Raad van State
ECLI:NL:RVS:2020:2449
2020-10-15
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202005105/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2020:2449 → ECLI:NL:RBLIM:2020:6943 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2020:986 Raad van State 08-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:1032 Raad van State 08-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:986 Raad van State 08-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:986 Raad van State 08-04-2020
Geciteerd door (110)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4264 Rechtbank Den Haag 29-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3580 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2737 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1721 Rechtbank Den Haag 16-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:870 Rechtbank Den Haag 31-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:868 Rechtbank Den Haag 31-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:789 Rechtbank Den Haag 30-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:357 Rechtbank Den Haag 18-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11139 Rechtbank Den Haag 06-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5698 Rechtbank Den Haag 08-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1324 Raad van State 04-05-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1633 Rechtbank Den Haag 24-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14737 Rechtbank Den Haag 27-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14710 Rechtbank Den Haag 24-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14440 Rechtbank Den Haag 15-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:13684 Rechtbank Den Haag 07-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12397 Rechtbank Den Haag 12-11-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12380 Rechtbank Den Haag 09-11-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12305 Rechtbank Den Haag 05-11-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12254 Rechtbank Den Haag 04-11-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12747 Rechtbank Den Haag 01-11-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11835 Rechtbank Den Haag 29-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12746 Rechtbank Den Haag 26-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11638 Rechtbank Den Haag 20-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11228 Rechtbank Den Haag 14-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16570 Rechtbank Den Haag 11-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11059 Rechtbank Den Haag 07-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11134 Rechtbank Den Haag 05-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10944 Rechtbank Den Haag 01-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10738 Rechtbank Den Haag 28-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10649 Rechtbank Den Haag 24-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16937 Rechtbank Den Haag 21-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9523 Rechtbank Den Haag 23-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9520 Rechtbank Den Haag 23-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16520 Rechtbank Den Haag 11-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8897 Rechtbank Den Haag 10-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8851 Rechtbank Den Haag 09-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16518 Rechtbank Den Haag 04-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16163 Rechtbank Den Haag 30-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16284 Rechtbank Den Haag 29-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16282 Rechtbank Den Haag 29-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16122 Rechtbank Den Haag 20-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10861 Rechtbank Den Haag 09-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16076 Rechtbank Den Haag 09-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:7442 Rechtbank Den Haag 06-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:7540 Rechtbank Den Haag 02-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:6774 Rechtbank Den Haag 29-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:6774 Rechtbank Den Haag 29-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:6788 Rechtbank Den Haag 24-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:6587 Rechtbank Den Haag 23-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:6815 Rechtbank Den Haag 22-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:6351 Rechtbank Den Haag 17-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15858 Rechtbank Den Haag 16-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15872 Rechtbank Den Haag 15-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:6116 Rechtbank Den Haag 15-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:6054 Rechtbank Den Haag 11-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8882 Rechtbank Den Haag 07-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15839 Rechtbank Den Haag 25-05-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:5128 Rechtbank Den Haag 19-05-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15752 Rechtbank Den Haag 11-05-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (3.961 tekens)
202005105/1/V1.
Datum uitspraak: 15 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 september 2020 in zaak nr. NL20.12454 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 15 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Blijdorp, advocaat te Arkel, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. In beroep en hoger beroep heeft de vreemdeling een beroep gedaan op passages in het AIDA-rapport "Country Report: Italy 2019 Update" van de European Council on Refugees and Exiles van 27 mei 2020. De rechtbank is hierop niet ingegaan. Uit dit rapport komt echter geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren dan volgt uit de landeninformatie die reeds bij voornoemde uitspraak van 8 april 2020 is betrokken. Enkele door de vreemdeling aangehaalde passages (p.14 en p.15) hebben betrekking op maatregelen van tijdelijke aard die gerelateerd zijn aan de coronacrisis. Daarover heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1032) dat de omstandigheid dat de overdracht op dit moment niet kan worden uitgevoerd een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is, dat de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig maakt en er niet aan in de weg staat dat, als dat beletsel is opgeheven, de vreemdeling in beginsel alsnog kan worden overgedragen. De aangehaalde passage (p.62) over de uitspraak van de federale administratieve rechtbank van Zwitserland van 17 december 2019 biedt geen reden ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Anders dan uit de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, blijkt uit de Zwitserse uitspraak niet dat daarbij de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten op vragen van het EHRM zijn betrokken. De overige aangehaalde passages (p. 62, 63 en 64) bevatten informatie die ook is vermeld in het rapport van SFH/OSAR van januari 2020, dat al bij de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, is betrokken.
2. Voor het overige leidt het hoger beroep evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.G.M. Laarhoven, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Laarhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2020
392.
Datum uitspraak: 15 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 september 2020 in zaak nr. NL20.12454 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 15 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Blijdorp, advocaat te Arkel, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. In beroep en hoger beroep heeft de vreemdeling een beroep gedaan op passages in het AIDA-rapport "Country Report: Italy 2019 Update" van de European Council on Refugees and Exiles van 27 mei 2020. De rechtbank is hierop niet ingegaan. Uit dit rapport komt echter geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren dan volgt uit de landeninformatie die reeds bij voornoemde uitspraak van 8 april 2020 is betrokken. Enkele door de vreemdeling aangehaalde passages (p.14 en p.15) hebben betrekking op maatregelen van tijdelijke aard die gerelateerd zijn aan de coronacrisis. Daarover heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1032) dat de omstandigheid dat de overdracht op dit moment niet kan worden uitgevoerd een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is, dat de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig maakt en er niet aan in de weg staat dat, als dat beletsel is opgeheven, de vreemdeling in beginsel alsnog kan worden overgedragen. De aangehaalde passage (p.62) over de uitspraak van de federale administratieve rechtbank van Zwitserland van 17 december 2019 biedt geen reden ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Anders dan uit de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, blijkt uit de Zwitserse uitspraak niet dat daarbij de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten op vragen van het EHRM zijn betrokken. De overige aangehaalde passages (p. 62, 63 en 64) bevatten informatie die ook is vermeld in het rapport van SFH/OSAR van januari 2020, dat al bij de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, is betrokken.
2. Voor het overige leidt het hoger beroep evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.G.M. Laarhoven, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Laarhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2020
392.