Raad van State
ECLI:NL:RVS:2017:292
2017-02-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201509277/1/V2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 oktober 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:CE:ECHR:2014:0107JUD005880212
- ECLI:NL:RVS:2012:BW4349 Raad van State 17-04-2012
Geciteerd door (99)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29027 Rechtbank Den Haag 29-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25103 Rechtbank Den Haag 28-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23564 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21732 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21733 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21408 Rechtbank Den Haag 31-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20427 Rechtbank Den Haag 22-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19493 Rechtbank Den Haag 13-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18688 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3558 Raad van State 23-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16173 Rechtbank Den Haag 12-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15473 Rechtbank Den Haag 08-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15473 Rechtbank Den Haag 08-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11880 Rechtbank Den Haag 12-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11336 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10867 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10819 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10299 Rechtbank Den Haag 28-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9101 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7998 Rechtbank Den Haag 02-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6367 Rechtbank Den Haag 20-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5240 Rechtbank Den Haag 11-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4932 Rechtbank Den Haag 06-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1839 Rechtbank Den Haag 28-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:722 Rechtbank Den Haag 15-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:657 Rechtbank Den Haag 14-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27111 Rechtbank Den Haag 17-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23738 Rechtbank Den Haag 09-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27909 Rechtbank Den Haag 04-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22456 Rechtbank Den Haag 27-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21489 Rechtbank Den Haag 11-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28014 Rechtbank Den Haag 02-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19551 Rechtbank Den Haag 29-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17917 Rechtbank Den Haag 24-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13650 Rechtbank Den Haag 22-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11758 Rechtbank Den Haag 03-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11240 Rechtbank Den Haag 18-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10064 Rechtbank Den Haag 10-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7743 Rechtbank Den Haag 26-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4674 Rechtbank Den Haag 21-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4491 Rechtbank Den Haag 14-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3881 Rechtbank Den Haag 07-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2312 Rechtbank Den Haag 18-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1172 Rechtbank Den Haag 31-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1944 Rechtbank Den Haag 23-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21789 Rechtbank Den Haag 19-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21521 Rechtbank Den Haag 17-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20013 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19137 Rechtbank Den Haag 20-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13170 Rechtbank Den Haag 16-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13379 Rechtbank Den Haag 13-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12094 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12200 Rechtbank Den Haag 18-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9431 Rechtbank Den Haag 05-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2265 Raad van State 30-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8254 Rechtbank Den Haag 24-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7131 Rechtbank Den Haag 21-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3502 Rechtbank Den Haag 14-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1481 Rechtbank Den Haag 06-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1376 Rechtbank Den Haag 05-02-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (7.874 tekens)
201509277/1/V2.
Datum uitspraak: 6 februari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 november 2015 in zaak nr. 15/19072 in het geding tussen:
[vreemdeling] alias [naam]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 23 november 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.E.A. Charry, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij brief van 23 november 2016 heeft de vreemdeling nadere stukken overgelegd.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De door de vreemdeling bij voormelde brief van 23 november 2016 gevoegde doopakte van 24 maart 1985, waaruit zijn nationaliteit zou volgen, dateert van vóór de aangevallen uitspraak. Nu de aangevallen uitspraak dwingend is aangewezen als object van het hoger beroep en de vreemdeling geen in rechte te honoreren verklaring heeft gegeven waarom hij dit stuk redelijkerwijs niet reeds in de bestuurlijke fase of in beroep heeft kunnen overleggen, kan dit stuk niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.
Grieven en beoordeling
2. In zijn eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 21 oktober 2015 niet zorgvuldig heeft voorbereid, omdat hij dat besluit heeft genomen zonder een door de vreemdeling aangekondigde identiteitskaart van diens moeder af te wachten.
2.1. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling sinds zijn asielaanvraag ruim drie maanden de tijd heeft gehad de identiteitskaart van zijn moeder te laten overkomen, terwijl uit zijn verklaringen niet blijkt waarom hij daar nog niet in is geslaagd en hij evenmin een indicatie heeft gegeven op welke termijn de identiteitskaart alsnog was te verwachten. Onder deze omstandigheden heeft de staatsecretaris de vreemdeling terecht geen termijn gegund om de identiteitskaart alsnog te laten overkomen, zodat hij het besluit van 21 oktober 2015 niet onzorgvuldig heeft voorbereid door de komst van die identiteitskaart niet af te wachten.
2.2. De grief slaagt.
3. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich er onvoldoende rekenschap van heeft gegeven dat de summiere verklaringen van de vreemdeling over Eritrea binnen diens asielrelaas passen en diens taalprofiel en afkomst niet uitsluiten dat hij daadwerkelijk uit Eritrea komt. De staatssecretaris betoogt dat hij deze omstandigheden heeft betrokken en dat hij, ook gelet op de in beroep overgelegde identiteitskaart, deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling zijn Eritrese nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt.
3.1. Anders dan de rechtbank veronderstelt heeft de staatssecretaris betrokken dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij Eritrea op tweejarige leeftijd heeft verlaten, zodat hij niets over die periode en zijn woonomgeving toentertijd kan verklaren. De staatssecretaris heeft er echter terecht op gewezen dat de vreemdeling ook heeft verklaard dat hij in januari 2014 tijdens een razzia in Sudan zou zijn opgepakt en uitgezet naar Eritrea, maar ook over deze periode in Eritrea slechts zeer summier heeft verklaard en niet weet waar hij in Eritrea zou zijn geweest. Het betoog van de vreemdeling dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen documenten, zoals zijn identiteitsbewijs, kan overleggen omdat die door brand verloren zijn gegaan heeft de staatssecretaris terecht niet voldoende geacht, omdat de vreemdeling ook later niet heeft geprobeerd om een vervangend identiteitsbewijs te verkrijgen. De staatssecretaris heeft voorts terecht bij zijn beoordeling betrokken dat, hoewel de vreemdeling stelt jarenlang in een vluchtelingenkamp in Sudan te hebben verbleven, hij daar nooit is geregistreerd, terwijl in het algemeen ambtsbericht inzake Sudan van juli 2015 staat dat Eritrese vluchtelingen in vluchtelingenkampen in Sudan worden geregistreerd. Ten slotte heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het taalprofiel van de vreemdeling bij zijn beoordeling betrokken. Daarover heeft hij terecht gesteld dat uit de omstandigheid dat de vreemdeling Tigrinya spreekt niet zonder meer volgt dat hij de Eritrese nationaliteit heeft.
3.2. Met het in beroep alsnog overgelegde identiteitsbewijs van de gestelde moeder van de vreemdeling is de gestelde nationaliteit en herkomst evenmin aannemelijk gemaakt, omdat het identiteitsbewijs niet op de vreemdeling ziet en niet aannemelijk is gemaakt dat de persoon op dat identiteitsbewijs daadwerkelijk diens moeder is. Het identiteitsbewijs is daarom geen document dat de gestelde Eritrese herkomst en nationaliteit kan staven. Anders dan de rechtbank heeft overwogen was de staatssecretaris daarom niet gehouden de authenticiteit van dit document te laten onderzoeken (vergelijk paragraaf 61 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 januari 2014, A.A. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:0107JUD005880212).
3.3. De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 21 oktober 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
Beroepsgrond
5. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij behoort tot de etnische groep Tigrinya en daardoor bij terugkeer naar Eritrea of Sudan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 17 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4349) heeft een asielmotief slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Nu de vreemdeling zijn gestelde nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt kan een verdere beoordeling van het asielrelaas niet worden verricht. De beroepsgrond faalt.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 november 2015 in zaak nr. 15/19072;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Verheij w.g. Bosma
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2017
791.
Datum uitspraak: 6 februari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 november 2015 in zaak nr. 15/19072 in het geding tussen:
[vreemdeling] alias [naam]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 23 november 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.E.A. Charry, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij brief van 23 november 2016 heeft de vreemdeling nadere stukken overgelegd.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De door de vreemdeling bij voormelde brief van 23 november 2016 gevoegde doopakte van 24 maart 1985, waaruit zijn nationaliteit zou volgen, dateert van vóór de aangevallen uitspraak. Nu de aangevallen uitspraak dwingend is aangewezen als object van het hoger beroep en de vreemdeling geen in rechte te honoreren verklaring heeft gegeven waarom hij dit stuk redelijkerwijs niet reeds in de bestuurlijke fase of in beroep heeft kunnen overleggen, kan dit stuk niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.
Grieven en beoordeling
2. In zijn eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 21 oktober 2015 niet zorgvuldig heeft voorbereid, omdat hij dat besluit heeft genomen zonder een door de vreemdeling aangekondigde identiteitskaart van diens moeder af te wachten.
2.1. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling sinds zijn asielaanvraag ruim drie maanden de tijd heeft gehad de identiteitskaart van zijn moeder te laten overkomen, terwijl uit zijn verklaringen niet blijkt waarom hij daar nog niet in is geslaagd en hij evenmin een indicatie heeft gegeven op welke termijn de identiteitskaart alsnog was te verwachten. Onder deze omstandigheden heeft de staatsecretaris de vreemdeling terecht geen termijn gegund om de identiteitskaart alsnog te laten overkomen, zodat hij het besluit van 21 oktober 2015 niet onzorgvuldig heeft voorbereid door de komst van die identiteitskaart niet af te wachten.
2.2. De grief slaagt.
3. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich er onvoldoende rekenschap van heeft gegeven dat de summiere verklaringen van de vreemdeling over Eritrea binnen diens asielrelaas passen en diens taalprofiel en afkomst niet uitsluiten dat hij daadwerkelijk uit Eritrea komt. De staatssecretaris betoogt dat hij deze omstandigheden heeft betrokken en dat hij, ook gelet op de in beroep overgelegde identiteitskaart, deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling zijn Eritrese nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt.
3.1. Anders dan de rechtbank veronderstelt heeft de staatssecretaris betrokken dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij Eritrea op tweejarige leeftijd heeft verlaten, zodat hij niets over die periode en zijn woonomgeving toentertijd kan verklaren. De staatssecretaris heeft er echter terecht op gewezen dat de vreemdeling ook heeft verklaard dat hij in januari 2014 tijdens een razzia in Sudan zou zijn opgepakt en uitgezet naar Eritrea, maar ook over deze periode in Eritrea slechts zeer summier heeft verklaard en niet weet waar hij in Eritrea zou zijn geweest. Het betoog van de vreemdeling dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen documenten, zoals zijn identiteitsbewijs, kan overleggen omdat die door brand verloren zijn gegaan heeft de staatssecretaris terecht niet voldoende geacht, omdat de vreemdeling ook later niet heeft geprobeerd om een vervangend identiteitsbewijs te verkrijgen. De staatssecretaris heeft voorts terecht bij zijn beoordeling betrokken dat, hoewel de vreemdeling stelt jarenlang in een vluchtelingenkamp in Sudan te hebben verbleven, hij daar nooit is geregistreerd, terwijl in het algemeen ambtsbericht inzake Sudan van juli 2015 staat dat Eritrese vluchtelingen in vluchtelingenkampen in Sudan worden geregistreerd. Ten slotte heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het taalprofiel van de vreemdeling bij zijn beoordeling betrokken. Daarover heeft hij terecht gesteld dat uit de omstandigheid dat de vreemdeling Tigrinya spreekt niet zonder meer volgt dat hij de Eritrese nationaliteit heeft.
3.2. Met het in beroep alsnog overgelegde identiteitsbewijs van de gestelde moeder van de vreemdeling is de gestelde nationaliteit en herkomst evenmin aannemelijk gemaakt, omdat het identiteitsbewijs niet op de vreemdeling ziet en niet aannemelijk is gemaakt dat de persoon op dat identiteitsbewijs daadwerkelijk diens moeder is. Het identiteitsbewijs is daarom geen document dat de gestelde Eritrese herkomst en nationaliteit kan staven. Anders dan de rechtbank heeft overwogen was de staatssecretaris daarom niet gehouden de authenticiteit van dit document te laten onderzoeken (vergelijk paragraaf 61 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 januari 2014, A.A. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:0107JUD005880212).
3.3. De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 21 oktober 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
Beroepsgrond
5. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij behoort tot de etnische groep Tigrinya en daardoor bij terugkeer naar Eritrea of Sudan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 17 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4349) heeft een asielmotief slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Nu de vreemdeling zijn gestelde nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt kan een verdere beoordeling van het asielrelaas niet worden verricht. De beroepsgrond faalt.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 november 2015 in zaak nr. 15/19072;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Verheij w.g. Bosma
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2017
791.