Raad van State
ECLI:NL:RVS:2018:67
2018-01-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201709453/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2018:67 → ECLI:NL:RBAMS:2017:8570 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 31 oktober 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2016:2005 Raad van State 13-07-2016
- ECLI:NL:RVS:2017:504 Raad van State 21-02-2017
- ECLI:NL:RVS:2016:1089 Raad van State 13-04-2016
Geciteerd door (44)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11552 Rechtbank Den Haag 12-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11498 Rechtbank Den Haag 12-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10239 Rechtbank Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1628 Rechtbank Den Haag 30-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:5945 Raad van State 11-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19178 Rechtbank Den Haag 20-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18017 Rechtbank Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10810 Rechtbank Den Haag 10-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9863 Rechtbank Den Haag 03-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12906 Rechtbank Den Haag 02-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4454 Rechtbank Den Haag 18-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21620 Rechtbank Den Haag 19-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20630 Rechtbank Den Haag 14-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14874 Rechtbank Den Haag 19-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8735 Rechtbank Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5842 Rechtbank Den Haag 22-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1206 Raad van State 25-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3888 Rechtbank Den Haag 20-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2503 Rechtbank Den Haag 28-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:779 Rechtbank Den Haag 22-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:514 Rechtbank Den Haag 16-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:21111 Rechtbank Den Haag 18-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18126 Rechtbank Den Haag 30-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16574 Rechtbank Den Haag 10-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:17808 Rechtbank Den Haag 27-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:12255 Rechtbank Den Haag 01-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11415 Rechtbank Den Haag 04-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1822 Rechtbank Den Haag 13-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2794 Rechtbank Den Haag 09-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10634 Rechtbank Den Haag 11-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10634 Rechtbank Den Haag 11-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:9222 Rechtbank Den Haag 08-09-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2287 Raad van State 08-08-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2190 Raad van State 29-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1169 Raad van State 21-04-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10957 Rechtbank Den Haag 07-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11250 Rechtbank Den Haag 04-03-2022
- ECLI:NL:RVS:2021:2096 Raad van State 17-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8769 Rechtbank Den Haag 23-06-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:705 Raad van State 07-04-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:1308 Rechtbank Den Haag 01-02-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:631 Rechtbank Den Haag 27-01-2020
- ECLI:NL:RVS:2019:3349 Raad van State 04-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2018:2083 Raad van State 12-06-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (4.840 tekens)
201709453/1/V3.
Datum uitspraak: 10 januari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 november 2017 in zaak nr. NL17.11846 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 21 november 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft op 19 oktober 2017 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van diezelfde datum is de vreemdeling krachtens artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 27 oktober 2017 heeft de vreemdeling voornoemde aanvraag ingetrokken. Vervolgens is de vreemdeling bij besluit van 31 oktober 2017 krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling heeft tegen deze laatste maatregel beroep ingesteld bij de rechtbank.
2. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005, ten onrechte heeft overwogen dat, omdat de maatregel van 19 oktober 2017 hier niet ter toetsing voorligt zij niet toekomt aan de vraag of die maatregel te laat is omgezet. De vreemdeling wijst daartoe op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504, en betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hieruit volgt dat het niet-tijdig opleggen van de maatregel van 31 oktober 2017 in deze procedure wel ter toetsing voorligt. Nu de maatregel van 31 oktober 2017 te laat is opgelegd had de rechtbank gelet hierop volgens de vreemdeling moeten oordelen dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, zodat dat besluit onrechtmatig is.
3. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1089, geldt iedere bewaringsmaatregel waaraan andere vereisten worden gesteld dan de daaraan voorafgaande bewaringsmaatregel, als een nieuwe maatregel tot inbewaringstelling.
Zoals volgt uit voornoemde uitspraak van 13 juli 2016 moet tegen elke nieuwe maatregel van bewaring apart beroep worden ingesteld. Tevens volgt uit deze uitspraak dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het aan de eerste maatregel van bewaring klevende gebrek de daaropvolgende maatregel niet reeds daarom van aanvang af onrechtmatig maakt.
3.1. De vraag of de maatregel van 31 oktober 2017 tijdig is opgelegd houdt een beoordeling in van de vraag of de maatregel van 19 oktober 2017 vanaf de intrekking van het asielverzoek op 27 oktober 2017 tot aan de opheffing ervan op 19 oktober 2017 op de juiste wettelijke grondslag heeft voortgeduurd. Nu de maatregel van 19 oktober 2017 bij de rechtbank niet ter beoordeling voorlag heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze vraag thans niet kan worden beantwoord. Deze vraag dient de vreemdeling aan de orde te stellen in een eerste beroep tegen de maatregel van 19 oktober 2017 of, als de rechtbank hier al over heeft geoordeeld, in een beroep tegen het voortduren daarvan. De Afdeling komt hiermee terug op de uitspraak van 21 februari 2017, voor zover zij daarin de periode voorafgaand aan de daar voorliggende maatregel van bewaring bij haar beoordeling heeft betrokken.
De grief faalt.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Verheij w.g. Annen
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2018
765.
Datum uitspraak: 10 januari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 november 2017 in zaak nr. NL17.11846 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 21 november 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft op 19 oktober 2017 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van diezelfde datum is de vreemdeling krachtens artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 27 oktober 2017 heeft de vreemdeling voornoemde aanvraag ingetrokken. Vervolgens is de vreemdeling bij besluit van 31 oktober 2017 krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling heeft tegen deze laatste maatregel beroep ingesteld bij de rechtbank.
2. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005, ten onrechte heeft overwogen dat, omdat de maatregel van 19 oktober 2017 hier niet ter toetsing voorligt zij niet toekomt aan de vraag of die maatregel te laat is omgezet. De vreemdeling wijst daartoe op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504, en betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hieruit volgt dat het niet-tijdig opleggen van de maatregel van 31 oktober 2017 in deze procedure wel ter toetsing voorligt. Nu de maatregel van 31 oktober 2017 te laat is opgelegd had de rechtbank gelet hierop volgens de vreemdeling moeten oordelen dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, zodat dat besluit onrechtmatig is.
3. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1089, geldt iedere bewaringsmaatregel waaraan andere vereisten worden gesteld dan de daaraan voorafgaande bewaringsmaatregel, als een nieuwe maatregel tot inbewaringstelling.
Zoals volgt uit voornoemde uitspraak van 13 juli 2016 moet tegen elke nieuwe maatregel van bewaring apart beroep worden ingesteld. Tevens volgt uit deze uitspraak dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het aan de eerste maatregel van bewaring klevende gebrek de daaropvolgende maatregel niet reeds daarom van aanvang af onrechtmatig maakt.
3.1. De vraag of de maatregel van 31 oktober 2017 tijdig is opgelegd houdt een beoordeling in van de vraag of de maatregel van 19 oktober 2017 vanaf de intrekking van het asielverzoek op 27 oktober 2017 tot aan de opheffing ervan op 19 oktober 2017 op de juiste wettelijke grondslag heeft voortgeduurd. Nu de maatregel van 19 oktober 2017 bij de rechtbank niet ter beoordeling voorlag heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze vraag thans niet kan worden beantwoord. Deze vraag dient de vreemdeling aan de orde te stellen in een eerste beroep tegen de maatregel van 19 oktober 2017 of, als de rechtbank hier al over heeft geoordeeld, in een beroep tegen het voortduren daarvan. De Afdeling komt hiermee terug op de uitspraak van 21 februari 2017, voor zover zij daarin de periode voorafgaand aan de daar voorliggende maatregel van bewaring bij haar beoordeling heeft betrokken.
De grief faalt.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Verheij w.g. Annen
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2018
765.