Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2023:21116

2023-11-24 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL23.35318
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2023-11-24
Publicatiedatum
2024-01-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL23.35318
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

bewaring, geen toetsing strafrechtelijk voortraject.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.835 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch



Bestuursrecht



zaaknummer: NL23.35318


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber),



en


de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).




Procesverloop


Bij besluit van 8 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



Verweerder heeft op 16 november 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.



De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.




Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiser voert aan dat de aanhouding onrechtmatig is verlopen, wat gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de daaropvolgende inbewaringstelling. Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat eiser op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht is aangehouden. Twee marechaussees zagen eiser op Schiphol in een prullenbak graaien en derden daarnaar kijken, waarop zij eiser aanhielden wegens overlast en hij zich vervolgens niet kon identificeren. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn handelen niet kan worden gekwalificeerd als overlast. Tegenwoordig halen meerdere mensen blikjes uit de prullenbak omdat er statiegeld op zit. Primair stelt eiser dat de rechtbank dit strafrechtelijk optreden – in navolging van deze rechtbank, zittingsplaatsen Roermond, Amsterdam en Middelburg – moet toetsen en als onrechtmatig moet kwalificeren en dat de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig is. Subsidiair stelt eiser dat, bij gebrek aan een redelijke strafrechtelijke grond voor aanhouding, de staandehouding moet worden gezien als een vorm van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht die evident onrechtmatig is omdat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was.

4. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vaste jurisprudentielijn te verlaten, dat de vreemdelingenrechter alleen oordeelt over bevoegdheden die bij of krachtens de Vw zijn toegekend. Tot de beoordeling van de aanwending van andere bevoegdheden is de vreemdelingenrechter immers niet bevoegd. De rechtbank zal de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject dus niet beoordelen. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser strafrechtelijk is aangehouden en de inbewaringstelling van eiser is gevolgd op de heenzending van eiser uit het strafrechtelijke voortraject. De rechtbank ziet in het proces-verbaal van aanhouding geen aanleiding voor de conclusie dat de aanhouding van eiser een verkapt vreemdelingenrechtelijk karakter heeft.

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. De feitelijke juistheid van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd

zijn door eiser niet betwist en komen de rechtbank niet onjuist voor. Evenmin heeft eiser het risico op onttrekking aan het toezicht, dat uit deze gronden volgt, bestreden. Daarom
kunnen deze gronden de maatregel naar het oordeel van de rechtbank dragen.


7. Het voorgaande betekent dat de beroepsgrond van eiser niet leidt tot de conclusie dat
de bewaring onrechtmatig is te achten. Ook met inachtneming van de (overige) ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.M. van Dommele, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 november 2023






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 juni 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6646, 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400 en 27 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:274.


ECLI:EU:C:2022:858.