Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:3007

2026-01-06 Bestuursrecht AMS 24/5036
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-01-06
Publicatiedatum
2026-03-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 24/5036
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Raad voor Rechtsbijstand, toevoeging, hetzelfde rechtsbelang, diversiteit aan procedures, beroep van eiser ongegrond, beroep van eiseres niet-ontvankelijk.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.344 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht


Zaaknummer: AMS 24/5036


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [plaats] , eiseres


en





[eiser], uit [plaats] , eiser
hierna samen te noemen: eisers


en




het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, de Raad
(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand.



1.1.
Bij besluit van 27 maart 2024 (het primaire besluit) heeft de Raad de aanvraag om een toevoeging (kenmerk: [kenmerk 1] ) afgewezen.



1.2.
Bij besluit van 23 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de Raad het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



1.3.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



1.4.
De Raad heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 6 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de Raad deelgenomen. Eisers waren niet aanwezig.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eisers tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is en het beroep van eiser ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Achtergrond en besluitvorming



4. Uit de stukken blijkt dat eiseres als eisende partij een hoger beroepsprocedure wilde voeren tegen een op 22 november 2023 gewezen vonnis door de rechtbank Noord-Holland. Eiseres heeft zich in de procedure in eerste aanleg niet laten bijstaan door een advocaat, maar door haar ex-partner. In eerste aanleg is er dus geen toevoeging voor rechtsbijstand verleend. De zaak heeft betrekking op een vordering van de wederpartij [bedrijf] B.V. tot teruggave van een leaseauto en betaling van het openstaande leasebedrag.

5. Eisers hebben op 21 december 2023 een toevoeging aangevraagd omdat eiseres advies wilde of hoger beroep bij het gerechtshof zinvol of haalbaar was. Op deze aanvraag heeft de Raad op 22 maart 2024 positief beslist en de toevoeging met kenmerk [kenmerk 2] verleend.

6. Eisers hebben op 28 januari 2024 een andere aanvraag om een toevoeging ingediend. Ditmaal volgens eisers omdat eiseres een advocaat nodig heeft voor het hoger beroep. De Raad heeft deze toevoeging in het primaire besluit afgewezen omdat het verzoek betrekking heeft op een rechtsbelang waarvan aanspraak kan worden gemaakt op rechtsbijstand op grond van de eerder verstrekte toevoeging met nummer [kenmerk 2] . De werkzaamheden vallen volgens de Raad onder het bereik van deze eerder verstrekte toevoeging.

7. Met het bestreden besluit van 23 juli 2024 is de Raad bij de afwijzing gebleven. De Raad stelt dat er geen diversiteit van rechtsbelangen aanwezig is. Zowel de advisering over het instellen van hoger beroep als het voeren van de hoger beroepsprocedure ziet op dezelfde vordering van de wederpartij, namelijk de vordering tot het inleveren van de leaseauto en betaling van de achterstallige leasebedragen. Ook is er geen sprake van diversiteit aan procedures. Het gaat om één hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof Amsterdam.



Het beroep van eiseres



8. Eiser heeft mede namens eiseres het beroep ingediend. In het bestuursrecht is het zo dat iemand die in beroep gaat hierbij belang moet hebben. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener met het ingestelde rechtsmiddel voor ogen staat, moet kunnen worden bereikt en voor haar feitelijk van betekenis is. Eiseres is de rechtszoekende. Eiseres beoogde met het indienen van het beroep te bereiken dat een tweede toevoeging werd verleend. Op de zitting heeft de rechtbank van de Raad vernomen dat de procedure waarvoor de toevoeging om rechtsbijstand is aangevraagd is afgesloten, nu het Gerechtshof Amsterdam een arrest heeft gewezen waarbij de vordering integraal is afgewezen. Hiermee is de rechtsbijstand dus ook beëindigd. Het doel dat eiseres voor ogen had, was dus al bereikt. Verder is niet gebleken van financiële of andere gevolgen voor haar. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft. De rechtbank zal het beroep ten aanzien van eiseres dan ook niet-ontvankelijk verklaren.



Het beroep van eiser



9. Eiser heeft het beroepschrift ook namens zichzelf ingediend. De rechtbank is ten aanzien van eiser van oordeel dat hij wel procesbelang heeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, leidt een afwijzing van een verzoek om een toevoeging, omdat sprake is van een rechtsbelang waarvoor al eerder een toevoeging is verleend, ertoe dat een advocaat zich voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand alleen kan beroepen op de eerdere toevoeging. Het belang van de rechtsbijstandsverlener is gelegen in het verkrijgen van een vergoeding voor door hem verrichte werkzaamheden die naar zijn mening niet vallen onder de eerder ten behoeve van zijn cliënt verleende toevoeging. De rechtbank zal het beroep namens eiser verder behandelen.



Toetsingskader



10. Bij de aanvraag om een toevoeging beoordeelt de Raad of sprake is van een rechtsbelang waarvoor de aanvrager al rechtsbijstand kan krijgen op grond van een eerder afgegeven toevoeging. Als de Raad van mening is dat de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang waarvoor de aanvrager al aanspraak kan maken op een eerdere toevoeging, dan kan de Raad de toevoeging weigeren. Een toevoeging vermeldt de omschrijving van het rechtsbelang waarvoor de toevoeging is verleend.

11. Voor de vraag of sprake is van hetzelfde rechtsbelang, moet allereerst worden gekeken naar het doel en het beoogde eindresultaat van de rechtsbijstand. Daarbij is het feitencomplex van belang. Als het doel en beoogd eindresultaat van de verschillende toevoegingen identiek is, dan is sprake van één rechtsbelang. Als er één rechtsbelang is, kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van behandeling van een procedure in meer dan één instantie. Het beleid van de Raad, dat mede is neergelegd in de werkinstructie "Bereik", is hiermee in overeenstemming. Bij de beoordeling van de vraag, of een aanvraag om een toevoeging betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging, komt de Raad beoordelingsruimte toe.



Hetzelfde rechtsbelang



12. Eiser voert aan dat er niet sprake is van hetzelfde rechtsbelang ten aanzien van beide toevoegingen. De Raad stelt ten onrechte dat er sprake is van dezelfde rechtsvordering. In de ene zaak laat eiseres haar rechtspositie bepalen en in de andere zaak voert zij verweer tegen de tegen haar ingebrachte vorderingen. Deze rechtsbelangen zijn duidelijk verschillend (advies en verweer), waarbij wordt opgemerkt dat beide rechtsbelangen ook door twee verschillende advocaten behartigd hadden kunnen worden. Verder staan beide zaken ook los van elkaar in die zin, dat eiser ook had kunnen adviseren niet in hoger beroep te gaan, met als gevolg dat geen toevoeging was aangevraagd voor een hoger beroep.


12.1.
De rechtbank is van oordeel dat de Raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het doel en beoogde eindresultaat van de gevraagde rechtsbijstand identiek is en dus dat er sprake is van hetzelfde rechtsbelang. Op de zitting heeft de gemachtigde van de Raad aangegeven dat in het besluit op een ongelukkige wijze is geformuleerd dat het in beide zaken gaat om hetzelfde rechtsbelang nu het gaat om het bepalen van de rechtspositie en het verweren tegen die vorderingen. In het verweerschrift en op de zitting is dit verduidelijkt. Waar het in de kern om gaat en dus wat het rechtsbelang is, is in beiden zaken dat eiseres wenst op te komen tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, nu zij zich in de uitkomst niet kan vinden. Om die reden heeft zij advies gevraagd en vervolgens is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Dit kan de rechtbank volgen. Ook mocht de Raad zich op het standpunt stellen dat advisering over mogelijk hoger beroep niet los gezien kan worden van het daadwerkelijk instellen van hoger beroep. De vraag naar de haalbaarheid en daarmee de rechtspositie vormt onderdeel van het beoogde eindresultaat (opkomen tegen het vonnis/vordering). Daarnaast is ook het feitencomplex in beide zaken identiek.



Diversiteit aan procedures




13. Daarnaast voert eiser aan dat er wel sprake is van een diversiteit aan procedures. Volgens eiser is evident sprake geweest van deze diversiteit, daar zowel geprocedeerd is bij de rechtbank als bij het gerechtshof, zij het dat voor de procedure bij de rechtbank zelf geen toevoeging is gevraagd.




13.1.
De rechtbank is het met de Raad eens dat er geen sprake is van diversiteit aan procedures. Daarvoor is van belang of op basis van de eerder afgegeven toevoeging een procedure is gevoerd en of op de gevraagde toevoeging daadwerkelijk een procedure bij een andere instantie is gevoerd. Door eiser wordt enkel rechtsbijstand verleend inzake de procedure bij het gerechtshof en is geen rechtsbijstand verleend bij de rechtbank. Daarnaast is bij het adviseren over een procedure geen sprake van procederen.



Uitspraak van de Afdeling




14. Eiser stelt dat gelet op de uitspraak van de Afdeling van juli 2016 toch toegevoegd zou kunnen en behoren te worden ter zake het adviseren over een eventueel hoger beroep. Aan dit advies komt zelfstandige betekenis toe, omdat het advies ook negatief kon zijn (waarna er geen hoger beroep komt) of omdat het hoger beroep ook door een andere advocaat gedaan kan worden. Volgens eiser zijn het advies geven over het hoger beroep en het procederen in hoger beroep dus afzonderlijk van elkaar te beschouwen en de Afdeling heeft ook geoordeeld dat het adviseren over een hoger beroep niet valt onder het bereik van het hoger beroep zelf. De beleidsregels lijken hier niet in voorzien te hebben.




14.1.
De rechtbank is het met de Raad eens dat deze uitspraak niet van toepassing is op eiser. In deze zaak was er namelijk een toevoeging verleend zowel voor beroep als hoger beroep. Vervolgens werd het hoger beroep ingetrokken, maar dat hoger beroep was wel ingediend. Er moest gekeken worden naar hoe de punten verdeeld moesten worden in de toevoegingen, dus waar het adviseren over het hoger beroep in deze specifieke casus ondergebracht moest worden, bij de toevoeging voor het beroep of het hoger beroep. Hier is in de zaak van eiser geen sprake van, nu er geen eerdere toevoeging is verleend dan de toevoeging in hoger beroep. De Raad heeft kunnen stellen dat in het geval er geen eerdere toevoeging is verleend, uitgegaan mag worden van de hoofdregel zoals die staat aangegeven in de overzichtsuitspraak, namelijk dat een toevoeging alle werkzaamheden omvat voor het behartigen van het op de toevoeging vermelde rechtsbelang. Nu in de voorgaande overwegingen van deze uitspraak al is geoordeeld dat er sprake is van hetzelfde rechtsbelang en alle werkzaamheden dus onder het bereik van de eerste toevoeging vallen, kan ook deze beroepsgrond niet slagen.




Conclusie en gevolgen

15. Het beroep van eiser is ongegrond. Dat betekent dat de Raad de toevoeging mocht afwijzen.

16. Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk.

17. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.



Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ten aanzien van eiseres niet-ontvankelijk.
- verklaart het beroep ten aanzien van eiser ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2382.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2194.


Dit volgt uit de artikelen 28 en 32 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2376


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3383, onder 10.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:155.


ECLI:NL:RVS:2016:1865.


Zie r.o. 6 van de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:155.