Raad van State
ECLI:NL:RVS:2023:340
2023-01-26
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202200083/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2023:340 → ECLI:NL:RBDHA:2021:16965 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 augustus 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van referent om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2013:BZ8680 Raad van State 29-03-2013
- ECLI:NL:RVS:2022:2006 Raad van State 13-07-2022
Geciteerd door (36)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25982 Rechtbank Den Haag 04-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25944 Rechtbank Den Haag 03-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18870 Rechtbank Den Haag 09-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18537 Rechtbank Den Haag 06-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21106 Rechtbank Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16153 Rechtbank Den Haag 15-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16230 Rechtbank Den Haag 12-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11366 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10231 Rechtbank Den Haag 17-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8204 Rechtbank Den Haag 03-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7199 Rechtbank Den Haag 13-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5665 Rechtbank Den Haag 02-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5666 Rechtbank Den Haag 02-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7231 Rechtbank Den Haag 20-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7222 Rechtbank Den Haag 20-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4764 Rechtbank Den Haag 29-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5086 Rechtbank Den Haag 28-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28012 Rechtbank Den Haag 08-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20652 Rechtbank Den Haag 20-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19018 Rechtbank Den Haag 15-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19543 Rechtbank Den Haag 14-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19538 Rechtbank Den Haag 14-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17585 Rechtbank Den Haag 23-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14905 Rechtbank Den Haag 11-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2488 Raad van State 02-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9259 Rechtbank Den Haag 26-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4258 Rechtbank Den Haag 18-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4572 Rechtbank Den Haag 17-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1149 Rechtbank Den Haag 29-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:23387 Rechtbank Den Haag 17-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12099 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9844 Rechtbank Den Haag 25-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1187 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:3606 Raad van State 27-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9037 Rechtbank Den Haag 19-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:967 Raad van State 09-03-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (3.290 tekens)
202200083/1/V3.
Datum uitspraak: 26 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen) en [referent],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 6 december 2021 in zaak nr. 21/3763 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van referent om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 1 juni 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door referent en de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 december 2021 heeft de rechtbank het daartegen door referent en de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben referent en de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Krikke, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdelingen klagen in grief 5 tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de toetsing van de uitkomst van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM door de rechtbank enigszins terughoudend moet zijn. De Afdeling verwijst bijvoorbeeld naar haar uitspraak van 29 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8680, onder 5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.4, overwogen dat de rechtbank het onderzoek van de staatssecretaris naar de relevante feiten en omstandigheden en de door hem gegeven motivering van de belangenafweging indringend moet toetsen. Deze passage is opgenomen om te benadrukken dat de rechter zonder terughoudendheid moet toetsen of de staatssecretaris alle feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Met de uitspraak van 13 juli 2022 is de toetsingsintensiteit van de uitkomst van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging niet gewijzigd. Dit betekent dat de rechtbank de uitkomst van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging terecht enigszins terughoudend heeft getoetst.
1.1. De grief faalt.
2. Wat de vreemdelingen in grieven 1 tot en met 4 en 6 hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2023
846-985
Datum uitspraak: 26 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen) en [referent],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 6 december 2021 in zaak nr. 21/3763 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van referent om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 1 juni 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door referent en de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 december 2021 heeft de rechtbank het daartegen door referent en de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben referent en de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Krikke, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdelingen klagen in grief 5 tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de toetsing van de uitkomst van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM door de rechtbank enigszins terughoudend moet zijn. De Afdeling verwijst bijvoorbeeld naar haar uitspraak van 29 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8680, onder 5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.4, overwogen dat de rechtbank het onderzoek van de staatssecretaris naar de relevante feiten en omstandigheden en de door hem gegeven motivering van de belangenafweging indringend moet toetsen. Deze passage is opgenomen om te benadrukken dat de rechter zonder terughoudendheid moet toetsen of de staatssecretaris alle feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Met de uitspraak van 13 juli 2022 is de toetsingsintensiteit van de uitkomst van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging niet gewijzigd. Dit betekent dat de rechtbank de uitkomst van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging terecht enigszins terughoudend heeft getoetst.
1.1. De grief faalt.
2. Wat de vreemdelingen in grieven 1 tot en met 4 en 6 hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2023
846-985