huurovereenkomst met [huurder] had gesloten en dat [huurder] geen medehuurder is. [huurder] kan daardoor alleen aanspraak op een huurovereenkomst maken, als aan de eisen van artikel 7:268 lid 2 BW is voldaan, waaronder de eis dat (aannemelijk is dat) hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding had. Volgens [huurder] is aan deze eis voldaan, Woonwenz betwist dat.
4.2.
Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond, moeten volgens vast rechtspraak alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Degene die een beroep doet op het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding heeft een verzwaarde stelplicht. Als de verhuurder betwist dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, moet de samenwoner voldoende concrete feiten aanvoeren over de gestelde gemeenschappelijke huishouding om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies moet richten.
4.3.
Verder kan slechts onder bijzondere omstandigheden een samenleving van een ouder met een volwassen kind als een duurzame, blijvende, samenwoning met gemeenschappelijke huishouding worden aangemerkt. Of dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen, is ook weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Als een kind eerst op zichzelf heeft gewoon (is ‘uitgevlogen’) en daarna weer bij (een van) zijn ouders intrekt, kan dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de bedoeling van de terugkeer van belang is, tot het oordeel leiden dat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sprake is. Als een kind weer bij een ouder is gaan wonen om mantelzorg te verlenen, zoals in onderhavige zaak, kan dat een indicatie zijn dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, maar dat hoeft niet; mantelzorg op zichzelf wordt niet altijd duurzaam geoordeeld en andere omstandigheden blijven daarbij dus van belang. Het ‘zorgkarakter’ kan ook juist in de weg staan bij het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding als sprake is van een gebrek aan wederkerigheid tussen de huurder en medebewoner, in die zin dat de ene bewoner zich laat verzorger door de andere en zij (verder) geen gemeenschappelijke huishouding voeren.
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat de samenwoning van [huurder] met zijn moeder gericht was op het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zoals bedoeld in artikel 7:268 BW. [huurder] is bij zijn moeder gaan inwonen, omdat zijn moeder hulp nodig had. Moeder kampte met verschillende gezondheidsklachten en ontving thuiszorg. Vanaf het begin van de inwoning is het (steeds) de bedoeling geweest dat [huurder] zijn moeder zou helpen. Niets wijst er op dat [huurder] ook met zijn moeder zou zijn gaan samenwonen, als zij niet zorgbehoevend zou zijn geweest, en dat zij zouden blijven samenwonen als de zorg van [huurder] niet meer nodig zou zijn. [huurder] heeft juist uitdrukkelijk aangevoerd dat het zijn bedoeling was om bij zijn moeder te gaan wonen en haar te helpen voor zolang als dat nodig mocht zijn. Hieruit volgt dat de inwoning bedoeld was voor de zorgverlening tussen kind en ouder en niet voor het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De aard van deze zorgverlening was ook niet wederkerig. Moeder was op de hulp van [huurder] aangewezen en niet omgekeerd. Zoals [huurder] zelf heeft aangevoerd was moeder ziek en leed zij aan verschillende aandoeningen, waaronder ernstige diabetes en een longaandoening en was moeder afhankelijk van [huurder] om het huis te kunnen verlaten. Daarmee ontbreekt in de omgang tussen [huurder] en zijn moeder de vereiste wederkerigheid om samen een huishouding te voeren.
4.5.
De kantonrechter acht ook niet aannemelijk dat [huurder] en zijn moeder gezamenlijk voorzagen in de kosten van de huishouding en het levensonderhoud, zoals (ook) van belang is voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Vast staat dat moeder van haar rekening de huur betaalde en [huurder] de nutsvoorzieningen betaalde, maar dit maakt nog niet dat [huurder] de financiële lasten van de huishouding gezamenlijk met zijn moeder droeg. Er was geen gezamenlijke (huishoud)rekening en er zijn verder geen financiële stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat [huurder] vanuit zijn eigen inkomen, anders dan enkel de nutsvoorzieningen, bijdroeg aan de gezamenlijke huishouding.
4.6.
Alles wijst erop dat veeleer sprake was van een eenzijdige zorgrelatie. De wederkerigheid in de samenwoning ontbrak door de zorgrelatie tussen zoon en moeder, waarmee de duurzame gemeenschappelijke huishouding niet kan worden vastgesteld. [huurder] kan daarom geen aanspraak maken op voortzetting van de huurovereenkomst op basis van artikel 7:268 BW, zodat de vordering in conventie dient te worden afgewezen.
4.7.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonwenz worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
542,50
in reconventie
4.8.
Omdat [huurder] geen huurovereenkomst met Woonwenz heeft en ook geen aanspraak kan maken op voortzetting van de huurovereenkomst van moeder, heeft hij geen recht of titel om in de woning te blijven wonen. Woonwenz heeft er belang bij dat [huurder] de woning verlaat, zodat zij de woning kan verhuren aan personen die daarvoor in aanmerking komen en al lange tijd zoeken naar een dergelijke woning. De vordering van Woonwenz tot ontruiming van de woning zal daarom worden toegewezen. Er zal een redelijke ontruimingstermijn van twee maanden gehanteerd moeten worden.
4.9.
Nu [huurder] de woning wel gebruikt is hij voor dat gebruik ook een gebruikersvergoeding verschuldigd, zodat de vordering tot betaling van een bedrag van € 606,60 per maand eveneens zal worden toegewezen. Tot dusver heeft [huurder] deze vergoeding ook netjes betaald, zodat hij van deze veroordeling geen last hoeft te hebben.
4.10.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Woonwenz worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
108,50
(1 punt × factor 0,5 × € 217,00)
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [huurder] af,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
5.3.
veroordeelt [huurder] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis, de woning aan [adres] te ontruimen en te verlaten met al het zijne en al de personen die zijdens [huurder] in de woning verblijven en de woning ter vrije beschikking te stellen van Woonwenz,
5.4.
veroordeelt [huurder] om aan Woonwenz tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 606,60 per maand voor elke ingegane maand of gedeelte daarvan, dat [huurder] de woning aan [adres] onder zich houdt tot aan het moment van ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden tot aan de dag van algehele voldoening,
5.5.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 108,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2., 5.4. en 5.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.