Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3284

2026-03-31 Bestuursrecht LEE 24/866
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-03-31
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 24/866
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Woo. Procesbelang. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat verweerder tijdens de beroepsprocedure alsnog de e-mail met opmerkingen over het hoorzittingsverslag aan het bestreden besluit heeft toegevoegd. Geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.848 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 24/866


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers


en


Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, verweerder
(gemachtigden: L. Sijtsma en S. Douma).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen het besluit van verweerder op hun verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Het beroep van eisers richt zich tegen de gang van zaken na de hoorzitting in de bezwaarfase. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte een e-mail van 12 december 2023 – met daarin opmerkingen over het verslag van de hoorzitting – niet betrokken bij de beslissing op bezwaar. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is omdat procesbelang ontbreekt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het primaire besluit van 18 september 2023 heeft verweerder het Woo-verzoek van eisers (gedeeltelijk) toegewezen.



2.1.
Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en hebben hun bezwaren toegelicht op de hoorzitting van 16 november 2023. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld op het verslag van te hoorzitting te reageren en aan te geven of zij het bezwaar handhaven of intrekken.



2.2.
Eisers hebben op 18 november 2023 aangegeven het bezwaar te willen handhaven.



2.3.
Eisers hebben op 12 december 2023 per e-mail opmerkingen geplaatst over het verslag van de hoorzitting.



2.4.
Met het bestreden besluit van 16 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Verweerder heeft de e-mail van 12 december 2023 niet betrokken bij de beslissing op bezwaar.



2.5.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.




2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van verweerder.



2.7.
Ter zitting is het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen de e-mail van 12 december 2023 alsnog bij het bestreden besluit te betrekken.



2.8.
Verweerder heeft met het correctiebesluit van 24 juni 2025 het oorspronkelijke bestreden besluit aangevuld en de e-mail van 12 december 2023 aan het bestreden besluit gehecht. Eisers hebben daarop gereageerd en laten weten het beroep te handhaven. Eisers verzoeken de rechtbank te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden. Verweerder heeft aangegeven hiervoor geen aanleiding te zien.



2.9.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



Is er procesbelang?




3. Om te beoordelen of het beroep ontvankelijk is, zal de rechtbank beoordelen of eisers procesbelang hebben. De rechtbank overweegt dat het procesbelang het belang is dat de betrokkene heeft bij de uitkomst van de procedure, wat hij concreet met zijn beroep wil bereiken. Het betreft niet de vraag of de betrokkene gelijk heeft, het gaat erom of hij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat zou hebben. Reëel belang vereist dat er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit. Het doel dat hem voor ogen staat, moet met het rechtsmiddel kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis zijn. Als een betrokkene geen procesbelang (meer) heeft bij zijn beroep, is zijn beroep niet-ontvankelijk.



3.1.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil dat verweerder bij het bestreden besluit geen acht heeft geslagen op de e-mail van eisers van 12 december 2023. Naar aanleiding van de schorsing ter zitting heeft verweerder deze e-mail alsnog aan het bestreden besluit gehecht. De rechtbank stelt vast dat eisers daarmee hebben bereikt waar zij om verzocht hadden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake meer van procesbelang.



Moet verweerder het griffierecht vergoeden?




4. Eisers hebben verzocht om vergoeding van het griffierecht. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestaat om te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden. Het nadien toevoegen van de e-mail met de opmerkingen van eisers over het hoorzittingsverslag aan het bestreden besluit, betreft slechts een administratieve aanvulling en is geen herstel van een gebrek in de besluitvorming. Van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid dat tot een herroepen bestreden besluit heeft geleid, is geen sprake. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.






Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404, r.o. 4.1.


Artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.