Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:15873
2026-05-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.24030
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring, inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie, belangenafweging, gegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2020:764 Raad van State 17-03-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.616 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24030
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Heeft verweerder zijn inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie geschonden?
1. Uit paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt het uitgangspunt dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden. Als niet duidelijk is wanneer een vreemdeling vrijkomt, geldt deze inspanningsverplichting echter niet. In zo’n geval kan van verweerder niet worden gevergd dat de voorbereiding van de uitzetting steeds zo wordt ingericht, dat deze aansluit op de strafrechtelijke detentie en iedere vreemdelingbewaring achterwege kan blijven. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 januari 2018 (ECLI: NL:RVS:2018:17).
2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan deze inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring. Volgens eiser was verweerder bekend met de einddatum van de strafrechtelijke detentie en heeft verweerder tijdens eisers detentie geen handelingen verricht om te voorkomen dat eiser aansluitend in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld.
3. Verweerder betwist dat de einddatum van de strafrechtelijke detentie bekend was en dus dat de inspanningsverplichting is geschonden. Volgens verweerder werd namelijk uitgegaan van 1 mei 2026 als einddatum (zoals vermeld in de registratiekaart DJI van 23 maart 2026), terwijl de einddatum 28 april 2026 was (zoals blijkt uit het feit dat de bewaringsmaatregel van die datum is).
4. Naar het oordeel van de rechtbank is op zich juist dat de einddatum op de registratiekaart niet daadwerkelijk de einddatum van de strafrechtelijke detentie bleek te zijn. Dit vindt de rechtbank echter op zichzelf onvoldoende om verweerder te ontslaan van de inspanningsverplichting. Het gaat slechts om enkele dagen, terwijl de strafrechtelijke detentie al sinds 20 maart 2026 was aangevangen. Niet is gesteld of gebleken dat sprake was van zo’n onduidelijkheid over de einddatum dat het niet van verweerder kon worden gevergd om alvast de uitzetting voor te bereiden, bijvoorbeeld door het voeren van een vertrekgesprek in detentie.
5. De rechtbank oordeelt dan ook dat de inspanningsverplichting is geschonden.
Belangenafweging
6. De schending van de inspanningsverplichting leidt niet zonder meer tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 17 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:764), blijkt dat er in dat geval nog ruimte is voor een belangenafweging. In het feit dat een lagere rechtbank anders heeft geoordeeld, zoals eiser stelt, ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van de vaste lijn van de Afdeling.
7. Verweerder stelt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. In dat kader verwijst verweerder naar de niet-betwiste gronden van de maatregel, waaruit het risico op onttrekking volgt. Daarnaast is er wel voortvarend gehandeld vanaf het moment dat de maatregel is opgelegd. Verweerder verwijst naar het vertrekgesprek met eiser en een vluchtaanvraag op 1 mei 2026, een vluchtakkoord op 4 mei 2026 en een geplande vlucht op 8 mei 2026. Ook heeft eiser geen concrete belangen gesteld.
8. Naar het oordeel van de rechtbank moet de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvallen. De rechtbank acht hierbij doorslaggevend dat verweerder voor een periode van ruim een maand zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Dit is een substantiële periode, ook gelet op de nationaliteit van eiser (Bulgaars). Het is de rechtbank niet duidelijk waarom verweerder de handelingen die hij na strafrechtelijke detentie heeft verricht, niet ook tijdens strafrechtelijke detentie kon verrichten. Als verweerder dit wel had gedaan dan is het aannemelijk dat eiser niet in vreemdelingenbewaring had hoeven te worden geplaatst, maar direct of in elk geval kort na strafrechtelijke detentie kon worden uitgezet naar Bulgarije. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat eiser beschikt over een geldig Bulgaars identiteitsbewijs. Het belang van eiser bij een zo kort mogelijke periode van vrijheidsontneming, vindt de rechtbank verder evident.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 7 mei 2026.
10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.280,-.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 7 mei 2026;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.280,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24030
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Heeft verweerder zijn inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie geschonden?
1. Uit paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt het uitgangspunt dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden. Als niet duidelijk is wanneer een vreemdeling vrijkomt, geldt deze inspanningsverplichting echter niet. In zo’n geval kan van verweerder niet worden gevergd dat de voorbereiding van de uitzetting steeds zo wordt ingericht, dat deze aansluit op de strafrechtelijke detentie en iedere vreemdelingbewaring achterwege kan blijven. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 januari 2018 (ECLI: NL:RVS:2018:17).
2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan deze inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring. Volgens eiser was verweerder bekend met de einddatum van de strafrechtelijke detentie en heeft verweerder tijdens eisers detentie geen handelingen verricht om te voorkomen dat eiser aansluitend in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld.
3. Verweerder betwist dat de einddatum van de strafrechtelijke detentie bekend was en dus dat de inspanningsverplichting is geschonden. Volgens verweerder werd namelijk uitgegaan van 1 mei 2026 als einddatum (zoals vermeld in de registratiekaart DJI van 23 maart 2026), terwijl de einddatum 28 april 2026 was (zoals blijkt uit het feit dat de bewaringsmaatregel van die datum is).
4. Naar het oordeel van de rechtbank is op zich juist dat de einddatum op de registratiekaart niet daadwerkelijk de einddatum van de strafrechtelijke detentie bleek te zijn. Dit vindt de rechtbank echter op zichzelf onvoldoende om verweerder te ontslaan van de inspanningsverplichting. Het gaat slechts om enkele dagen, terwijl de strafrechtelijke detentie al sinds 20 maart 2026 was aangevangen. Niet is gesteld of gebleken dat sprake was van zo’n onduidelijkheid over de einddatum dat het niet van verweerder kon worden gevergd om alvast de uitzetting voor te bereiden, bijvoorbeeld door het voeren van een vertrekgesprek in detentie.
5. De rechtbank oordeelt dan ook dat de inspanningsverplichting is geschonden.
Belangenafweging
6. De schending van de inspanningsverplichting leidt niet zonder meer tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 17 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:764), blijkt dat er in dat geval nog ruimte is voor een belangenafweging. In het feit dat een lagere rechtbank anders heeft geoordeeld, zoals eiser stelt, ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van de vaste lijn van de Afdeling.
7. Verweerder stelt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. In dat kader verwijst verweerder naar de niet-betwiste gronden van de maatregel, waaruit het risico op onttrekking volgt. Daarnaast is er wel voortvarend gehandeld vanaf het moment dat de maatregel is opgelegd. Verweerder verwijst naar het vertrekgesprek met eiser en een vluchtaanvraag op 1 mei 2026, een vluchtakkoord op 4 mei 2026 en een geplande vlucht op 8 mei 2026. Ook heeft eiser geen concrete belangen gesteld.
8. Naar het oordeel van de rechtbank moet de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvallen. De rechtbank acht hierbij doorslaggevend dat verweerder voor een periode van ruim een maand zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Dit is een substantiële periode, ook gelet op de nationaliteit van eiser (Bulgaars). Het is de rechtbank niet duidelijk waarom verweerder de handelingen die hij na strafrechtelijke detentie heeft verricht, niet ook tijdens strafrechtelijke detentie kon verrichten. Als verweerder dit wel had gedaan dan is het aannemelijk dat eiser niet in vreemdelingenbewaring had hoeven te worden geplaatst, maar direct of in elk geval kort na strafrechtelijke detentie kon worden uitgezet naar Bulgarije. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat eiser beschikt over een geldig Bulgaars identiteitsbewijs. Het belang van eiser bij een zo kort mogelijke periode van vrijheidsontneming, vindt de rechtbank verder evident.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 7 mei 2026.
10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.280,-.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 7 mei 2026;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.280,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.