Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22532
2026-08-12
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.13997
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzet, gericht tegen de pkv, gegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:1253 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:3409 Raad van State 15-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.427 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13997 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam], opposante,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
tegen de uitspraak van de rechtbank in de beroepszaak van 31 maart 2026 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg)
en uitspraak in de beroepszaak tussen
[naam], opposante,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie,(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg)
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de uitspraak van de rechtbank van 17 april 2026, waarin de rechtbank het opvolgende beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard. Het verzet richt zich uitsluitend tegen de vaststelling van de proceskostenveroordeling.
1.1.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond voor zover dit betrekking heeft op de proceskostenveroordeling.
1.2.
De rechtbank heeft het verzet op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van geopposeerde.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet eerst of in de uitspraak van 27 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel was, dat het opvolgende beroep kennelijk gegrond was en dat de proceskostenvergoeding is vastgesteld op € 233,50. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 17 april 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de in een eerdere niet-tijdig-beslissen procedure bepaalde nadere beslistermijn was verstreken. Door de rechtbank is een proceskostenvergoeding toegekend waarbij de wegingsfactor is bepaald op 0,25 (zeer licht).
Gronden verzet
4. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding 0,25 (zeer licht) bedraagt. Volgens opposant had de rechtbank ten minste wegingsfactor 0,5 (licht) moeten toepassen. Opposant verwijst in dit verband naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 3 april 2024. Uit deze rechtspraak volgt dat in beginsel wegingsfactor 0,5 wordt toegepast indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling heeft daarbij expliciet overwogen dat geen aanleiding bestaat om in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor te hanteren en dat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Volgens opposant zijn dergelijke bijzondere omstandigheden ook in onderhavige zaak niet aanwezig.
4.1.
Daarnaast kan opposant zich niet verenigen met het standpunt dat de omvang van de werkzaamheden bij een (opvolgend) beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit beperkter zou zijn. Ook in dergelijke procedures dienen onder meer beroepschriften en beroepsgronden te worden opgesteld, termijnen te worden bewaakt en contact met eiser te worden onderhouden over het verloop en de voortgang van de procedure. Volgens opposant doet een wegingsfactor van 0,25 onvoldoende recht aan deze werkzaamheden.
4.2.
Tot slot verwijst gemachtigde naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 15 juni 2026, waarin is overwogen dat ook bij een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen wegingsfactor 0,5 dient te worden toegepast en geen aanleiding bestaat voor de toepassing van een lagere factor.
Oordeel van de rechtbank
5. De aangevoerde gronden over de gehanteerde wegingsfactor slagen. In de uitspraak van 17 april 2026 is ten onrechte geoordeeld dat het opvolgende beroep van opposant vereenvoudigd kon worden afgedaan, omdat de uitkomst van het beroep - voor zover dat ziet op de proceskostenveroordeling - niet buiten redelijke twijfel vaststond.
5.1.
De Afdeling geoordeeld dat de bestuursrechter in beginsel wegingsfactor 0,5 toepast als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of het bestuursorgaan als gevolg daarvan een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling ziet geen aanleiding om in opvolgende beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor toe te passen. 5.2. Gelet op deze ontwikkeling in de jurisprudentie is het verzet gegrond. Nu het verzet alleen ziet op de proceskostenveroordeling, vervalt de uitspraak van 17 april 2026 op dat punt en blijft de uitspraak van 17 april 2026 voor het overige in stand. De rechtbank hervat het onderzoek voor zover het de proceskostenveroordeling betreft in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank zal hierbij tevens uitspraak doen op het beroep.
Beoordeling van de rechtbank van het beroep inzake de proceskostenveroordeling
6. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep, voor zover dat ziet op de proceskostenveroordeling. Opposant zal hierna worden aangeduid als eiser en geopposeerde als de minister.
7. Omdat het verzet alleen ziet op de proceskostenveroordeling en gegrond verklaard zal worden, blijft de uitspraak van 27 mei 2026 voor het overige in stand en moet de rechtbank alleen opnieuw beslissen op het onderdeel proceskosten.
8. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast met toepassing van de wegingsfactor 0,5. Daarbij sluit de rechtbank aan bij het oordeel van de Afdeling dat ook bij een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen een wegingsfactor 0,5 moet worden gehanteerd.
9. De minister moet in het beroep de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Conclusie en gevolgen
10. Het verzet is gegrond voor zover betrekking hebbend op de proceskostenveroordeling. Dat betekent dat de uitspraak van 27 mei 2026, voor zover betrekking hebbend op dat onderdeel, vervalt. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor het beroep niet tijdig beslissen vast op € 467,-.
10.1.
De minister moet ook de door de opposant gemaakte proceskosten in verband met de verzetsprocedure vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van de gemachtigde met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Dat betekent dat de totale proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 1.401,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzet, voor zover gericht tegen de proceskostenveroordeling, gegrond;
verklaart dat de uitspraak van 17 april 2026 ten aanzien van de proceskostenveroordeling vervalt;
veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.401,- voor de proceskosten in beroep en in verzet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
NL25.47116
ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253.
ABRvS 15 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3409.
Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
Artikel 8:75, van de Awb maakt dat mogelijk.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13997 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam], opposante,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
tegen de uitspraak van de rechtbank in de beroepszaak van 31 maart 2026 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg)
en uitspraak in de beroepszaak tussen
[naam], opposante,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie,(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg)
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de uitspraak van de rechtbank van 17 april 2026, waarin de rechtbank het opvolgende beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard. Het verzet richt zich uitsluitend tegen de vaststelling van de proceskostenveroordeling.
1.1.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond voor zover dit betrekking heeft op de proceskostenveroordeling.
1.2.
De rechtbank heeft het verzet op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van geopposeerde.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet eerst of in de uitspraak van 27 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel was, dat het opvolgende beroep kennelijk gegrond was en dat de proceskostenvergoeding is vastgesteld op € 233,50. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 17 april 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de in een eerdere niet-tijdig-beslissen procedure bepaalde nadere beslistermijn was verstreken. Door de rechtbank is een proceskostenvergoeding toegekend waarbij de wegingsfactor is bepaald op 0,25 (zeer licht).
Gronden verzet
4. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding 0,25 (zeer licht) bedraagt. Volgens opposant had de rechtbank ten minste wegingsfactor 0,5 (licht) moeten toepassen. Opposant verwijst in dit verband naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 3 april 2024. Uit deze rechtspraak volgt dat in beginsel wegingsfactor 0,5 wordt toegepast indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling heeft daarbij expliciet overwogen dat geen aanleiding bestaat om in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor te hanteren en dat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Volgens opposant zijn dergelijke bijzondere omstandigheden ook in onderhavige zaak niet aanwezig.
4.1.
Daarnaast kan opposant zich niet verenigen met het standpunt dat de omvang van de werkzaamheden bij een (opvolgend) beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit beperkter zou zijn. Ook in dergelijke procedures dienen onder meer beroepschriften en beroepsgronden te worden opgesteld, termijnen te worden bewaakt en contact met eiser te worden onderhouden over het verloop en de voortgang van de procedure. Volgens opposant doet een wegingsfactor van 0,25 onvoldoende recht aan deze werkzaamheden.
4.2.
Tot slot verwijst gemachtigde naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 15 juni 2026, waarin is overwogen dat ook bij een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen wegingsfactor 0,5 dient te worden toegepast en geen aanleiding bestaat voor de toepassing van een lagere factor.
Oordeel van de rechtbank
5. De aangevoerde gronden over de gehanteerde wegingsfactor slagen. In de uitspraak van 17 april 2026 is ten onrechte geoordeeld dat het opvolgende beroep van opposant vereenvoudigd kon worden afgedaan, omdat de uitkomst van het beroep - voor zover dat ziet op de proceskostenveroordeling - niet buiten redelijke twijfel vaststond.
5.1.
De Afdeling geoordeeld dat de bestuursrechter in beginsel wegingsfactor 0,5 toepast als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of het bestuursorgaan als gevolg daarvan een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling ziet geen aanleiding om in opvolgende beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor toe te passen. 5.2. Gelet op deze ontwikkeling in de jurisprudentie is het verzet gegrond. Nu het verzet alleen ziet op de proceskostenveroordeling, vervalt de uitspraak van 17 april 2026 op dat punt en blijft de uitspraak van 17 april 2026 voor het overige in stand. De rechtbank hervat het onderzoek voor zover het de proceskostenveroordeling betreft in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank zal hierbij tevens uitspraak doen op het beroep.
Beoordeling van de rechtbank van het beroep inzake de proceskostenveroordeling
6. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep, voor zover dat ziet op de proceskostenveroordeling. Opposant zal hierna worden aangeduid als eiser en geopposeerde als de minister.
7. Omdat het verzet alleen ziet op de proceskostenveroordeling en gegrond verklaard zal worden, blijft de uitspraak van 27 mei 2026 voor het overige in stand en moet de rechtbank alleen opnieuw beslissen op het onderdeel proceskosten.
8. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast met toepassing van de wegingsfactor 0,5. Daarbij sluit de rechtbank aan bij het oordeel van de Afdeling dat ook bij een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen een wegingsfactor 0,5 moet worden gehanteerd.
9. De minister moet in het beroep de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Conclusie en gevolgen
10. Het verzet is gegrond voor zover betrekking hebbend op de proceskostenveroordeling. Dat betekent dat de uitspraak van 27 mei 2026, voor zover betrekking hebbend op dat onderdeel, vervalt. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor het beroep niet tijdig beslissen vast op € 467,-.
10.1.
De minister moet ook de door de opposant gemaakte proceskosten in verband met de verzetsprocedure vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van de gemachtigde met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Dat betekent dat de totale proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 1.401,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzet, voor zover gericht tegen de proceskostenveroordeling, gegrond;
verklaart dat de uitspraak van 17 april 2026 ten aanzien van de proceskostenveroordeling vervalt;
veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.401,- voor de proceskosten in beroep en in verzet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
NL25.47116
ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253.
ABRvS 15 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3409.
Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
Artikel 8:75, van de Awb maakt dat mogelijk.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.