Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:29027

2026-09-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.43457 en NL26.43458
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-29
Publicatiedatum
2026-10-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.43457 en NL26.43458
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel Somalië. De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig mogen achten. De rechtbank acht de verklaringen van eiser waarom hij niet heeft gezien dat hij een vals Belgisch paspoort had niet aannemelijk. Eiser heeft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ook niet aannemelijk weten te maken met zijn antwoorden op de kennisvragen die de minister hem tijdens het gehoor heeft gesteld. De minister heeft de aanvullende antwoorden op de kennisvragen in de aanvullingen en correcties naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing mogen laten. Op basis van vaste jurisprudentie dient een vreemdeling daar een goede verklaring voor te hebben. Eiser is daar niet in geslaagd. De rechtbank leidt ook geen omstandigheden af waardoor eiser tijdens het gehoor onvoldoende in staat was om antwoord op vragen te geven. Daarom heeft de minister eisers aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.187 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.43457 (beroep) en NL26.43458 (voorlopige voorziening)



V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen



[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

geboren op [geboortedag] 2007, van Somalische nationaliteit,
(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 13 juli 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 24 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard.



2.1.
Eiser heeft op 31 juli 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft om een voorlopige voorziening verzocht, ertoe strekkende dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 7 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk in de taal Somali is verschenen M. Youssouf Mohamed. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



2.3.
Tijdens de behandeling van de zaak op zitting is aan de minister de gelegenheid gegeven om aanvullende stukken in te brengen over de manier waarop eiser Nederland is binnengekomen. Na de zitting heeft de minister op 7 september 2026 enkele processen-verbaal van de Koninklijke Marreschaussee (hierna: KMar) in het digitale dossier geplaatst. Daarop is door de gemachtigde van eiser gereageerd. Omdat zowel eiser als de minister hebben aangegeven geen bezwaar te hebben bij het sluiten van het onderzoek zonder verdere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek op 21 september 2026 gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



Asielrelaas



3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Somalische nationaliteit, de [etniciteit] etniciteit en hij komt uit [plaats] in Somalië. De broer van eiser is op 23 augustus 2024 vermoord. Toen hij kort daarna onderzoek ging doen naar wie de daders waren, is eiser ’s nachts in zijn huis aangevallen door onbekende mensen. Hij is hierbij ook bedreigd. Enige tijd later kwam eiser twee jongens tegen die aan hem vroegen of hij nog steeds vragen aan het stellen was over het overlijden van zijn broer. Zij hebben eiser geslagen en gezegd dat hij stil moest zijn. Eiser vreest bij een eventuele terugkeer naar Somalië door deze mannen te worden vermoord. Daarnaast heeft eiser discriminatie ervaren omdat hij tot de [etniciteit] etniciteit behoort. Hij heeft daardoor pesterijen en kleineringen ervaren.



Het bestreden besluit



4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen na de dood van de broer van eiser;
3. Discriminatie als [etniciteit] .



4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. Eiser beschikt niet over documenten en heeft daar geen goede verklaring voor. Ook vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ten slotte kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. De verschillende standpunten van de minister worden hieronder besproken bij het bespreken van de beroepsgronden.



4.2.
De minister heeft de andere asielmotieven, namelijk de gestelde problemen na de dood van de broer van eiser en de mogelijke discriminatie als [etniciteit] , vervolgens niet beoordeeld op geloofwaardigheid. Omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn, kent de minister geen geloof toe aan de gestelde problemen in [plaats] , en de discriminatie die eiser in Somalië zou hebben ervaren.



4.3.
De minister heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard omdat eiser de minister zou hebben misleid over zijn identiteit en belangrijke documenten niet heeft overgelegd. Tenslotte heeft de minister vastgesteld dat er een removal order is afgegeven waarin staat dat eiser vervoerd moet worden naar Caïro, Egypte, omdat hij daar ook vandaan is gekomen. Met het uitvoeren van de removal order ontstaat volgens de minister geen situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.



Bespreking van de beroepsgronden





Referentiekader




5. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser is jong en hij heeft niet gestudeerd. Uit de beoordeling blijkt niet dat hier rekening mee is gehouden. Ook is in het bestreden besluit niet inzichtelijk gemaakt op welke manier de minister rekening heeft gehouden met de persoonlijke en culturele achtergrond van eiser. Eiser heeft namelijk een gemarginaliseerd bestaan gehad, omdat hij vanwege zijn [etniciteit] etniciteit niet buitenshuis kwam. Daarmee had de minister rekening moeten houden door een lagere maatstaf te hanteren bij de beoordeling van de antwoorden van eiser op de kennisvragen over [plaats] , of door vragen te stellen die beter aansluiten bij de belevingswereld van eiser.




5.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit blijkt dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. In het besluit staat namelijk dat is meegewogen dat eiser tot de zesde klas naar school is geweest en dat daaruit wordt afgeleid dat hij kan lezen. Dit is ook niet in geschil.



5.2.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de leeftijd, het opleidingsniveau en de culturele achtergrond van eiser bij het beantwoorden van de kennisvragen. Uit het feit dat eiser tot de zesde klas naar school is gegaan mocht de minister afleiden dat hij buitenshuis kwam. Van eiser mag daarom verwacht worden dat hij antwoord kan geven op simpele kennisvragen over zijn woonplaats. Zulke vragen zijn tijdens het gehoor aan eiser gesteld. De vragen die zijn gesteld in het gehoor moeten volgens de rechtbank door iemand die zijn leven lang in [plaats] heeft gewoond kunnen worden beantwoord. Ook met de leeftijd, het opleidingsniveau of de culturele achtergrond van eiser.



5.3.
De minister hoefde als onderdeel van het referentiekader geen bijzondere rekening te houden met de gestelde [etniciteit] etniciteit, omdat de minister vast mocht stellen dat het leven van eiser zich niet alleen maar binnenshuis afspeelde. De minister hoefde vanwege het referentiekader van eiser naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen bijzondere maatstaf te hanteren bij het beoordelen van de antwoorden op de kennisvragen.



5.4.
De beroepsgrond slaagt niet.



Identiteit, nationaliteit en herkomst




6. Eiser heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de minister zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser voert hierover aan dat de minister verschillende zaken in het bestreden besluit ten onrechte heeft tegengeworpen.




6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kon de minister eiser tegenwerpen dat hij geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Eiser had moeten weten dat zijn originele paspoort waarde had en dat zijn Belgische paspoort vals was.



6.2.
Eiser heeft verklaard dat het paspoort voor hem geen waarde meer had, omdat hij na zijn reis naar Kenia zijn originele paspoort niet kon gebruiken om verder te reizen. Ook wist hij niet dat het paspoort vals was. Het paspoort was voor hem geregeld door zijn oom, zo heeft eiser tijdens de zitting verklaard, en hij heeft erop vertrouwd dat het goed zat. Gelet op zijn beperkte opleiding en gemarginaliseerde bestaan kon volgens eiser niet van hem worden verwacht dat hij wist dat hij zijn originele paspoort nodig had voor het onderbouwen van zijn asielmotieven. De minister heeft terecht opgemerkt dat eiser wel degelijk bekend was met de waarde van een paspoort in het algemeen, juist vanwege het feit dat hij daarmee naar Kenia is gereisd en daarna met een ander paspoort van Egypte naar Nederland. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister het terecht niet aannemelijk vindt dat eiser niet wist dat hij met een vals paspoort heeft gereisd. Eiser heeft een origineel Somalisch paspoort gehad, dus de verschillen met het paspoort waarmee hij uiteindelijk naar Nederland is gereisd moeten hem zijn opgevallen. Zo is een Belgisch paspoort rood, terwijl een Somalisch paspoort blauw is. Daarnaast staan er een andere naam en geboortedatum in het paspoort dan de naam en geboortedatum die eiser heeft opgegeven bij zijn asielaanvraag. Dat eiser wel heeft gezien dat zijn foto in het paspoort staat, maar niet heeft gezien dat er een andere naam staat, zoals hij ter zitting heeft verklaard, vindt de rechtbank niet aannemelijk, omdat in een paspoort de foto en de naam direct naast elkaar staan.



6.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de aanvullende antwoorden op de kennisvragen over [plaats] en Somalië, zoals door eiser in de correcties en aanvullingen gegeven, niet mee hoefde te nemen in de beoordeling. Eiser heeft er in het beroepsschrift op gewezen dat uit de correcties en aanvullingen blijkt dat eiser wel degelijk antwoorden weet op kennisvragen, zoals de naam van het strand, de buurt van zijn school, welke talen in Somalië worden gesproken, of er een IDP-kamp is, of het vliegveld een verdieping heeft en hoe de moskee eruit ziet. Daarnaast zou eiser tijdens het gehoor dingen zijn vergeten vanwege zijn detentie. Volgens de minister laten de toevoegingen in de correcties en aanvullingen onverlet dat eiser niet in staat was om simpele vragen te beantwoorden over een stad waar eiser stelt zijn hele leven gewoond te hebben. De rechtbank is van oordeel dat uit het verslag van het gehoor blijkt dat eiser inderdaad geen antwoord weet te geven op simpele vragen over zijn gestelde leefomgeving. Zo kan eiser geen belangrijke gebouwen in [plaats] noemen, weet hij geen straatnamen, kan hij niet vertellen of er een voetbalstadion is en of er een treinstation is, kan hij niet vertellen hoe de grootste moskee eruit ziet of hoe het strand heet. De minister heeft dit bij zijn beoordeling mogen betrekken. Dat eiser in de correcties en aanvullingen wel met dergelijke antwoorden is gekomen, maakt dit niet anders. De rechtbank overweegt dat de correcties en aanvullingen primair dienen ter verduidelijking van wat tijdens het gehoor is gezegd. Voor essentiële punten die pas in de correcties en aanvullingen naar voren zijn gebracht mag van de vreemdeling een deugdelijke verklaring worden verwacht, zo volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Dat geldt wat de rechtbank betreft ook voor aanvullende antwoorden op kennisvragen die tijdens een gehoor worden gesteld: als die antwoorden pas bij de correcties en aanvullingen worden gegeven moet daar een goede verklaring voor zijn. Eisers verklaring dat hij door zijn detentie dingen is vergeten is daarvoor onvoldoende. Ook de verklaring van eiser dat hij pas na de uitleg van zijn gemachtigde begreep wat een IDP-kamp is, is onvoldoende. Uit het verslag van het gehoor blijkt namelijk dat ook de medewerker van de IND heeft uitgelegd wat een IDP-kamp is. Uit de rest van het verslag van het gehoor leidt de rechtbank geen omstandigheden af waardoor eiser tijdens het gehoor onvoldoende in staat was om antwoord op vragen te geven. De minister mocht de aanvullende antwoorden uit de correcties en aanvullingen daarom buiten beschouwing laten.



6.4.
Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat aan relevante kennis over de wijken, de ligging van de stad en de ligging van de provincies om de stad [plaats] heen geen waarde is gehecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee evenmin aannemelijk gemaakt dat hij afkomstig is uit [plaats] . Deze kennis zegt immers niets over een daadwerkelijk lang verblijf in [plaats] en deze kennis weegt, zoals de minister ook terecht opmerkt, niet op tegen de zeer summiere en niet te herleiden antwoorden op de herkomstvragen.



6.5.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet.



Inhoudelijke beoordeling andere asielmotieven en risico op non-refoulement




7. Eiser voert aan dat zijn andere asielmotieven, namelijk de problemen na de dood van de broer van eiser en discriminatie als [etniciteit] , ten onrechte niet inhoudelijk zijn beoordeeld. Volgens eiser moet ieder asielmotief op zijn eigen merites beoordeeld worden. In het bijzonder had de minister volgens eiser de beschikbare landeninformatie over Somalië moeten betrekken bij de beoordeling of eiser een reëel risico op ernstige schade loopt omdat hij tot de [etniciteit] behoort.




7.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat asielmotieven enkel betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. De minister heeft de andere asielmotieven dan ook terecht niet inhoudelijk beoordeeld.



7.2.
Voor zover eiser heeft met de beroepsgrond heeft bedoeld dat de minister ten onrechte niet het risico op refoulement heeft beoordeeld bij terugkeer naar Somalië, overweegt de rechtbank het volgende. Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat de minister verplicht is om in iedere fase van het terugkeerproces te onderzoeken of er een refoulementsrisico is. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft eerder geoordeeld dat dit uitdrukkelijk ook geldt als de nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet kunnen worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat deze jurisprudentie ook van toepassing is in geval geen terugkeerbesluit is opgelegd, zoals in deze asielgrensprocedure. Dat betekent dat wanneer een vreemdeling moet vertrekken op basis van een removal order de minister moet onderzoeken of er een refoulementsrisico is, óók als de nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet aannemelijk zijn geworden. De onderliggende gedachte blijft immers hetzelfde: het beginsel van non-refoulement moet in elke fase van de terugkeerprocedure worden geëerbiedigd.



7.3.
De minister heeft in het bestreden besluit opgemerkt dat er een removal order is op basis waarvan de vervoerder die eiser van Egypte naar Nederland heeft gebracht ook verantwoordelijk is om eiser nu terug te vervoeren. Vervolgens heeft de minister onderzocht of eiser terug kon keren naar Egypte. Eiser heeft daarover verklaard dat hij Egypte niet kent en er alleen op doorreis is geweest, maar dat er verder geen redenen zijn waarom hij niet kan terugkeren naar Egypte. Op basis daarvan heeft de minister geoordeeld dat eiser geen risico loopt op een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM op het moment dat hij terugkeert naar Egypte. Daarmee heeft de minister voldaan aan de verplichting om het refoulementsrisico te onderzoeken. Eiser heeft weliswaar nog aangevoerd dat Egypte hem zal overdragen aan Somalië en dat dat een schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt, maar dat heeft eiser verder niet onderbouwd.



7.4.
De beroepsgrond slaagt niet.



Kennelijk ongegrond




8. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen. Het valt hem niet toe te rekenen dat hij een vals Belgisch paspoort heeft overgelegd. Daarnaast heeft hij de autoriteiten niet misleid, omdat hij direct bij aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd en daarbij zijn echte persoonsgegevens heeft opgegeven.




8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk heeft afgewezen. De rechtbank verwijst allereerst naar wat in rechtsoverweging 6.2. is overwogen. De minister mocht het eiser aanrekenen dat hij wist dat zijn paspoort vals was. Eiser was immers bekend met de waarde van een paspoort als reisdocument en wist ook dat het paspoort anders was dan zijn originele, Somalische paspoort. Eiser mocht daarom niet vertrouwen op de verklaring van zijn oom, van wie hij het paspoort heeft gekregen, dat alles wel goed zou komen, zoals hij tijdens de zitting heeft verklaard.



8.2.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser de autoriteiten heeft willen misleiden. Uit de processen-verbaal van de KMar volgt dat eiser op 11 juli 2026, omstreeks 14:30 uur, op Schiphol is aangehouden op verdenking van het voorhanden hebben van een vals reisdocument. Vervolgens heeft eiser pas een dag later, op 12 juli 2026 omstreeks 19:30 uur, asiel aangevraagd. Dat strookt niet met het verhaal van eiser op zitting, namelijk dat hij direct na aankomst op Schiphol asiel heeft aangevraagd. Uit deze gang van zaken volgt dat eiser eerst met een vals paspoort heeft geprobeerd toegang te krijgen tot Nederland, en daarna pas een asielaanvraag heeft ingediend. Dat is voldoende om te spreken van misleiding als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder c, van de Procedureverordening.



8.3.
De beroepsgrond slaagt eveneens niet.




Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister de asielaanvraag van eiser op terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft.

10. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.43457,

- verklaart het beroep ongegrond,


De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.43458,

- wijst het verzoek af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.C. Van der Roest, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.




Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Bestreden besluit, p. 3.


Kamp voor Internally Displaced Persons (mensen die op de vlucht zijn geslagen, maar binnen de grenzen van hun land zijn gebleven).


Zie het verslag van het gehoor, p. 9 t/m 11.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3460, r.o. 8.3.


Zie het verslag van het gehoor, p. 17.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 8 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15473, r.o. 8 en van de Afdeling van 7 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292, r.o. 5.1.


Uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, onder verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat).


Deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19515, r.o. 6.4 en 10 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6477, r.o. 8.2.


Verslag aanvullend gehoor, p. 4.


Bestreden besluit, p. 9.


Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024.