Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21651

2026-07-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.36352
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.36352
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, kennisgeving, verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding, ophouding, voortvarend handelen, ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.173 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.36352

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:


Vw: Vreemdelingenwet 2000


Vb: Vreemdelingenbesluit 2000


Sr: Wetboek van Strafrecht






Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft een afstandsverklaring ontvangen, waarin eiseres verklaart afstand te doen van haar recht om aanwezig te zijn bij de zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader


3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



Was er sprake van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding?


4. Eiseres stelt dat het proces-verbaal van aanhouding onvoldoende inzicht biedt in de omstandigheden en redenen die hebben geleid tot het verzoek om haar identiteitsbewijs. Uit het proces-verbaal blijkt niet duidelijk of de staandehouding heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van een politietaak, op grond van een vreemdelingenrechtelijke bevoegdheid, dan wel als onderdeel van vreemdelingentoezicht. Hierdoor is niet vast te stellen onder welke wettelijke bevoegdheid het optreden heeft plaatsgevonden. Gezien deze onduidelijkheid dient te worden aangenomen dat de controle op de identiteit van eiseres heeft plaatsgevonden binnen de bevoegdheid van artikel 50, lid 1, van de Vreemdelingenwet. In dit verband verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM3081.


4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende duidelijk blijkt dat sprake was van een strafrechtelijke aanhouding. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 30 juni 2026 volgt dat de verbalisant waarnam dat eiseres in een straat liep zonder e-step en dat zij vervolgens in een andere straat een e-step pakte uit een voortuin. De verbalisant heeft eiseres daarna staandegehouden en haar gevraagd van wie deze e-step was. Eiseres verklaarde dat deze van een vriend van haar is. De verbalisant gaf aan dat eiseres deze vriend kon bellen om dit te verifiëren. Gezien deze feiten en omstandigheden vorderde de verbalisant van eiseres een geldig op naam gesteld
identiteitsbewijs. Eiseres gaf aan dat zij deze niet kon overhandigden. De verbalisant heeft eiseres vervolgens aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 447-E Sr. Dit is ook aan haar medegedeeld. Verder blijkt uit het proces-verbaal van voorgeleiding na aanhouding dat eiseres op 30 juni 2026 is aangehouden wegens het niet voldoen aan de verplichting een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, strafbaar gesteld bij artikel 2 Wet op de identificatieplicht en artikel 447-E Sr. Eiseres is vervolgens, zoals volgt uit de M105-A, overgenomen en aansluitend op strafrechtelijke heenzending opgehouden. Ten aanzien van de door eiseres genoemde Afdelingsuitspraak is geen sprake is van gelijke gevallen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding en dat als gevolg daarvan de bewaring onrechtmatig zou zijn.


Ophouding

5. Eiseres stelt dat de ophouding onrechtmatig is omdat de wettelijke ophoudingstermijn met 16 minuten is overschreden. Deze termijnoverschrijding moet volgens eiseres leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring.




5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De ophouding mag ingevolge artikel 50, tweede lid, van de Vw niet langer dan zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s morgens niet wordt meegerekend. De termijn van de ophouding vangt aan op het moment dat eiseres op een plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Dit volgt uit A2/2.5 van de Vreemdelingencirculaire. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiseres is aangevangen op 30 juni 2026 om 14:55 uur. Eiseres is op diezelfde datum om 21:11 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden met 16 minuten. Dit heeft verweerder ook erkend. Gelet hierop is sprake van een gebrek.



5.2.
Uit de Afdelingsuitspraak van 2 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3540), volgt dat de onrechtmatigheid van de ophouding de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Bij afweging van de betrokken belangen is de rechtbank van oordeel dat voornoemd gebrek in de ophouding niet kan leiden tot de conclusie dat de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig is. Er is immers sprake van een relatief geringe overschrijding van de maximum duur en gelet op hetgeen onder 6.2. is overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiseres een onderduikrisico bestaat. Daarbij blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaande aan het opleggen van de maatregel dat dit gehoor is aangevangen op 30 juni 2026 om 19:45 uur, derhalve vóór het verstrijken van de zes uur. Uit het proces-verbaal van ophouding blijkt dat verweerder voorafgaande aan dat gehoor met behulp van de hem ter beschikking staande vreemdelingenregistratiesystemen onderzoek heeft verricht naar eiseres haar identiteit en verblijfsrechtelijke positie. Gelet op het voorgaande valt de belangenafweging uit in het voordeel van verweerder.



5.3.
Nu sprake is van een onrechtmatige ophouding, heeft eiseres recht op vergoeding van de proceskosten.



De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

6. Verweerder heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.




6.1.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.




6.2.
Eiseres heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.



Handelt verweerder voldoende voortvarend?

7. Eiseres stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Hiertoe voert zij aan dat zij sinds 30 juni 2026 in bewaring zit, terwijl er tot op heden nog geen vertrekgesprek met haar is gevoerd. Het enkel rappelleren bij de Poolse autoriteiten is onvoldoende volgens haar.




7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiseres betoogt werkt verweerder wel voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres. Uit het dossier volgt dat verweerder op 3 juli 2026 een laissez-passer (lp) aanvraag heeft ingevuld en verzonden naar de lp-kamer. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat eiseres sinds de beschikking op 8 augustus 2025 waarin haar verblijfsrecht was beëindigd, drie maal in Nederland is aangetroffen en in bewaring is gesteld om vervolgens te worden uitgezet naar Polen. Volgens de regievoerder weet eiseres waarom zij Nederland moet verlaten en welk mogelijkheden zij heeft. Zodra vluchtgegevens beschikbaar zijn, wordt eiseres hiervan op de hoogte gebracht. Daarbij komt dat eiseres nog maar kort, sinds 30 juni 2026, in bewaring zit. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.



9.1.
Eiseres krijgt gelet op hetgeen onder 5.3. is overwogen een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af en
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.





Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


Proces-verbaal van ophouding en onderzoek als bedoeld in artikel 50 dan wel artikel 50a van de Vw.


ECLI:NL:RVS:2018:1498.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.