Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:3409
2026-06-15
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
BRS.26.001357
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3629 Rechtbank Den Haag 24-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:1253 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:EU:C:2026:243
Geciteerd door (51)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27928 Rechtbank Den Haag 14-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26448 Rechtbank Den Haag 11-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26449 Rechtbank Den Haag 11-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22536 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22532 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22531 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22533 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22535 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21999 Rechtbank Den Haag 06-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21996 Rechtbank Den Haag 06-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21997 Rechtbank Den Haag 06-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21983 Rechtbank Den Haag 06-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21754 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21757 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21151 Rechtbank Den Haag 29-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21153 Rechtbank Den Haag 29-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:4019 Raad van State 13-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3898 Raad van State 08-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3897 Raad van State 08-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3744 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3742 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3692 Raad van State 26-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3620 Raad van State 25-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3622 Raad van State 25-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3623 Raad van State 25-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3645 Raad van State 25-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3621 Raad van State 25-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3613 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3603 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3604 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3605 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3607 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3602 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3606 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3546 Raad van State 22-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3545 Raad van State 22-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3544 Raad van State 22-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3543 Raad van State 22-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3548 Raad van State 22-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3523 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3541 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3522 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3509 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3540 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3518 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3519 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3524 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3536 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3521 Raad van State 19-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3444 Raad van State 18-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3422 Raad van State 16-06-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (5.544 tekens)
BRS.26.001357
ECLI:NL:RVS:2026:3409
Datum uitspraak: 15 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 20 maart 2026 in zaak nr. NL25.53251 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om alsnog een besluit te nemen, een dwangsom opgelegd en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M. Veld, advocaat in Koekange, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat uitsluitend over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenvergoeding voor het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, waarbij de rechtbank al eerder een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard en die uitspraak nog niet heeft geleid tot een besluit. Oftewel: opvolgende beroepen niet tijdig.
De rechtbank heeft de kosten vastgesteld op € 233,50. Zij heeft daarbij 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor van 0,25. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar haar uitspraak van 24 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3629, onder 6.1 en 6.2. In die uitspraak staat onder meer dat het belang van het instellen van een opvolgend beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag beperkt is en dat niet gebleken is dat het instellen van zo’n beroep de behandelingsduur van de asielprocedure verkort. Verder staat in die uitspraak dat de omvang van de werkzaamheden bij een opvolgend beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit beperkter is dan bij een eerste beroep niet tijdig.
2. Appellant betoogt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wegingsfactor 0,5 ‘licht’ en niet 0,25 ‘zeer licht’ had moeten toepassen. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters past de bestuursrechter in beginsel wegingsfactor 0,5 toe als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of het bestuursorgaan als gevolg daarvan een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 24 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253, onder 2. De Afdeling ziet geen aanleiding om in opvolgende beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor toe te passen. Hoewel de omvang van de werkzaamheden voor het instellen van een opvolgend beroep geringer is, omdat een rechtsbijstandverlener de minister bijvoorbeeld niet eerst in gebreke hoeft te stellen, maakt dit volgens de Afdeling niet dat een lagere wegingsfactor gerechtvaardigd is. Appellant wijst er terecht op dat het nog steeds noodzakelijk is om beroepsgronden in te dienen en termijnen te bewaken. Verder voert hij terecht aan dat zijn belang bij de procedure ook niet zeer beperkt is. Voor een opvolgend beroep geldt namelijk evenzeer dat dit het enige rechtsmiddel is dat een vreemdeling heeft als de minister niet tijdig een besluit op de aanvraag neemt.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank, met toepassing van wegingsfactor 0,25, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50. Dat had, met toepassing van wegingsfactor 0,5, een bedrag van € 467,00 moeten zijn. De Afdeling zal de minister alsnog tot vergoeding van dat bedrag veroordelen. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, merkt de Afdeling de zaak in hoger beroep eveneens als ‘licht’ aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Het hogerberoepschrift roept ten slotte geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 20 maart 2026 in zaak nr. NL25.53251, voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 (€ 467,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026
977
ECLI:NL:RVS:2026:3409
Datum uitspraak: 15 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 20 maart 2026 in zaak nr. NL25.53251 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om alsnog een besluit te nemen, een dwangsom opgelegd en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M. Veld, advocaat in Koekange, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat uitsluitend over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenvergoeding voor het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, waarbij de rechtbank al eerder een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard en die uitspraak nog niet heeft geleid tot een besluit. Oftewel: opvolgende beroepen niet tijdig.
De rechtbank heeft de kosten vastgesteld op € 233,50. Zij heeft daarbij 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor van 0,25. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar haar uitspraak van 24 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3629, onder 6.1 en 6.2. In die uitspraak staat onder meer dat het belang van het instellen van een opvolgend beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag beperkt is en dat niet gebleken is dat het instellen van zo’n beroep de behandelingsduur van de asielprocedure verkort. Verder staat in die uitspraak dat de omvang van de werkzaamheden bij een opvolgend beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit beperkter is dan bij een eerste beroep niet tijdig.
2. Appellant betoogt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wegingsfactor 0,5 ‘licht’ en niet 0,25 ‘zeer licht’ had moeten toepassen. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters past de bestuursrechter in beginsel wegingsfactor 0,5 toe als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of het bestuursorgaan als gevolg daarvan een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 24 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253, onder 2. De Afdeling ziet geen aanleiding om in opvolgende beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor toe te passen. Hoewel de omvang van de werkzaamheden voor het instellen van een opvolgend beroep geringer is, omdat een rechtsbijstandverlener de minister bijvoorbeeld niet eerst in gebreke hoeft te stellen, maakt dit volgens de Afdeling niet dat een lagere wegingsfactor gerechtvaardigd is. Appellant wijst er terecht op dat het nog steeds noodzakelijk is om beroepsgronden in te dienen en termijnen te bewaken. Verder voert hij terecht aan dat zijn belang bij de procedure ook niet zeer beperkt is. Voor een opvolgend beroep geldt namelijk evenzeer dat dit het enige rechtsmiddel is dat een vreemdeling heeft als de minister niet tijdig een besluit op de aanvraag neemt.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank, met toepassing van wegingsfactor 0,25, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50. Dat had, met toepassing van wegingsfactor 0,5, een bedrag van € 467,00 moeten zijn. De Afdeling zal de minister alsnog tot vergoeding van dat bedrag veroordelen. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, merkt de Afdeling de zaak in hoger beroep eveneens als ‘licht’ aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Het hogerberoepschrift roept ten slotte geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 20 maart 2026 in zaak nr. NL25.53251, voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 (€ 467,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026
977