Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27228
2026-09-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.52168
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring 59.1.a Handboeien. Strafrechtrechtelijk voortraject. Unieburger, niet aangetoond verblijf in Nederland daadwerkelijk effectief beëindigd. Gronden feitelijk juist en voldoende om maatregel te dragen. Geen aanleiding lichter middel.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2024:190 Raad van State 22-01-2024
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.575 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52168
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe,
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 4 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 15 september 2026 uur gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser stelt dat uit de dossierstukken volgt dat de handboeien zijn aangelegd in het kader van het vreemdelingenrecht. Voor zover het gebruik van handboeien geheel of gedeeltelijk aan het strafrechtelijke traject zou moeten worden toegerekend, stelt eiser dat de daarvoor vereiste concrete en kenbare motivering ontbreekt. Voor zover de rechtbank dit onderdeel niet zelfstandig kan toetsen, verzoekt eiser de hiervoor genoemde tegenstrijdigheid te betrekken bij de beoordeling van de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van het aan de maatregel voorafgaande traject.
5.1
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat eiser op 3 september 2026 om 19:27 uur is aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Eiser had niet voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs te tonen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2026 blijkt dat eiser is door medewerkers van het gemeentelijke vervoersbedrijf in verband met het niet tonen van een geldig vervoersbewijs en dat van hem alleen een BSN-nummer bekend was. De daarop ter plaatse gekomen politiefunctionarissen hebben hem gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen. Dit kon eiser niet. De aanhouding had dus een strafrechtelijke aanleiding. Ook de handboeien zijn gebruikt tijdens het strafrechtelijke traject. Omdat de rechtbank als bewaringsrechter alleen oordeelt over bevoegdheden die bij of krachtens de Vw zijn toegekend, is zij niet bevoegd om over de rechtmatigheid van de aanhouding en het gebruik van handboeien een oordeel te geven. Van een doorwerking van eventuele onrechtmatigheden in dat strafrechtelijke traject naar het vreemdelingrechtelijke voortraject kan dan geen sprake zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2024. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser betwist de aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegde gronden, met uitzondering van de gronden b, r en s..
6.1
De rechtbank stelt vast dat deze gronden feitelijk juist zijn en reeds voldoende zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking.
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het eerdere verblijf van eiser niet daadwerkelijk en effectief was beëindigd.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij zonder geldig reisdocument naar Nederland is gereisd en dat hij toch weer zal terugkeren naar Nederland als hij wordt uitgezet naar Polen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij ondanks eerdere uitzettingen zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk effectief heeft beëindigd. Verder heeft eiser zich niet gemeld bij de autoriteiten en beschikt hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. Dat eiser een Unieburger is maakt dit alles niet anders, gelet op het besluit tot intrekking van zijn verblijfsrecht van
10 juni 2024. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij nu wel voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. De minister heeft voornoemde gronden daarom kunnen tegenwerpen. Deze gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
8. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan.
8.1
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser geen gevolg heeft gegeven van de aan hem gegunde vertrektermijn die volgt uit het besluit waarin zijn EU-verblijfsrecht is ingetrokken, hij geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf en geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
ECLI:NL:RVS:2024:190.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52168
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe,
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 4 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 15 september 2026 uur gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser stelt dat uit de dossierstukken volgt dat de handboeien zijn aangelegd in het kader van het vreemdelingenrecht. Voor zover het gebruik van handboeien geheel of gedeeltelijk aan het strafrechtelijke traject zou moeten worden toegerekend, stelt eiser dat de daarvoor vereiste concrete en kenbare motivering ontbreekt. Voor zover de rechtbank dit onderdeel niet zelfstandig kan toetsen, verzoekt eiser de hiervoor genoemde tegenstrijdigheid te betrekken bij de beoordeling van de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van het aan de maatregel voorafgaande traject.
5.1
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat eiser op 3 september 2026 om 19:27 uur is aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Eiser had niet voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs te tonen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2026 blijkt dat eiser is door medewerkers van het gemeentelijke vervoersbedrijf in verband met het niet tonen van een geldig vervoersbewijs en dat van hem alleen een BSN-nummer bekend was. De daarop ter plaatse gekomen politiefunctionarissen hebben hem gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen. Dit kon eiser niet. De aanhouding had dus een strafrechtelijke aanleiding. Ook de handboeien zijn gebruikt tijdens het strafrechtelijke traject. Omdat de rechtbank als bewaringsrechter alleen oordeelt over bevoegdheden die bij of krachtens de Vw zijn toegekend, is zij niet bevoegd om over de rechtmatigheid van de aanhouding en het gebruik van handboeien een oordeel te geven. Van een doorwerking van eventuele onrechtmatigheden in dat strafrechtelijke traject naar het vreemdelingrechtelijke voortraject kan dan geen sprake zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2024. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser betwist de aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegde gronden, met uitzondering van de gronden b, r en s..
6.1
De rechtbank stelt vast dat deze gronden feitelijk juist zijn en reeds voldoende zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking.
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het eerdere verblijf van eiser niet daadwerkelijk en effectief was beëindigd.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij zonder geldig reisdocument naar Nederland is gereisd en dat hij toch weer zal terugkeren naar Nederland als hij wordt uitgezet naar Polen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij ondanks eerdere uitzettingen zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk effectief heeft beëindigd. Verder heeft eiser zich niet gemeld bij de autoriteiten en beschikt hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. Dat eiser een Unieburger is maakt dit alles niet anders, gelet op het besluit tot intrekking van zijn verblijfsrecht van
10 juni 2024. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij nu wel voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. De minister heeft voornoemde gronden daarom kunnen tegenwerpen. Deze gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
8. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan.
8.1
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser geen gevolg heeft gegeven van de aan hem gegunde vertrektermijn die volgt uit het besluit waarin zijn EU-verblijfsrecht is ingetrokken, hij geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf en geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
ECLI:NL:RVS:2024:190.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.