Raad van State
ECLI:NL:RVS:2019:4404
2019-12-24
Bestuursrecht
201902796/1/A2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 maart 2018 heeft de ISD de schuldhulpverlening aan [appellant] per 7 maart 2018 beëindigd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2018:961 Raad van State 21-03-2018
- ECLI:NL:RVS:2008:BE9272 Raad van State 27-08-2008
Geciteerd door (69)
- ECLI:NL:RVS:2026:5419 Raad van State 11-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5058 Raad van State 27-08-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:4861 Raad van State 19-08-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3295 Rechtbank Noord-Nederland 27-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5995 Rechtbank Gelderland 23-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5425 Rechtbank Gelderland 09-07-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8033 Rechtbank Amsterdam 08-07-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:8549 Rechtbank Rotterdam 01-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4902 Rechtbank Gelderland 23-06-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:3198 Rechtbank Overijssel 09-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3801 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-05-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3284 Rechtbank Noord-Nederland 31-03-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2980 Rechtbank Amsterdam 04-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1694 Rechtbank Noord-Holland 20-02-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3007 Rechtbank Amsterdam 06-01-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2025:7300 Rechtbank Overijssel 10-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22975 Rechtbank Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:6932 Rechtbank Oost-Brabant 30-10-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:8416 Rechtbank Gelderland 09-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4547 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3857 Raad van State 13-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3247 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3159 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5480 Rechtbank Gelderland 11-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2618 Raad van State 11-06-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:2193 Rechtbank Midden-Nederland 08-05-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:2159 Rechtbank Amsterdam 26-03-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1642 Rechtbank Gelderland 03-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1019 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-02-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:1609 Rechtbank Rotterdam 11-02-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:539 Rechtbank Noord-Nederland 03-02-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2024:5071 Rechtbank Noord-Nederland 12-12-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:6699 Rechtbank Midden-Nederland 05-12-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:7213 Rechtbank Amsterdam 27-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4013 Raad van State 04-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:3113 Raad van State 31-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:3111 Raad van State 31-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2806 Raad van State 10-07-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:8586 Rechtbank Amsterdam 05-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2707 Raad van State 03-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2579 Raad van State 26-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22874 Rechtbank Den Haag 10-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2133 Raad van State 22-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1610 Raad van State 17-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5415 Rechtbank Den Haag 16-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4212 Rechtbank Den Haag 26-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4574 Rechtbank Den Haag 12-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:3853 Raad van State 18-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3854 Raad van State 18-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2855 Raad van State 26-07-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2207 Raad van State 07-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2109 Raad van State 31-05-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:4579 Rechtbank Noord-Holland 25-05-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2016 Raad van State 24-05-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:2474 Rechtbank Gelderland 01-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2797 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-04-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:866 Rechtbank Gelderland 20-02-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:460 Rechtbank Gelderland 31-01-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1 Rechtbank Gelderland 03-01-2023
- ECLI:NL:RVS:2022:3363 Raad van State 22-11-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (5.431 tekens)
201902796/1/A2.
Datum uitspraak: 24 december 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2019 in zaak nr. 18/4773 in het geding tussen:
[appellant]
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: de ISD).
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2018 heeft de ISD de schuldhulpverlening aan [appellant] per 7 maart 2018 beëindigd.
Bij besluit van 11 juni 2018 heeft de ISD het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De ISD heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en de ISD hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Bathoorn, advocaat te Noordwijkerhout, en de ISD, vertegenwoordigd door mr. D.F. Rosenbaum, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft zich in september 2017 bij de ISD gemeld voor schuldhulpverlening. Op 26 oktober 2017 heeft een intakegesprek plaatsgevonden, waarbij onder meer is gesproken over een voorgenomen woningontruiming als gevolg van een huurachterstand. Bij besluit van 31 oktober 2017 heeft de ISD [appellant] toegelaten tot de schuldhulpverlening in de fase informatie en advies. Daarbij heeft de ISD hem medegedeeld dat vanwege de instabiele woonsituatie nog geen schuldregeling kan worden opgezet en dat de schuldhulpverlening zal worden beëindigd bij woningontruiming en als [appellant] geen vaste woonplaats heeft binnen een gemeente waar de ISD werkzaam is. Op 7 maart 2018 is de woning van [appellant] ontruimd. Hij heeft zich op 9 maart 2018 ingeschreven in Nieuw Heeten, een plaats in Overijssel. Op 24 april 2018 is [appellant] ingeschreven in Noordwijkerhout, een plaats in een gemeente binnen het werkgebied van de ISD.
2. Aan de beëindiging van de schuldhulpverlening heeft de ISD ten grondslag gelegd dat [appellant] op 7 maart 2018 geen vaste woonplaats meer had binnen het werkgebied van de ISD.
Procesbelang bij het hoger beroep
3. De ISD heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat [appellant] geen, dan wel onvoldoende procesbelang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep, omdat hij inmiddels is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen, en de beëindiging van de fase informatie en advies niet heeft geleid tot financieel nadeel voor hem.
4. [appellant] heeft zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat hij om principiële redenen belang heeft bij het hoger beroep en dat hij schade heeft geleden als gevolg van de woningontruiming.
4.1. Zoals volgt uit eerdere uitspraken van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:961, en 27 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE9272), hoeft de bestuursrechter een bij hem ingediend (hoger) beroep alleen inhoudelijk te beoordelen, als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Indien dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Belang bij een (hoger) beroep kan onder meer worden aangenomen, indien wordt gesteld dat ten gevolge van de in geding zijnde besluitvorming schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen en dit tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt.
4.2. In dit geval is [appellant] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, wat betekent dat hij niet meer in aanmerking komt voor de schuldhulpverlening zoals aangeboden door de ISD. In zoverre heeft hij geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. De gestelde schade is geen gevolg van het besluit van 15 maart 2018. Nu hij desgevraagd ook ter zitting niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt schade te hebben geleden als gevolg van de beëindiging van de schuldhulpverlening, heeft de ISD zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] geen actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. De wens een principiële uitspraak van de Afdeling te krijgen, levert als zodanig onvoldoende procesbelang op.
Eindoordeel
5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.
w.g. Van Ravels w.g. De Vries-Biharie
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019
611.
Datum uitspraak: 24 december 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2019 in zaak nr. 18/4773 in het geding tussen:
[appellant]
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: de ISD).
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2018 heeft de ISD de schuldhulpverlening aan [appellant] per 7 maart 2018 beëindigd.
Bij besluit van 11 juni 2018 heeft de ISD het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De ISD heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en de ISD hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Bathoorn, advocaat te Noordwijkerhout, en de ISD, vertegenwoordigd door mr. D.F. Rosenbaum, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft zich in september 2017 bij de ISD gemeld voor schuldhulpverlening. Op 26 oktober 2017 heeft een intakegesprek plaatsgevonden, waarbij onder meer is gesproken over een voorgenomen woningontruiming als gevolg van een huurachterstand. Bij besluit van 31 oktober 2017 heeft de ISD [appellant] toegelaten tot de schuldhulpverlening in de fase informatie en advies. Daarbij heeft de ISD hem medegedeeld dat vanwege de instabiele woonsituatie nog geen schuldregeling kan worden opgezet en dat de schuldhulpverlening zal worden beëindigd bij woningontruiming en als [appellant] geen vaste woonplaats heeft binnen een gemeente waar de ISD werkzaam is. Op 7 maart 2018 is de woning van [appellant] ontruimd. Hij heeft zich op 9 maart 2018 ingeschreven in Nieuw Heeten, een plaats in Overijssel. Op 24 april 2018 is [appellant] ingeschreven in Noordwijkerhout, een plaats in een gemeente binnen het werkgebied van de ISD.
2. Aan de beëindiging van de schuldhulpverlening heeft de ISD ten grondslag gelegd dat [appellant] op 7 maart 2018 geen vaste woonplaats meer had binnen het werkgebied van de ISD.
Procesbelang bij het hoger beroep
3. De ISD heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat [appellant] geen, dan wel onvoldoende procesbelang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep, omdat hij inmiddels is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen, en de beëindiging van de fase informatie en advies niet heeft geleid tot financieel nadeel voor hem.
4. [appellant] heeft zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat hij om principiële redenen belang heeft bij het hoger beroep en dat hij schade heeft geleden als gevolg van de woningontruiming.
4.1. Zoals volgt uit eerdere uitspraken van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:961, en 27 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE9272), hoeft de bestuursrechter een bij hem ingediend (hoger) beroep alleen inhoudelijk te beoordelen, als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Indien dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Belang bij een (hoger) beroep kan onder meer worden aangenomen, indien wordt gesteld dat ten gevolge van de in geding zijnde besluitvorming schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen en dit tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt.
4.2. In dit geval is [appellant] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, wat betekent dat hij niet meer in aanmerking komt voor de schuldhulpverlening zoals aangeboden door de ISD. In zoverre heeft hij geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. De gestelde schade is geen gevolg van het besluit van 15 maart 2018. Nu hij desgevraagd ook ter zitting niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt schade te hebben geleden als gevolg van de beëindiging van de schuldhulpverlening, heeft de ISD zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] geen actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. De wens een principiële uitspraak van de Afdeling te krijgen, levert als zodanig onvoldoende procesbelang op.
Eindoordeel
5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.
w.g. Van Ravels w.g. De Vries-Biharie
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019
611.