Raad van State
ECLI:NL:RVS:2020:1850
2020-08-05
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201907763/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2020:1850 → ECLI:NL:RBROT:2019:8033 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 23 september 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2020:986 Raad van State 08-04-2020
Geciteerd door (25)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:5335 Rechtbank Den Haag 20-01-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12551 Rechtbank Den Haag 01-12-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12553 Rechtbank Den Haag 01-12-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14185 Rechtbank Den Haag 27-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:15010 Rechtbank Den Haag 25-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12495 Rechtbank Den Haag 24-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14657 Rechtbank Den Haag 19-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14653 Rechtbank Den Haag 19-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14655 Rechtbank Den Haag 19-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14658 Rechtbank Den Haag 19-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14901 Rechtbank Den Haag 16-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14979 Rechtbank Den Haag 13-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14972 Rechtbank Den Haag 13-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14899 Rechtbank Den Haag 13-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14905 Rechtbank Den Haag 06-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14902 Rechtbank Den Haag 05-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14886 Rechtbank Den Haag 02-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10862 Rechtbank Den Haag 29-10-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14768 Rechtbank Den Haag 16-10-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14766 Rechtbank Den Haag 16-10-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10840 Rechtbank Den Haag 16-10-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14651 Rechtbank Den Haag 25-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14609 Rechtbank Den Haag 23-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14400 Rechtbank Den Haag 21-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14563 Rechtbank Den Haag 21-09-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (3.536 tekens)
201907763/1/V1.
Datum uitspraak: 5 augustus 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 oktober 2019 in zaken nrs. NL19.22609 en NL19.22611 in het geding tussen:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluiten van 23 september 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. F. Ben-Saddek, advocaat te Rotterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de aanvragen niet in behandeling genomen, omdat Italië daar volgens hem verantwoordelijk voor is. De rechtbank heeft in de onlangs door de president van het EHRM getroffen interim measures, het AIDA-rapport van 16 april 2019, het SFH/OSAR-rapport van 8 mei 2019 en de brief van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk Nederland van 26 augustus 2019, aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat voor bijzonder kwetsbare personen individuele garanties nodig zijn om te waarborgen dat de noodzakelijke opvang- en zorgvoorzieningen in Italië aanwezig zijn.
2. Wat de staatssecretaris in de enige grief aanvoert, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord. Zie de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986. Uit wat de Afdeling onder 10.1 en 10.2 van die uitspraak heeft overwogen, volgt dat de staatssecretaris terecht aanvoert dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij voor Italië terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de door de president van het EHRM getroffen interim measures niet kunnen leiden tot een ander oordeel. Hierbij heeft de Afdeling het AIDA-rapport van 16 april 2019 en het recentere SFH/OSAR-rapport van 21 januari 2020 betrokken. De brief van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk Nederland schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan die die de Afdeling reeds heeft beoordeeld.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 oktober 2019 in zaken nrs. NL19.22609 en NL19.22611;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Van Eck w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020
282-938.
Datum uitspraak: 5 augustus 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 oktober 2019 in zaken nrs. NL19.22609 en NL19.22611 in het geding tussen:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluiten van 23 september 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. F. Ben-Saddek, advocaat te Rotterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de aanvragen niet in behandeling genomen, omdat Italië daar volgens hem verantwoordelijk voor is. De rechtbank heeft in de onlangs door de president van het EHRM getroffen interim measures, het AIDA-rapport van 16 april 2019, het SFH/OSAR-rapport van 8 mei 2019 en de brief van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk Nederland van 26 augustus 2019, aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat voor bijzonder kwetsbare personen individuele garanties nodig zijn om te waarborgen dat de noodzakelijke opvang- en zorgvoorzieningen in Italië aanwezig zijn.
2. Wat de staatssecretaris in de enige grief aanvoert, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord. Zie de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986. Uit wat de Afdeling onder 10.1 en 10.2 van die uitspraak heeft overwogen, volgt dat de staatssecretaris terecht aanvoert dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij voor Italië terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de door de president van het EHRM getroffen interim measures niet kunnen leiden tot een ander oordeel. Hierbij heeft de Afdeling het AIDA-rapport van 16 april 2019 en het recentere SFH/OSAR-rapport van 21 januari 2020 betrokken. De brief van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk Nederland schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan die die de Afdeling reeds heeft beoordeeld.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 oktober 2019 in zaken nrs. NL19.22609 en NL19.22611;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Van Eck w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020
282-938.