Raad van State
ECLI:NL:RVS:2018:1498
2018-05-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201802028/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- terugverwijzing ECLI:NL:RBROT:2019:1297 → ECLI:NL:RVS:2018:1498
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 februari 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2017:3550 Raad van State 20-12-2017
- ECLI:NL:RVS:2001:AG9341 Raad van State 29-06-2001
Geciteerd door (66)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27931 Rechtbank Den Haag 23-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21651 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8798 Rechtbank Den Haag 09-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:712 Raad van State 11-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:5818 Raad van State 03-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4855 Raad van State 09-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4068 Raad van State 27-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:172 Raad van State 22-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:4708 Raad van State 20-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4204 Raad van State 22-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4115 Raad van State 14-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:3066 Raad van State 30-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2439 Raad van State 13-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2201 Raad van State 29-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2202 Raad van State 29-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1540 Raad van State 16-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1544 Raad van State 15-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1517 Raad van State 12-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2719 Rechtbank Den Haag 04-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2761 Rechtbank Den Haag 04-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:777 Raad van State 23-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:415 Raad van State 01-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:4357 Raad van State 27-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:4180 Raad van State 15-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:4066 Raad van State 02-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3639 Raad van State 28-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2918 Raad van State 31-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9753 Rechtbank Den Haag 04-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9411 Rechtbank Den Haag 28-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2294 Raad van State 14-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8395 Rechtbank Den Haag 09-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1920 Raad van State 22-05-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1757 Raad van State 09-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:760 Rechtbank Den Haag 23-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:617 Rechtbank Den Haag 19-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:617 Rechtbank Den Haag 19-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14435 Rechtbank Den Haag 29-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14062 Rechtbank Den Haag 22-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14672 Rechtbank Den Haag 06-12-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:3444 Raad van State 24-11-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:3338 Raad van State 18-11-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:3120 Raad van State 01-11-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2567 Raad van State 05-09-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2035 Raad van State 18-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1928 Raad van State 07-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1813 Raad van State 27-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2021:2196 Raad van State 04-10-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:1576 Raad van State 21-07-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:1350 Raad van State 25-06-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:1351 Raad van State 25-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15798 Rechtbank Den Haag 02-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16337 Rechtbank Den Haag 18-05-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:338 Raad van State 18-02-2021
- ECLI:NL:RVS:2020:2578 Raad van State 30-10-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:1688 Raad van State 22-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6171 Rechtbank Den Haag 26-06-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:478 Raad van State 18-02-2020
- ECLI:NL:RVS:2019:4358 Raad van State 19-12-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:3676 Raad van State 31-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:2738 Raad van State 12-08-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (4.746 tekens)
201802028/1/V3.
Datum uitspraak: 3 mei 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 maart 2018 in zaak nr. NL18.3658 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Hetgeen de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.
2. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank naar aanleiding van haar oordeel dat de ophouding onrechtmatig is verlengd ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de staatssecretaris te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten. Hij vindt daarvoor steun in de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3550, waarin de Afdeling een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken na constatering van een gebrek dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb is gepasseerd, aldus de vreemdeling.
2.1. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AG9341, moet de rechter bij de toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring, als daarover is geklaagd, ook de rechtmatigheid van de direct daaraan voorafgaande staandehouding, ophouding en/of verlenging van de ophouding betrekken. Hoewel een vreemdeling tegen vorenbedoelde handelingen afzonderlijke rechtsmiddelen kan aanwenden, kan hij daarom volstaan met het instellen van beroep tegen de hem opgelegde maatregel van bewaring om een oordeel te krijgen over de rechtmatigheid van die handelingen.
2.2. De Afdeling is thans van oordeel dat indien beroep wordt ingesteld tegen de maatregel van bewaring en naar aanleiding van dat beroep wordt geoordeeld dat de direct daaraan voorafgaande staandehouding, de ophouding of de verlenging van de ophouding niet rechtmatig is geweest maar het beroep tegen de maatregel niettemin ongegrond wordt verklaard, er aanleiding bestaat de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
2.3. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 maart 2018 in zaak nr. NL18.3658, voor zover de rechtbank de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van
mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verheij w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2018
345-873.
Datum uitspraak: 3 mei 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 maart 2018 in zaak nr. NL18.3658 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Hetgeen de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.
2. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank naar aanleiding van haar oordeel dat de ophouding onrechtmatig is verlengd ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de staatssecretaris te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten. Hij vindt daarvoor steun in de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3550, waarin de Afdeling een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken na constatering van een gebrek dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb is gepasseerd, aldus de vreemdeling.
2.1. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AG9341, moet de rechter bij de toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring, als daarover is geklaagd, ook de rechtmatigheid van de direct daaraan voorafgaande staandehouding, ophouding en/of verlenging van de ophouding betrekken. Hoewel een vreemdeling tegen vorenbedoelde handelingen afzonderlijke rechtsmiddelen kan aanwenden, kan hij daarom volstaan met het instellen van beroep tegen de hem opgelegde maatregel van bewaring om een oordeel te krijgen over de rechtmatigheid van die handelingen.
2.2. De Afdeling is thans van oordeel dat indien beroep wordt ingesteld tegen de maatregel van bewaring en naar aanleiding van dat beroep wordt geoordeeld dat de direct daaraan voorafgaande staandehouding, de ophouding of de verlenging van de ophouding niet rechtmatig is geweest maar het beroep tegen de maatregel niettemin ongegrond wordt verklaard, er aanleiding bestaat de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
2.3. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 maart 2018 in zaak nr. NL18.3658, voor zover de rechtbank de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van
mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verheij w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2018
345-873.