Raad van State
ECLI:NL:RVS:2016:2005
2016-07-13
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201603430/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2016:2005 → ECLI:NL:RBAMS:2016:2644 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 april 2016 is de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2009:BH6972 Raad van State 09-03-2009
- ECLI:NL:RVS:2006:AX6473 Raad van State 16-05-2006
- ECLI:NL:RVS:2003:197 Raad van State 14-03-2003
- ECLI:NL:RVS:2005:AS4939 Raad van State 27-01-2005
- ECLI:NL:RVS:2016:949 Raad van State 30-03-2016
Geciteerd door (53)
- ECLI:NL:RVS:2025:5945 Raad van State 11-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19646 Rechtbank Den Haag 16-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18542 Rechtbank Den Haag 06-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16841 Rechtbank Den Haag 01-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14896 Rechtbank Den Haag 01-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17556 Rechtbank Den Haag 01-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14768 Rechtbank Den Haag 01-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13752 Rechtbank Den Haag 21-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11242 Rechtbank Den Haag 25-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8729 Rechtbank Den Haag 16-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7568 Rechtbank Den Haag 04-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19069 Rechtbank Den Haag 19-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17824 Rechtbank Den Haag 28-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16568 Rechtbank Den Haag 11-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16507 Rechtbank Den Haag 10-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16000 Rechtbank Den Haag 01-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14665 Rechtbank Den Haag 09-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12278 Rechtbank Den Haag 06-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10843 Rechtbank Den Haag 28-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8499 Rechtbank Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8499 Rechtbank Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6773 Rechtbank Den Haag 03-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5842 Rechtbank Den Haag 22-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1217 Raad van State 26-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1202 Rechtbank Den Haag 02-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20794 Rechtbank Den Haag 21-12-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:4563 Raad van State 08-12-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:4361 Raad van State 24-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18057 Rechtbank Den Haag 23-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:15479 Rechtbank Den Haag 13-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3508 Raad van State 11-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2353 Raad van State 16-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2353 Raad van State 16-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1696 Rechtbank Den Haag 15-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2794 Rechtbank Den Haag 09-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2021:2096 Raad van State 17-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8769 Rechtbank Den Haag 23-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15797 Rechtbank Den Haag 01-06-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:885 Raad van State 26-04-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9543 Rechtbank Den Haag 01-04-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:2672 Rechtbank Den Haag 23-03-2020
- ECLI:NL:RVS:2019:3349 Raad van State 04-10-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6654 Rechtbank Den Haag 10-04-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:756 Raad van State 11-03-2019
- ECLI:NL:RVS:2018:2083 Raad van State 12-06-2018
- ECLI:NL:RVS:2018:67 Raad van State 10-01-2018
- ECLI:NL:RVS:2017:3059 Raad van State 08-11-2017
- ECLI:NL:RVS:2017:133 Raad van State 17-01-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2016:14704 Rechtbank Den Haag 16-11-2016
- ECLI:NL:RVS:2016:2434 Raad van State 31-08-2016
- ECLI:NL:RVS:2016:2435 Raad van State 31-08-2016
- ECLI:NL:RVS:2016:2380 Raad van State 22-08-2016
- ECLI:NL:RVS:2016:2074 Raad van State 15-07-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (8.139 tekens)
201603430/1/V3.
Datum uitspraak: 13 juli 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 mei 2016 in zaak nr. 16/8062 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2016 is de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 26 april 2016 is de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 mei 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 15 april 2016, gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend en dat beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 april 2016, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring worden gesteld.
Ingevolge artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, in bewaring worden gesteld, indien de vreemdeling:
1°. in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;
2°. reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
2. In hoger beroep is niet in geschil dat de vreemdeling voor het opleggen van de maatregel van bewaring van 15 april 2016 een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Tegen deze maatregel heeft de vreemdeling op 19 april 2016 beroep ingesteld.
Op 19 april 2016 heeft de vreemdeling een kennisgeving tweede of volgende asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft vervolgens de maatregel van bewaring van 15 april 2016 opgeheven en de vreemdeling aansluitend krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
Op 28 april 2016 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep ter zitting behandeld.
In overweging 2.2. heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van 9 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6972 (hierna: de uitspraak van 9 maart 2009), overwogen dat zij de maatregel van bewaring van 26 april 2016 met toepassing van artikel 6:19 van de Awb zal betrekken bij de beoordeling van het bij haar aanhangige beroep, omdat tussen de opheffing van de maatregel van bewaring van 15 april 2016 en de daarop aansluitende maatregel van bewaring van 26 april 2016 een zodanige samenhang bestaat, dat deze laatste maatregel is aan te merken als een nieuw besluit dat in de plaats treedt van de voorgaande maatregel.
3. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank het beroep tegen de maatregel van 26 april 2016 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De vreemdeling voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij juist wegens de door haar geconstateerde samenhang ook het beroep tegen de maatregel van 26 april 2016 gegrond had moeten verklaren.
3.1. Ten tijde van de uitspraak van 9 maart 2009 kon een vreemdeling louter krachtens artikel 59, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000 of krachtens artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld. Voor een bewaring krachtens deze bepalingen gold hetzelfde vereiste van het belang van de openbare orde, zij het dat dit vereiste bij een bewaring krachtens het tweede lid van artikel 59 een rechtsvermoeden behelst (zie de uitspraak van 16 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX6473).
Uit de uitspraken van 14 maart 2003, ECLI:NL:RVS:2003:197 en van 27 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS4939, volgt dat louter het wijzigen van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring van het eerste lid, onder a of b, naar het tweede lid van artikel 59 van de Vw 2000 of omgekeerd tot gevolg heeft dat een nieuwe maatregel van bewaring is opgelegd.
Na de uitspraak van 9 maart 2009 zijn met ingang van 1 januari 2014 (Stb. 2013, 586) en 20 juli 2015 (Stb. 2015, 293) artikel 59a onderscheidenlijk artikel 59b ingevoegd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:949, volgt dat thans elke wijziging van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring tot gevolg heeft dat sprake is van een nieuwe maatregel van bewaring, omdat voor elke maatregel van bewaring andere vereisten gelden.
Anders dan ten tijde van de uitspraak van 9 maart 2009 is niet alleen het aantal mogelijke wijzigingen van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring aanzienlijk toegenomen, maar is ook de omvang van de toetsing aanzienlijk uitgebreider. Gelet hierop is ook de kans groter dat de rechtbank een nieuwe maatregel van bewaring, al dan niet opgelegd na sluiting van het onderzoek ter zitting, niet tezamen met de aan deze nieuwe maatregel van bewaring voorafgaande maatregel van bewaring kan behandelen.
Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat uit een oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid van het recht tegen elke nieuwe maatregel van bewaring apart een beroep, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, moet worden ingesteld. De Afdeling komt dan ook terug van hetgeen in de uitspraak van 9 maart 2009 is overwogen. Het voorgaande laat onverlet dat de rechtbank, voor zover dat organisatorisch mogelijk is, apart ingestelde beroepen gezamenlijk ter zitting kan behandelen.
3.2. In de grief wordt niet geklaagd dat de rechtbank de uitspraak van 9 maart 2009 ten onrechte heeft toegepast, maar in wezen geklaagd dat zij deze uitspraak door een te beperkte lezing verkeerd heeft toegepast.
3.3. De maatregel van bewaring van 26 april 2016 is een nieuwe maatregel ten opzichte van de maatregel van 15 april 2016. Het volgens de rechtbank aan de maatregel van bewaring van 15 april 2016 klevende gebrek geeft daarom geen aanleiding de toepassing van de maatregel van bewaring van 26 april 2016 reeds hierom van meet af aan onrechtmatig te achten. Dat tussen de eerdere maatregel van bewaring van 15 april 2016 en de daarop aansluitende maatregel van bewaring van 26 april 2016 een samenhang bestaat in die zin dat met deze laatste maatregel de bewaring van de vreemdeling feitelijk voortduurt is daartoe onvoldoende.
De grief faalt.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016
347.
Datum uitspraak: 13 juli 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 mei 2016 in zaak nr. 16/8062 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2016 is de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 26 april 2016 is de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 mei 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 15 april 2016, gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend en dat beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 april 2016, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring worden gesteld.
Ingevolge artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, in bewaring worden gesteld, indien de vreemdeling:
1°. in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;
2°. reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
2. In hoger beroep is niet in geschil dat de vreemdeling voor het opleggen van de maatregel van bewaring van 15 april 2016 een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Tegen deze maatregel heeft de vreemdeling op 19 april 2016 beroep ingesteld.
Op 19 april 2016 heeft de vreemdeling een kennisgeving tweede of volgende asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft vervolgens de maatregel van bewaring van 15 april 2016 opgeheven en de vreemdeling aansluitend krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
Op 28 april 2016 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep ter zitting behandeld.
In overweging 2.2. heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van 9 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6972 (hierna: de uitspraak van 9 maart 2009), overwogen dat zij de maatregel van bewaring van 26 april 2016 met toepassing van artikel 6:19 van de Awb zal betrekken bij de beoordeling van het bij haar aanhangige beroep, omdat tussen de opheffing van de maatregel van bewaring van 15 april 2016 en de daarop aansluitende maatregel van bewaring van 26 april 2016 een zodanige samenhang bestaat, dat deze laatste maatregel is aan te merken als een nieuw besluit dat in de plaats treedt van de voorgaande maatregel.
3. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank het beroep tegen de maatregel van 26 april 2016 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De vreemdeling voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij juist wegens de door haar geconstateerde samenhang ook het beroep tegen de maatregel van 26 april 2016 gegrond had moeten verklaren.
3.1. Ten tijde van de uitspraak van 9 maart 2009 kon een vreemdeling louter krachtens artikel 59, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000 of krachtens artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld. Voor een bewaring krachtens deze bepalingen gold hetzelfde vereiste van het belang van de openbare orde, zij het dat dit vereiste bij een bewaring krachtens het tweede lid van artikel 59 een rechtsvermoeden behelst (zie de uitspraak van 16 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX6473).
Uit de uitspraken van 14 maart 2003, ECLI:NL:RVS:2003:197 en van 27 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS4939, volgt dat louter het wijzigen van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring van het eerste lid, onder a of b, naar het tweede lid van artikel 59 van de Vw 2000 of omgekeerd tot gevolg heeft dat een nieuwe maatregel van bewaring is opgelegd.
Na de uitspraak van 9 maart 2009 zijn met ingang van 1 januari 2014 (Stb. 2013, 586) en 20 juli 2015 (Stb. 2015, 293) artikel 59a onderscheidenlijk artikel 59b ingevoegd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:949, volgt dat thans elke wijziging van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring tot gevolg heeft dat sprake is van een nieuwe maatregel van bewaring, omdat voor elke maatregel van bewaring andere vereisten gelden.
Anders dan ten tijde van de uitspraak van 9 maart 2009 is niet alleen het aantal mogelijke wijzigingen van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring aanzienlijk toegenomen, maar is ook de omvang van de toetsing aanzienlijk uitgebreider. Gelet hierop is ook de kans groter dat de rechtbank een nieuwe maatregel van bewaring, al dan niet opgelegd na sluiting van het onderzoek ter zitting, niet tezamen met de aan deze nieuwe maatregel van bewaring voorafgaande maatregel van bewaring kan behandelen.
Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat uit een oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid van het recht tegen elke nieuwe maatregel van bewaring apart een beroep, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, moet worden ingesteld. De Afdeling komt dan ook terug van hetgeen in de uitspraak van 9 maart 2009 is overwogen. Het voorgaande laat onverlet dat de rechtbank, voor zover dat organisatorisch mogelijk is, apart ingestelde beroepen gezamenlijk ter zitting kan behandelen.
3.2. In de grief wordt niet geklaagd dat de rechtbank de uitspraak van 9 maart 2009 ten onrechte heeft toegepast, maar in wezen geklaagd dat zij deze uitspraak door een te beperkte lezing verkeerd heeft toegepast.
3.3. De maatregel van bewaring van 26 april 2016 is een nieuwe maatregel ten opzichte van de maatregel van 15 april 2016. Het volgens de rechtbank aan de maatregel van bewaring van 15 april 2016 klevende gebrek geeft daarom geen aanleiding de toepassing van de maatregel van bewaring van 26 april 2016 reeds hierom van meet af aan onrechtmatig te achten. Dat tussen de eerdere maatregel van bewaring van 15 april 2016 en de daarop aansluitende maatregel van bewaring van 26 april 2016 een samenhang bestaat in die zin dat met deze laatste maatregel de bewaring van de vreemdeling feitelijk voortduurt is daartoe onvoldoende.
De grief faalt.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016
347.