Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:190
2024-01-22
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202307261/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2024:190 → ECLI:NL:RBDHA:2023:21116 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 24 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2018:3074 Raad van State 18-09-2018
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:NL:RVS:2023:2829 Raad van State 26-07-2023
Geciteerd door (36)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27228 Rechtbank Den Haag 17-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:4186 Raad van State 17-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20046 Rechtbank Den Haag 10-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21836 Rechtbank Den Haag 06-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18615 Rechtbank Den Haag 06-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18888 Rechtbank Den Haag 26-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9677 Rechtbank Den Haag 22-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5710 Rechtbank Den Haag 17-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5907 Rechtbank Den Haag 03-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5908 Rechtbank Den Haag 27-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3032 Rechtbank Den Haag 16-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:464 Rechtbank Den Haag 05-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:462 Rechtbank Den Haag 05-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27220 Rechtbank Den Haag 24-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5013 Raad van State 20-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18234 Rechtbank Den Haag 19-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18233 Rechtbank Den Haag 19-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16425 Rechtbank Den Haag 25-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16145 Rechtbank Den Haag 21-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13737 Rechtbank Den Haag 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3067 Raad van State 08-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11369 Rechtbank Den Haag 23-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10475 Rechtbank Den Haag 16-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8083 Rechtbank Den Haag 09-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:157 Raad van State 22-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21912 Rechtbank Den Haag 09-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19491 Rechtbank Den Haag 25-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13212 Rechtbank Den Haag 12-08-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2973 Raad van State 24-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8867 Rechtbank Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6701 Rechtbank Den Haag 25-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3015 Rechtbank Den Haag 04-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:417 Raad van State 01-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:416 Raad van State 01-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:329 Raad van State 30-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:289 Raad van State 25-01-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (3.332 tekens)
202307261/1/V3.
Datum uitspraak: 22 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 24 november 2023 in zaak nr. NL23.35318 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 24 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Faber, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bewaringsrechter het strafrechtelijk voortraject niet mag toetsen. Dit betoog faalt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Alleen als de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3074). Anders dan de vreemdeling betoogt, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, niet dat de bewaringsrechter ook het strafrechtelijk voortraject moet toetsen. Dit arrest gaat namelijk over de toetsing aan de vereisten voor de rechtmatigheid van de bewaring. Die toetsing gaat niet zover dat de bewaringsrechter ook buiten de grenzen van het geding mag treden door de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject te toetsen (uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5).
2. Wat de vreemdeling verder in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd over de onrechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2024
872
Datum uitspraak: 22 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 24 november 2023 in zaak nr. NL23.35318 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 24 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Faber, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bewaringsrechter het strafrechtelijk voortraject niet mag toetsen. Dit betoog faalt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Alleen als de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3074). Anders dan de vreemdeling betoogt, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, niet dat de bewaringsrechter ook het strafrechtelijk voortraject moet toetsen. Dit arrest gaat namelijk over de toetsing aan de vereisten voor de rechtmatigheid van de bewaring. Die toetsing gaat niet zover dat de bewaringsrechter ook buiten de grenzen van het geding mag treden door de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject te toetsen (uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5).
2. Wat de vreemdeling verder in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd over de onrechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2024
872