Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2021:5335
2021-01-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL20.21467
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Italië, beroep ogg
Citeert (12)
- ECLI:NL:RVS:2018:4131 Raad van State 19-12-2018
- ECLI:NL:RVS:2019:1861 Raad van State 12-06-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:2845 Raad van State 22-08-2019
- ECLI:NL:RVS:2020:986 Raad van State 08-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:987 Raad van State 08-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:1850 Raad van State 05-08-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:2449 Raad van State 15-10-2020
- ECLI:NL:RVS:2018:4131 Raad van State 19-12-2018
- ECLI:NL:RVS:2020:2449 Raad van State 15-10-2020
- ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
- ECLI:NL:RVS:2020:986 Raad van State 08-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:1032 Raad van State 08-04-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.555 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.21467
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Dit betekent dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.
2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
3. Hierin is eiser niet geslaagd. De Afdeling heeft het Salvini-decreet eerder meegewogen in een beoordeling of ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook heeft de Afdeling het rapport van SFH en het AIDA-rapport betrokken in meerdere uitspraken. Geoordeeld is dat er weliswaar tekortkomingen zijn in het asielsysteem in Italië, maar deze informatie wijkt niet wezenlijk af van wat daarvoor al bekend was. Tot op heden kan dan ook nog worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van eiser mag bovendien worden verwacht dat hij zich bij problemen met opvang en het indienen van een asielverzoek wendt tot de daartoe aangewezen instanties of (hogere) autoriteiten in Italië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen in zijn geval niet mogelijk, uiterst moeilijk of zinloos is.
4. Voor zover de gronden gericht zijn op de positie van kwetsbaren in Italië overweegt de rechtbank dat ten aanzien van eiser niet is gebleken dat hij een kwetsbaar persoon is. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van kwetsbaarheid
in de zin van het arrest Tarakhel. Bovendien heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ook in het geval van kwetsbare vreemdelingen ten aanzien van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
6. In beroep stelt eiser zich op het standpunt dat er door de COVID-19 pandemie sprake is van een feitelijke belemmering, waardoor eiser niet kan worden overgedragen aan Italië. De rechtbank wijst op een uitspraak van de Afdeling waarin is bepaald dat hierdoor de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig is. Zodra de belemmeringen zijn opgeheven kan de vreemdeling in beginsel worden overgedragen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2021 door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.X. Scholten, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845), 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987), 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1850) en 15 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2449).
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2018:4131.
ECLI:NL:RVS:2020:2449.
Arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ECLI:NL:RVS:2020:986.
ECLI:NL:RVS:2020:1032.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.21467
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Dit betekent dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.
2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
3. Hierin is eiser niet geslaagd. De Afdeling heeft het Salvini-decreet eerder meegewogen in een beoordeling of ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook heeft de Afdeling het rapport van SFH en het AIDA-rapport betrokken in meerdere uitspraken. Geoordeeld is dat er weliswaar tekortkomingen zijn in het asielsysteem in Italië, maar deze informatie wijkt niet wezenlijk af van wat daarvoor al bekend was. Tot op heden kan dan ook nog worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van eiser mag bovendien worden verwacht dat hij zich bij problemen met opvang en het indienen van een asielverzoek wendt tot de daartoe aangewezen instanties of (hogere) autoriteiten in Italië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen in zijn geval niet mogelijk, uiterst moeilijk of zinloos is.
4. Voor zover de gronden gericht zijn op de positie van kwetsbaren in Italië overweegt de rechtbank dat ten aanzien van eiser niet is gebleken dat hij een kwetsbaar persoon is. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van kwetsbaarheid
in de zin van het arrest Tarakhel. Bovendien heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ook in het geval van kwetsbare vreemdelingen ten aanzien van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
6. In beroep stelt eiser zich op het standpunt dat er door de COVID-19 pandemie sprake is van een feitelijke belemmering, waardoor eiser niet kan worden overgedragen aan Italië. De rechtbank wijst op een uitspraak van de Afdeling waarin is bepaald dat hierdoor de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig is. Zodra de belemmeringen zijn opgeheven kan de vreemdeling in beginsel worden overgedragen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2021 door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.X. Scholten, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845), 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987), 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1850) en 15 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2449).
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2018:4131.
ECLI:NL:RVS:2020:2449.
Arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ECLI:NL:RVS:2020:986.
ECLI:NL:RVS:2020:1032.