Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:28012

2025-12-08 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.25405
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-12-08
Publicatiedatum
2026-06-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Tussenuitspraak
Zaaknummer
NL25.25405
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat het bestreden besluit zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken bevat. Verweerder heeft bij de gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM een onjuist en te streng juridisch kader gehanteerd. Daarbij is geen sprake van een ‘fair balance’ tussen de belangen van eisers (en hun gezinsleden) en de belangen van de Nederlandse Staat.

Citeert (22)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.878 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


Zaaknummer: NL25.25405


V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen



[eiser 1],

geboren op [geboortedag 1] 2002, eiser 1,
en


[eiser 2],

geboren op [geboortedag 2] 2003, eiser 2,
beiden van Surinaamse nationaliteit, hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).



Inleiding


1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een mvv. Deze afwijzing is gehandhaafd met de beslissing op bezwaar van 5 juni 2025 (het bestreden besluit). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.



1.1.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken bevat. Verweerder heeft bij de gemaakte belangenafweging een onjuist en te streng juridisch kader gehanteerd. Daarbij is geen sprake van een ‘fair balance’ tussen de belangen van eisers (en hun gezinsleden) en de belangen van de Nederlandse Staat. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid dit motiveringsgebrek via een bestuurlijke lus te herstellen.



1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden met name in op de door verweerder gemaakte belangenafweging. Aan het eind, vanaf 13, staat de tussenbeslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop




2. Eisers beogen verblijf in Nederland met hun moeder, [referente] (referente) en haar echtgenoot, [referent] (referent). Referente is op [datum] 2024 met referent getrouwd. Op 20 augustus 2024 heeft referente voor haarzelf en eisers een mvv in de procedure Toegang en Verblijf aangevraagd op grond van artikel 8 EVRM. Referente beoogt verblijf bij haar echtgenoot en eisers beogen verblijf bij hun moeder. Met het besluit van 15 januari 2025 is de mvv-aanvraag van referente ingewilligd. Deze is geldig van 3 februari 2025 tot 4 mei 2025. Met separaat besluit van 15 januari 2025 zijn de mvv-aanvragen van eisers afgewezen.




2.1.
Eiser hebben tegen het besluit van 15 januari 2025 bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op hun bezwaar. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft het verzoek op 8 april 2025 op zitting behandeld. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen afgesproken dat verweerder uiterlijk 22 april 2025 een beslissing op bezwaar zal nemen.


2.2.
Op 17 april 2025 zijn eisers, referente en referent door verweerder gehoord tijdens een hoorzitting. Op 18 april 2025 heeft verweerder aan de voorzieningenrechter meegedeeld dat de uiterste beslisdatum van 22 april 2025 niet kon worden gehaald en dat daarom de inreistermijn voor referente was verlengd tot 16 juli 2025. Verweerder heeft daarbij aangegeven vóór 16 juli 2025 een besluit op bezwaar te nemen.



2.3.
Met de uitspraak van 23 april 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het besluit van 15 januari 2025 naar haar voorlopig oordeel onrechtmatig is, maar het verzoek afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang door verweerders toezegging om op korte termijn te beslissen.



2.4.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.



2.5.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.



2.6.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Daarin is aangegeven dat als referente zich bij de ambassade meldt, haar inreistermijn tot 16 oktober 2025 wordt verlengd.



2.7.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 28 augustus 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Referente en eisers waren via een digitale verbinding aanwezig. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook was referent aanwezig op de zitting.




Feiten en achtergrond


3. Eisers hebben beide een verstandelijke beperking en wonen met referente in
Suriname. Het is niet in geschil dat eisers onder het jongvolwassenbeleid vallen en dat daarom tussen referente en eisers gezinsleven wordt aangenomen zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.



3.1.
Referente is oud-Nederlander en is haar Nederlanderschap in 1975 op zesjarige leeftijd onvrijwillig verloren. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. In Nederland wonen ook zijn Nederlandse kinderen en kleinkinderen.



3.2.
Verweerder heeft in het bestreden besluit een belangenafweging gemaakt, maar die in het nadeel van eisers laten uitvallen.




Beoordeling van de rechtbank



Beroep op Bijlage 1 van de Migratieovereenkomst over verruimde gezinshereniging


4. Eisers voeren allereerst aan dat zij direct verblijfsrecht ontlenen aan Bijlage 1 van de Migratieovereenkomst. Zij zijn aan te merken als gezinsleden die in Suriname al feitelijk tot het gezin van hun moeder behoorden en van haar afhankelijk waren, zoals genoemd in de eerste bepaling van Bijlage 1. Volgens eisers heeft Nederland onjuist gehandeld door met de inwerkingtreding van de Vc in 1994 die eerste bepaling van Bijlage 1 over verruimde gezinshereniging eenzijdig te schrappen. Nederland had eerst Suriname moeten consulteren over deze wijziging, en de Bijlage van de Migratieovereenkomst zelf moeten wijzigen, niet de Vc. Eisers menen dat de uitspraak van 30 mei 2000 van de Rechtseenheidskamer onjuist is, daar waar is geoordeeld dat de inwerkingtreding van de Vc 1994 gezien moet worden als een aanscherping van het ten aanzien van de Surinaamse onderdanen gevoerde beleid, en dat Surinaamse onderdanen met een toelating ingediend op of na 1 januari 1994 géén aanspraak meer kunnen maken op toelating ontleend aan bepalingen in Bijlage 1. De bepalingen in de Bijlage 1 hebben rechtstreekse werking en voorrang boven nationaal recht. De Rechtseenheidskamer had dan ook voor recht moeten verklaren dat de bepalingen in de Vc 1994 over verruimde gezinshereniging voor Surinaamse onderdanen in strijd zijn met de bepalingen in Bijlage 1 en daarom buiten toepassing moeten worden gelaten. Eisers verzoeken de rechtbank om dat alsnog te doen.



4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Vraag is of na de inwerkingtreding van de Vc 1994 nog een beroep kan worden gedaan op Bijlage 1 van de Migratieovereenkomst. De rechtbank ziet in deze zaak echter geen aanleiding om deze vraag te beantwoorden, omdat eisers niet onder de definitie ‘leden van het gezin’ vallen zoals bedoeld in punt 1, het tweede streepje van Bijlage 1. Referente is immers (nog) geen in Nederland gevestigde Surinaamse onderdaan. Het beroep van eisers op Bijlage 1 van de Migratieovereenkomst slaagt om die reden niet.



De belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM


Juridisch kader

5. Uit vaste jurisprudentie van het Hof en de Afdeling volgt dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken.



5.1.
De rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van een vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert verder dat de rechter de door verweerder gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen.


5.2.
Volgens de Afdeling kunnen in het kader van artikel 8 van het EVRM omstandigheden die relevant zijn bij de vaststelling van familie- en gezinsleven, ook relevant zijn bij een daaropvolgende belangenafweging tussen het belang van betrokkenen bij familie- en gezinsleven in Nederland en het belang van de Nederlandse Staat. Daarom moet verweerder in een belangenafweging in ieder geval de omstandigheden betrekken die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat betrokkenen familie- en gezinsleven hebben.


5.3.

Ook heeft de Afdeling overwogen dat verweerder bij zijn waardering van het economisch belang van Nederland rekening moet houden met het antwoord op de vraag of referent alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om financieel onafhankelijk te zijn. Voor een antwoord op die vraag zijn de individuele omstandigheden van referent van belang.

Heeft verweerder een te strenge toets gehanteerd?


Zeer bijzondere omstandigheden als lat hanteren

6. Eisers voeren terecht aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging alleen als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden in het voordeel van eisers kan uitvallen. Dat uitgangspunt geldt namelijk volgens het Hof als het familie- en gezinsleven is ontstaan op een moment dat de betrokkenen zich ervan bewust waren dat het voortbestaan van dat familie- en gezinsleven in de verdragsstaat vanaf het begin onzeker zou zijn, gelet op de verblijfsrechtelijke positie van één van hen. Dat is bijvoorbeeld het geval als betrokkenen het familie- en gezinsleven zijn aangegaan tijdens onrechtmatig verblijf van één van hen in de verdragsstaat. Maar zo’n situatie is in het geval van eisers niet aan de orde. Referente en eisers zijn namelijk al familie- en gezinsleven aangegaan tijdens hun verblijf in het land van herkomst. De Afdeling heeft verder ook geen aanleiding gezien om het hiervoor bedoelde uitgangspunt te hanteren in zaken waarin het familie- en gezinsleven al bestond op het moment dat de betrokken referent vertrok uit het land van herkomst. Dit uitgangspunt volgt ook niet uit de Werkinstructie 2020/16 van verweerder. Onder het kopje ‘overkomst van achtergebleven gezinsleden’, op pagina 15 staat juist dat er in dat geval een evenwichtige belangenafweging moet plaatsvinden.




6.1.
De beroepsgrond slaagt. Dat betekent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte een te strenge beoordeling heeft toegepast bij de belangenafweging door alleen te beoordelen of er zeer bijzondere omstandigheden aan de orde zijn. In plaats daarvan had verweerder dus een evenwichtige belangenafweging moeten maken waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden meegewogen.



Heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken?




7. De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder het arrest Jeunesse te beperkt interpreteert. Uit dat arrest volgt dat verweerder een fair balance moet maken tussen het belang van eisers en diens familie enerzijds en het belang van de Staat anderzijds. Daarbij moet verweerder alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken.




7.1.
Een van de van betekenis zijnde feiten en omstandigheden is dat referente oud-Nederlander is en haar Nederlanderschap op zesjarige leeftijd onvrijwillig is verloren. Verweerder heeft hieraan, ook na de uitspraak van de voorzieningenrechter die daarop had gewezen, onvoldoende gewicht toegekend. De voorzieningenrechter had al terecht geoordeeld dat deze omstandigheid kan doorwerken voor eisers en daarbij gewezen op de bijzondere positie die Surinamers in de Vreemdelingenwet hebben. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 februari 2025 over de bijzondere positie van Surinamers (oud-Nederlanders).



7.2.
Verder heeft referent sterke banden met Nederland die niet kenbaar in de belangenafweging zijn betrokken. Hij heeft hier in Nederland privéleven opgebouwd en heeft daarnaast kinderen en kleinkinderen in Nederland wonen. Verder is hij op leeftijd, waardoor de kwaliteit van de medische zorg in Nederland voor hem een relevante omstandigheid is, vanwege het verschil met de kwaliteit van de zorg in Suriname. Ook deze feiten en omstandigheden had verweerder moeten betrekken.


7.3.

Verweerder heeft in de belangenafweging betrokken dat eisers vanwege hun verstandelijke beperking afhankelijk zijn van zorg en dat referente die mantelzorg biedt. Eisers voeren in dat kader terecht aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte en zonder een deugdelijke motivering in het standpunt volhardt dat eisers niet hebben onderbouwd dat de zorg die zij nodig hebben niet door derden kan worden verleend. In haar uitspraak van 23 april 2025 had de voorzieningenrechter al onder rechtsoverweging 11.5 geoordeeld dat eisers dat wel hebben onderbouwd. De rechtbank volgt dit oordeel en maakt deze rechtsoverweging de hare. Daarbij verwijst de rechtbank naar de stukken die eisers in bezwaar hebben overgelegd. In het bestreden besluit zijn deze stukken onder het kopje ‘documenten’ opgesomd, maar niet kenbaar in de beoordeling betrokken. Eisers hebben hiermee aan hun stelplicht voldaan dat voor eisers geen zorgalternatieven zijn in Suriname. Dan is het aan verweerder om aan te tonen dat er voor eisers haalbare zorgalternatieven zijn. Dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan.

Heeft verweerder een ‘fair balance’ gemaakt?


8. Omdat hiervoor al is geoordeeld dat verweerder een te strenge toets heeft gehanteerd en de voornoemde feiten en omstandigheden niet kenbaar heeft betrokken, kan niet gezegd worden dat verweerder een fair balance heeft gemaakt. Verweerder dient dus hoe dan ook een nieuwe belangenafweging te maken. Met het oog daarop zal de rechtbank hierna ook de beroepsgronden bespreken die zien op de al gemaakte belangenafweging.


Verstandelijke beperking van eisers en het feit dat referente de nodige zorg verleent

9. Dat deze feiten in de belangenafweging in het voordeel van eisers zijn betrokken, zoals verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft betoogd, blijkt niet kenbaar uit de motivering van het bestreden besluit. Daaruit is onvoldoende inzichtelijk dat verweerder deze feiten bij de beoordeling van de intensiteit van het gezinsleven in de belangenafweging in het voordeel van eisers heeft betrokken en daaraan een (zwaar) gewicht heeft toegekend. Dat dient de minister alsnog te doen en daarbij eveneens in het voordeel van eisers te betrekken dat de zorg die ze nodig hebben niet door derden kan worden verleend.

Onderbreking samenwoning in 2016-2017
10. Eisers hebben terecht aangevoerd dat verweerder ten onrechte in hun nadeel heeft betrokken dat eisers en referente in het verleden een periode niet in gezinsverband hebben samengewoond.


10.1.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 20 november 2024 en herhaald in de uitspraak van 28 mei 2025 is het peilmoment voor de beoordeling van het familie- en gezinsleven in reguliere gezinsherenigingszaken het moment van het besluit op de gezinsherenigingsaanvraag. Verweerder mag bij haar beoordeling echter ook feiten en omstandigheden betrekken die zich vóór het peilmoment hebben voorgedaan. Als er tussen een betrokkene en een referent op een bepaald moment voorafgaand aan het peilmoment geen afhankelijkheid is geweest, dan mag verweerder dit meewegen in haar beoordeling of er op het peilmoment familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is. In de uitspraak van 20 juni 2025 heeft de Afdeling hieraan toegevoegd dat omdat een besluit op bezwaar een volledige heroverweging is, verweerder in dat besluit ook de feiten en omstandigheden moet meenemen die zich op dat moment voordoen.


10.2.
Omdat verweerder in het bestreden besluit heeft geconcludeerd dat er sprake is van gezinsleven tussen eisers en referente, ziet de rechtbank zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, niet in dat verweerder in de belangenafweging in het nadeel van eisers betrekt dat zij in het verleden niet altijd in gezinsverband hebben samengewoond. Daarbij komt dat referente hierover tijdens de hoorzitting uitvoerig heeft verklaard. Zij heeft toegelicht dat de vader van eisers toen wel in beeld was, wat nu niet meer zo is. Ze heeft verder verteld dat de doorslaggevende reden waarom zij weer terug is gegaan naar Suriname was omdat het niet goed ging met eisers bij hun vader en dat zij slecht behandeld werden door de partner van hun vader. Zij heeft ook verteld dat toen zij in 2016 naar Nederland vertrok voor verblijf bij haar toenmalige partner het de bedoeling was dat eisers na zouden reizen naar Nederland, maar dat haar relatie vrij snel niet bleek te zijn wat zij verwachtte en na korte tijd eindigde. Eisers hebben in dat kader terecht gewezen op rechtspraak van de Afdeling waarin is geoordeeld dat verweerder niet aan de vreemdelingen kon tegenwerpen dat hun moeder alvast vooruit was gereisd en de andere gezinsleden later zouden herenigen. Dat verweerder in het bestreden besluit desondanks wijst op de ouderlijke plicht van de vader van eisers en dat referente in 2016 er vrijwillig voor heeft gekozen om in Nederland te gaan wonen met haar toenmalige partner met achterlating van eisers, geeft geen blijk van het betrekken van de feitelijke situatie.


10.3.

Het standpunt van verweerder in het verweerschrift en ter zitting dat dit de gemaakte belangenafweging niet anders maakt, volgt de rechtbank zonder een deugdelijke motivering niet. Daarbij wijst de rechtbank ook naar de voorgaande overwegingen en de geconstateerde gebreken in de belangenafweging.

Moeilijkheden gezin in Suriname
11. Eisers voeren verder terecht aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend en in het voordeel van eisers in de belangenafweging heeft betrokken dat er zekere moeilijkheden worden verwacht als het gezin in Suriname zou moeten wonen. Referent heeft hierover uitgebreid verklaard zowel tijdens de hoorzitting als tijdens de zittingen bij de voorzieningenrechter en de rechtbank.

Economisch belang
12. Eisers voeren tot slot aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het economisch belang van de Nederlandse Staat zo in het geding is dat het de belangenafweging in hun nadeel laat uitvallen. Eisers hebben in dat kader het volgende naar voren gebracht. Eisers zullen geen beroep doen op de woningmarkt en gezondheidszorg. Referente en referent zijn getrouwd. Referent heeft een kamer over in zijn woning die ongebruikt is. Daar kunnen eisers verblijven en dat willen zij ook. Een beroep op de algemene kas zullen eisers niet doen. Referent ontvangt een pensioen. Hij is getrouwd met referente. Referente is een gediplomeerd en ervaren verpleegkundige. Zij wil graag in Nederland werken waar een schrijnend tekort is aan verpleegkundigen. Eiser 1 wil en kan ook werken in een aangepaste werkomgeving. Hij kan bij [bedrijf] aan de slag. Hij heeft bewijs overgelegd dat hij in het verleden gewerkt heeft. Eisers hebben slechts een verstandelijke beperking, ze hebben geen bijzondere medische zorg nodig. Dat verweerder stelt dat eisers waarschijnlijk een aanvullend beroep zullen doen op de zorgkosten, mist een onderbouwing. Het enige wat eisers nodig hebben is een dagbesteding, maar daarvan hebben eisers meermaals aangegeven dat het geen noodzakelijke medische zorg is die als economisch belang tegengeworpen kan worden.



12.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling over het economisch welzijn heeft overwogen dat verweerder bij de belangenafweging rekening mag houden met het gegeven dat een vreemdeling afhankelijk is van overheidssteun, voor zover deze afhankelijkheid invloed heeft op het economisch welzijn van Nederland. Daarbij mag verweerder niet in algemene zin wijzen op mogelijke toekomstige aanspraken die de vreemdeling zou kunnen doen op de uit algemene middelen gefinancierde faciliteiten. Bovendien is het aan verweerder om alle omstandigheden van het geval mee te nemen in de afweging van het economisch belang en het belang van eisers. Het gaat dan bijvoorbeeld om de leeftijd, de beroepskwalificaties en werkervaring, de mate van integratie in Nederland, de kennis van de Nederlandse taal, de gezondheid, de gezinssituatie en in hoeverre sprake is van inspanningen om werk te vinden. De beoordeling van verweerder dient daarbij flexibel te zijn en verweerder mag hierbij niet het onmogelijke van eisers verwachten.



12.2.
Ook heeft de Afdeling overwogen dat verweerder bij haar beoordeling rekening moet houden met alle relevante aspecten en daarbij dus ook relevante onzekere toekomstige gebeurtenissen die een vreemdeling naar voren heeft gebracht, moet betrekken. De beoordeling hiervan is niet anders dan wanneer verweerder bij zijn beoordeling andere onzekere toekomstige gebeurtenissen betrekt, zoals een mogelijk toekomstig beroep op de openbare kas. Dit neemt niet weg dat verweerder in zijn beoordeling minder gewicht mag toekennen aan een gebeurtenis naarmate het onwaarschijnlijker is dat die gebeurtenis zal plaatsvinden. Ook mag hij van een vreemdeling verlangen dat, als het onwaarschijnlijker is dat een gebeurtenis zal plaatsvinden, hij die gebeurtenissen eerder toelicht.


12.3.
Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder bij de beoordeling van het economisch belang dit toetsingskader heeft toegepast. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers meerderjarige kinderen zijn die vanwege hun verstandelijke beperking volledig afhankelijk zijn van zorg van anderen. Volgens verweerder is op lange termijn de redelijke verwachting dat eisers een beroep op de algemene middelen zullen doen, als referente en referent niet meer voor hen kunnen zorgen. Dit geldt ook voor hun huisvesting. Verweerder gaat hiermee uit van allerlei toekomstige kosten wegens toekomstige problemen in de gezondheid van eisers of toekomstige veranderingen in hun huisvesting, terwijl daarvoor geen aanwijzingen zijn. Aan de andere kant ziet verweerder het als een ‘onzekere toekomstige gebeurtenis’ dat eiser 1 en referente wel in Nederland zullen gaan werken, terwijl beiden hun arbeidsverleden in Suriname met stukken hebben onderbouwd. In een nieuw te maken belangenafweging dient verweerder het economisch belang te beoordelen met inachtneming van het voornoemde toetsingskader en alles wat in dat kader is aangevoerd en onderbouwd.



Conclusie
13. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat aan het bestreden besluit meerdere gebreken kleven. De door verweerder gemaakte belangenafweging is op meerdere punten in strijd met de artikelen 3:2 van de Awb (zorgvuldige voorbereiding) en 7:12 van de Awb (deugdelijke motivering). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder een nieuwe belangenafweging maken met inachtneming van deze tussenuitspraak. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

14. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

15. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
16. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

17. De rechtbank vraagt tot slot aandacht voor het volgende. Ter zitting is met partijen gesproken over een mogelijke nieuwe verlenging van de geldigheidsduur van de mvv van referente. Verweerder heeft toen aangegeven welwillend te zijn in het verlengen van de geldigheidsduur. Dat is dus ook gebleken, want eisers hebben, na sluiting van het onderzoek ter zitting, de rechtbank laten weten dat de verlengde geldigheidsduur van de mvv van referente op 22 december 2025 verloopt. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder aan zijn welwillendheid uitvoering blijft geven en de mvv van referente verlengt gedurende de beroepsprocedure van eisers.



Beslissing
De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid deze gebreken te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, voorzitter, en mr. P.L.C.M. Ficq en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.




Bijlage



Migratieovereenkomst




Bijlage 1


1. Gezinshereniging


Tot de leden van het gezin, die voor gezinshereniging met de Surinaamse onderdaan die zich met toestemming in Nederland heeft gevestigd in aanmerking komen, behoren:




de echtgenoot en de tot het gezin behorende minderjarige kinderen voorzover één der ouders met het wettig gezag over deze kinderen is belast;


andere dan de bovengenoemde gezinsleden indien zij reeds in Suriname feitelijk tot het gezin van de in Nederland gevestigde Surinaamse onderdaan behoorden en van hem afhankelijk waren; in dit verband dient te worden gedacht aan behoeftige ouders; in bijzondere gevallen kunnen nog voor een verruimde vorm van gezinshereniging in aanmerking komen onder meer moeders die weduwe worden of kinderen die wees worden, en voor wie er in Suriname geen enkele opvang mogelijk is.


(…)

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.




Machtiging tot voorlopig verblijf.


Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Strikt genomen is [referent] geen referent in de procedure van eisers. Omdat hij dat wel in de procedure van hun moeder is, is voor het gemak en de leesbaarheid gekozen voor ‘referent’.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Zaaknummer: NL25.6438.


Zaaknummer: NL25.25407.


Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen, met Bijlagen en Protocol inzake verkregen rechten; Paramaribo, 23 Januari 1981, Trb. 1981, 35.


Vreemdelingencirculaire.


ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6166.


Punt 1 van Bijlage 1 is volledig uitgeschreven in de bijlage bij deze uitspraak.


Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof inzake Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, van 31 januari 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599 en de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.


Zie de uitspraken van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.3 en 9.3.1, en van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 4 en 5.


Zie de uitspraken van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, onder 10, en van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, onder 3.2.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912, onder 7.2 en 8.


Zie het arrest van het Hof van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragraaf 108 en 114.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4911, onder 6.1.


Werkinstructie ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM’.


Zie het arrest van het Hof van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragraaf 108 en 114.


ECLI:NL:RBDHA:2025:2548.


Arrest van het Hof van 10 december 2024, Martinez Alvarado tegen Nederland, nr. 4470/21, paragraaf 49, ECLI:NL:RVS:2024:1189, punt 50: ‘viable alternatives’.


Van december 2016 tot september 2017.


ECLI:NL:RVS:2024:4630.


ECLI:NL:RVS:2025:2416.


ECLI:NL:RVS:2025:2748.


ECLI:NL:RVS:2022:188.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2661, r.o. 3.1.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912, r.o. 7.2. en 8.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3166.


De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.