Raad van State
ECLI:NL:RVS:2020:764
2020-03-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202000795/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2020:764 → ECLI:NL:RBOVE:2020:321 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 januari 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2009:BH1548 Raad van State 23-01-2009
Geciteerd door (33)
- ECLI:NL:RVS:2026:5413 Raad van State 16-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5411 Raad van State 16-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5412 Raad van State 16-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24893 Rechtbank Den Haag 27-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15873 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3051 Rechtbank Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:33 Rechtbank Den Haag 05-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:64 Rechtbank Den Haag 05-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24418 Rechtbank Den Haag 18-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21720 Rechtbank Den Haag 17-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20526 Rechtbank Den Haag 05-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24046 Rechtbank Den Haag 22-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19022 Rechtbank Den Haag 16-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18987 Rechtbank Den Haag 14-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14209 Rechtbank Den Haag 29-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11337 Rechtbank Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10301 Rechtbank Den Haag 13-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10813 Rechtbank Den Haag 05-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2131 Raad van State 14-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9129 Rechtbank Den Haag 14-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4537 Rechtbank Den Haag 18-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4486 Rechtbank Den Haag 18-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1960 Rechtbank Den Haag 13-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20525 Rechtbank Den Haag 28-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16668 Rechtbank Den Haag 09-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5983 Rechtbank Den Haag 22-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:885 Rechtbank Den Haag 26-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:816 Rechtbank Den Haag 25-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8268 Rechtbank Den Haag 08-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3733 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2044 Rechtbank Den Haag 03-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:9735 Rechtbank Den Haag 21-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:6515 Rechtbank Den Haag 30-06-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (2.916 tekens)
202000795/1/V3.
Datum uitspraak: 17 maart 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 januari 2020 in zaak nr. NL20.1264 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 27 januari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de inspanningsverplichting niet heeft geschonden, maar deze klacht leidt niet tot vernietiging van de uitspraak. Een schending van de inspanningsverplichting betekent niet dat de maatregel van bewaring daarom al onrechtmatig is. Er is namelijk nog ruimte voor een belangenafweging (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1548). In dit geval valt de belangenafweging uit in het voordeel van de staatssecretaris aangezien de vreemdeling de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de motivering van de maatregel niet heeft betwist. Daaruit volgt dat er een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Ook is van belang dat de inspanningsverplichting slechts gedurende twee weken van de strafrechtelijke detentie van de vreemdeling heeft bestaan en dat de staatssecretaris op de dag nadat de vreemdeling in vreemdelingenbewaring is gesteld met de overdracht van de vreemdeling is begonnen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Lange w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2020
47-945.
Datum uitspraak: 17 maart 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 januari 2020 in zaak nr. NL20.1264 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 27 januari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de inspanningsverplichting niet heeft geschonden, maar deze klacht leidt niet tot vernietiging van de uitspraak. Een schending van de inspanningsverplichting betekent niet dat de maatregel van bewaring daarom al onrechtmatig is. Er is namelijk nog ruimte voor een belangenafweging (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1548). In dit geval valt de belangenafweging uit in het voordeel van de staatssecretaris aangezien de vreemdeling de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de motivering van de maatregel niet heeft betwist. Daaruit volgt dat er een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Ook is van belang dat de inspanningsverplichting slechts gedurende twee weken van de strafrechtelijke detentie van de vreemdeling heeft bestaan en dat de staatssecretaris op de dag nadat de vreemdeling in vreemdelingenbewaring is gesteld met de overdracht van de vreemdeling is begonnen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Lange w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2020
47-945.