Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25103
2026-08-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.43712
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen afwijzing asielaanvraag onder het AMP. De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst terecht ongeloofwaardig geacht en heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Beroep deels gegrond, want ten onrechte geen non-refoulementbeoordeling gemaakt tav het tkb. De rechtbank vernietigt daarom het besluit voor zover daarbij een tkb en irv is opgelegd.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2026:3558 Raad van State 23-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2017:292 Raad van State 06-02-2017
- ECLI:NL:RVS:2024:1970 Raad van State 08-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:5668 Raad van State 25-11-2025
- ECLI:EU:C:2024:892
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.986 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43712
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. I. Kamphuis).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod kunnen echter niet in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 14 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 28 juli 2026 deze aanvraag in de standaard asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft de minister een terugkeerbesluit voor Nigeria en Jamaica opgelegd. Ook is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.K. Umar als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij werkte in Nigeria voor de National Defence Academy . In 2012 kwamen er terroristen naar zijn stad. Hij heeft met een aantal anderen op hen geschoten, waarbij vier terroristen zijn omgekomen. Eisers moeder is in [maand 1] 2013 gedood. Eiser is daarop in [maand 2] 2013 gevlucht van [staat 1] naar [staat 2] . Daar kreeg hij te horen dat er een vacature was voor voorzitter van de veemarkt. Door vrienden werd eiser aangemoedigd om hiervoor te solliciteren. Daarna is eiser drie keer aangevallen. Eiser weet niet of hij is aangevallen door mogelijke concurrenten voor de vacature of door terroristen uit [staat 1] , al heeft zijn spirituele leider hem verteld dat het de terroristen waren. Eiser moest vluchten voordat hij door hen gedood zou worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
de problemen met de terroristen uit het noorden.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. De minister stelt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet heeft onderbouwd met originele documenten, geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van documenten en geen oprechte inspanning heeft geleverd om aan identificerende documenten te komen. Verder heeft eiser niet eenduidig verklaard over zijn nationaliteit en is zijn herkomst met zijn verklaringen niet eenduidig te positioneren. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig is, allereerst omdat hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet kan onderbouwen en ten tweede omdat hij Duitsland heeft verlaten vanwege een strafrechtelijke procedure, terwijl zijn asielprocedure nog liep. De minister heeft eisers andere asielmotief niet beoordeeld op geloofwaardigheid, omdat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft eiser daarbij een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Geloofwaardigheid identiteit, nationaliteit en herkomst
5. Eiser voert aan dat de minister zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig vindt. Hij heeft steeds bedoeld te verklaren dat hij de Nigeriaanse nationaliteit en herkomst bezit. Hij heeft moeite om het juridische onderscheid te maken tussen nationaliteit, staatsburgerschap en documentbezit. Eiser stelt dat de minister deze context onvoldoende betrokken heeft. Voor zover aan eiser dingen zijn tegengeworpen over de antwoorden op de herkomstvragen, geldt dat eiser in het Pidgin Engels is gehoord en dat zijn antwoorden fonetisch genoteerd kunnen zijn. Dit zou de vermeende discrepanties kunnen verklaren. De minister heeft bovendien onvoldoende gewicht toegekend aan eisers talenkennis, etnische achtergrond en uitgebreide verklaringen over zijn verblijf in Nigeria. Dit duidt allemaal op een Nigeriaanse nationaliteit en herkomst.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.2.
Niet in geschil is dat eiser geen originele, identificerende documenten heeft overgelegd. De minister heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat hij een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn verzoek om internationale bescherming te staven en ook geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van identificerende documenten. In het gehoor heeft eiser immers verklaard over een geboorteakte en andere documenten te beschikken. Hij heeft ook verklaard dat hij ertoe in staat is deze documenten naar Nederland te krijgen. Het is echter niet gebleken dat eiser dit geprobeerd heeft. De minister heeft hierbij ook mogen betrekken dat eiser al sinds 2015 in Europa verblijft. De enkele verklaring dat het aan het Europese systeem ligt dat hij geen documenten heeft verzameld, heeft de minister terecht niet gevolgd, omdat zeer onaannemelijk is dat eiser bij de asielprocedures in Italië en Duitsland niet gewezen is op het belang van documenten. Ter zitting heeft eiser nog kopieën van de geboorteaktes van zijn kinderen overgelegd. Hoewel op één van deze documenten staat dat eiser de Nigeriaanse nationaliteit bezit, leidt dit niet tot een ander standpunt. Het betreffen immers kopieën en bovendien is niet duidelijk welke onderliggende stukken ten grondslag hebben gelegen aan de geboorteaktes van zijn kinderen.
5.3.
De minister heeft verder aan eiser kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen over zijn nationaliteit geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft bij zijn aanmelding op het zogenoemde screeningsformulier eerst aangegeven dat hij geboren is in Jamaica. Vervolgens heeft hij dat gecorrigeerd naar Nigeria. In het gehoor heeft hij opnieuw verklaard te zijn geboren in Nigeria. Vervolgens heeft hij desgevraagd verklaard zowel de Jamaicaanse als Nigeriaanse nationaliteit niet te bezitten. Later heeft hij verklaard de Jamaicaanse nationaliteit niet te hebben en te hebben begrepen dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft, omdat hij daar is geboren. Ook heeft hij verklaard er sinds een tijd vanuit te gaan dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Hoewel de rechtbank eiser volgt in zijn standpunt dat hij twee keer heeft verklaard dat de Jamaicaanse vermelding bij zijn aanmelding een fout was, heeft de minister wel terecht aan eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over het bezitten van de Nigeriaanse nationaliteit.
5.4.
Daar komt bij dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen over zijn herkomst geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser tegengeworpen dat zijn antwoorden op herkomstdetailvragen niet te vinden zijn of niet te herleiden zijn tot de door eiser genoemde plaatsen. Ook met betrekking tot eisers verklaringen naar aanleiding van specifieke vragen over één herkomstplaats, de stad [plaats] in [staat 1] , heeft de minister schijnbare onjuistheden tegengeworpen. De enkele verklaring dat eisers antwoorden fonetisch kunnen zijn genoteerd, is een onvoldoende betwisting. Eiser is immers in het Pidgin Engels gehoord, omdat hij bij zijn aanmelding zelf heeft aangegeven dat zijn spreektaal Pidgin Engels is. Eiser heeft verder geen correcties en aanvullingen ingediend op het gehoor en heeft bovendien geen enkel concreet aanknopingspunt gegeven waaruit blijkt dat een schijnbare onjuistheid onterecht is tegengeworpen, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. De omstandigheid dat eiser met zijn verklaringen wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij bekend is met de Nigeriaanse taal, etniciteiten en omgeving, doet hier niet aan af. Bekendheid met een taal of cultuur van een land impliceert immers op zichzelf geen herkomst of bezit van een nationaliteit.
5.5.
De minister heeft ook terecht aan eiser tegengeworpen dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser niet in staat is gebleken zijn identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat eiser Duitsland hangende zijn asielprocedure heeft verlaten wegens een strafrechtelijke procedure en dat dit ook niet staaft dat eiser oprecht internationale bescherming behoeft.
Geloofwaardigheid problemen met terroristen uit het noorden
6. Eiser voert aan dat de minister het asielmotief over de problemen met terroristen uit het noorden ten onrechte niet heeft beoordeeld op geloofwaardigheid. Hierdoor ontbreekt een inhoudelijke boordeling van zijn beschermingsbehoefte, als vluchteling dan wel als subsidiair beschermde. Zelfs als de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet volstrekt duidelijk is, moet volgens eiser wel inhoudelijk worden gekeken naar het asielrelaas.
6.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een asielmotief slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling en dat een verdere beoordeling van het asielrelaas niet kan worden verricht wanneer de vreemdeling deze elementen niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is, gelet op deze jurisprudentie, van oordeel dat de minister terecht het asielmotief over de problemen met terroristen uit het noorden niet heeft beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister heeft dan ook niet hoeven toetsen of de door eiser gestelde problemen met terroristen uit het noorden leiden tot de conclusie dat hij moet worden aangemerkt als vluchteling is of als iemand die subsidiaire bescherming behoeft.
Kennelijk ongegrond
7. Eiser voert aan dat de minister zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Omdat zijn verklaringen niet inhoudelijk zijn beoordeeld, kan niet worden geconcludeerd dat zijn verklaringen kennelijk ongeloofwaardig zijn.
7.1.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat sprake is van kennelijk inconsequente en duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen met betrekking tot de nationaliteit en herkomst en omdat het inwilligingspercentage van Nigeriaanse aanvragen 14,2% is en daarmee valt onder de Europese lijst van 20% of minder.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarvoor is, anders dan eiser stelt, niet vereist dat al zijn verklaringen inhoudelijk zijn beoordeeld als kennelijk ongeloofwaardig. De kennelijk inconsequente en onwaarschijnlijke verklaringen met betrekking tot zijn nationaliteit en herkomst zijn al voldoende om dit oordeel te dragen.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
8. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod heeft opgelegd. De minister stelt enerzijds dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over zijn nationaliteit en herkomst, maar noemt anderzijds zowel Nigeria als Jamaica als land van terugkeer. Volgens eiser verdraagt zich dat lastig met de vereiste zorgvuldigheid voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Bovendien is niet kenbaar onderzocht of zijn uitzetting verenigbaar is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
8.1.
Uit het bestreden besluit volgt dat aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Hierbij is eiser opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en terug te keren naar Nigeria of Jamaica. Ook is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
8.2.
De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat in de asielprocedure voldoende is beoordeeld of sprake is van een risico op non-refoulement. De minister heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024 en naar een uitspraak met de bevestiging van deze lijn van 25 november 2025.
8.3.
In de uitspraak van 8 mei 2024 heeft de Afdeling overwogen dat het risico op nonrefoulement slechts realistisch kan worden onderzocht tegen de achtergrond van een aannemelijke nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Volgens de Afdeling is een verdere effectieve beoordeling van dat risico op non-refoulement op het moment van het nemen van een terugkeerbesluit niet mogelijk en kan deze beoordeling daarom achterwege blijven zolang niet meer bekend is over de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. De Afdeling heeft hierin verder overwogen dat een inhoudelijke en volledige beoordeling van het risico op non-refoulement op een later moment alsnog zou kunnen en soms zou moeten plaatsvinden, bijvoorbeeld door het indienen van een opvolgende asielaanvraag of herzieningsverzoek of door het maken van bezwaar tegen de feitelijke uitzetting.
8.4.
De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in het arrest Ararat op 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en die de bevoegde nationale autoriteiten verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Op 25 juni 2026 heeft het Hof in het arrest Hardeker onder meer geoordeeld dat meerdere landen in een terugkeerbesluit kunnen worden vermeld, mits de verwijdering van de vreemdeling in het licht van het non-refoulementbeginsel mogelijk is naar ten minste een van de in dat besluit genoemde landen.
8.5.
De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in het bestreden besluit een non-refoulementbeoordeling had moeten maken ten aanzien van ten minste één van de genoemde landen, Nigeria of Jamaica. Nu een non-refoulementbeoordeling in het bestreden besluit geheel ontbreekt, is het terugkeerbesluit in strijd met het Unierecht. De rechtbank zal daarom het terugkeerbesluit vernietigen. Omdat daarmee de grondslag van het inreisverbod vervalt, zal de rechtbank ook het inreisverbod vernietigen.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft echter ten onrechte aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd. De afwijzing van de asielaanvraag blijft wel in stand.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is beslist dat aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a en onder b, van de Kwalificatieverordening.
Zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening.
Zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening.
Zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatieverordening.
Bijvoorbeeld de uitspraken van 23 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3558, of 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292.
Zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedureverordening.
Zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening.
ECLI:NL:RVS:2024:1970.
ECLI:NL:RVS:2025:5668.
ECLI:EU:C:2024:892.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43712
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. I. Kamphuis).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod kunnen echter niet in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 14 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 28 juli 2026 deze aanvraag in de standaard asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft de minister een terugkeerbesluit voor Nigeria en Jamaica opgelegd. Ook is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.K. Umar als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij werkte in Nigeria voor de National Defence Academy . In 2012 kwamen er terroristen naar zijn stad. Hij heeft met een aantal anderen op hen geschoten, waarbij vier terroristen zijn omgekomen. Eisers moeder is in [maand 1] 2013 gedood. Eiser is daarop in [maand 2] 2013 gevlucht van [staat 1] naar [staat 2] . Daar kreeg hij te horen dat er een vacature was voor voorzitter van de veemarkt. Door vrienden werd eiser aangemoedigd om hiervoor te solliciteren. Daarna is eiser drie keer aangevallen. Eiser weet niet of hij is aangevallen door mogelijke concurrenten voor de vacature of door terroristen uit [staat 1] , al heeft zijn spirituele leider hem verteld dat het de terroristen waren. Eiser moest vluchten voordat hij door hen gedood zou worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
de problemen met de terroristen uit het noorden.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. De minister stelt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet heeft onderbouwd met originele documenten, geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van documenten en geen oprechte inspanning heeft geleverd om aan identificerende documenten te komen. Verder heeft eiser niet eenduidig verklaard over zijn nationaliteit en is zijn herkomst met zijn verklaringen niet eenduidig te positioneren. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig is, allereerst omdat hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet kan onderbouwen en ten tweede omdat hij Duitsland heeft verlaten vanwege een strafrechtelijke procedure, terwijl zijn asielprocedure nog liep. De minister heeft eisers andere asielmotief niet beoordeeld op geloofwaardigheid, omdat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft eiser daarbij een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Geloofwaardigheid identiteit, nationaliteit en herkomst
5. Eiser voert aan dat de minister zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig vindt. Hij heeft steeds bedoeld te verklaren dat hij de Nigeriaanse nationaliteit en herkomst bezit. Hij heeft moeite om het juridische onderscheid te maken tussen nationaliteit, staatsburgerschap en documentbezit. Eiser stelt dat de minister deze context onvoldoende betrokken heeft. Voor zover aan eiser dingen zijn tegengeworpen over de antwoorden op de herkomstvragen, geldt dat eiser in het Pidgin Engels is gehoord en dat zijn antwoorden fonetisch genoteerd kunnen zijn. Dit zou de vermeende discrepanties kunnen verklaren. De minister heeft bovendien onvoldoende gewicht toegekend aan eisers talenkennis, etnische achtergrond en uitgebreide verklaringen over zijn verblijf in Nigeria. Dit duidt allemaal op een Nigeriaanse nationaliteit en herkomst.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.2.
Niet in geschil is dat eiser geen originele, identificerende documenten heeft overgelegd. De minister heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat hij een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn verzoek om internationale bescherming te staven en ook geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van identificerende documenten. In het gehoor heeft eiser immers verklaard over een geboorteakte en andere documenten te beschikken. Hij heeft ook verklaard dat hij ertoe in staat is deze documenten naar Nederland te krijgen. Het is echter niet gebleken dat eiser dit geprobeerd heeft. De minister heeft hierbij ook mogen betrekken dat eiser al sinds 2015 in Europa verblijft. De enkele verklaring dat het aan het Europese systeem ligt dat hij geen documenten heeft verzameld, heeft de minister terecht niet gevolgd, omdat zeer onaannemelijk is dat eiser bij de asielprocedures in Italië en Duitsland niet gewezen is op het belang van documenten. Ter zitting heeft eiser nog kopieën van de geboorteaktes van zijn kinderen overgelegd. Hoewel op één van deze documenten staat dat eiser de Nigeriaanse nationaliteit bezit, leidt dit niet tot een ander standpunt. Het betreffen immers kopieën en bovendien is niet duidelijk welke onderliggende stukken ten grondslag hebben gelegen aan de geboorteaktes van zijn kinderen.
5.3.
De minister heeft verder aan eiser kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen over zijn nationaliteit geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft bij zijn aanmelding op het zogenoemde screeningsformulier eerst aangegeven dat hij geboren is in Jamaica. Vervolgens heeft hij dat gecorrigeerd naar Nigeria. In het gehoor heeft hij opnieuw verklaard te zijn geboren in Nigeria. Vervolgens heeft hij desgevraagd verklaard zowel de Jamaicaanse als Nigeriaanse nationaliteit niet te bezitten. Later heeft hij verklaard de Jamaicaanse nationaliteit niet te hebben en te hebben begrepen dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft, omdat hij daar is geboren. Ook heeft hij verklaard er sinds een tijd vanuit te gaan dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Hoewel de rechtbank eiser volgt in zijn standpunt dat hij twee keer heeft verklaard dat de Jamaicaanse vermelding bij zijn aanmelding een fout was, heeft de minister wel terecht aan eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over het bezitten van de Nigeriaanse nationaliteit.
5.4.
Daar komt bij dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen over zijn herkomst geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser tegengeworpen dat zijn antwoorden op herkomstdetailvragen niet te vinden zijn of niet te herleiden zijn tot de door eiser genoemde plaatsen. Ook met betrekking tot eisers verklaringen naar aanleiding van specifieke vragen over één herkomstplaats, de stad [plaats] in [staat 1] , heeft de minister schijnbare onjuistheden tegengeworpen. De enkele verklaring dat eisers antwoorden fonetisch kunnen zijn genoteerd, is een onvoldoende betwisting. Eiser is immers in het Pidgin Engels gehoord, omdat hij bij zijn aanmelding zelf heeft aangegeven dat zijn spreektaal Pidgin Engels is. Eiser heeft verder geen correcties en aanvullingen ingediend op het gehoor en heeft bovendien geen enkel concreet aanknopingspunt gegeven waaruit blijkt dat een schijnbare onjuistheid onterecht is tegengeworpen, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. De omstandigheid dat eiser met zijn verklaringen wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij bekend is met de Nigeriaanse taal, etniciteiten en omgeving, doet hier niet aan af. Bekendheid met een taal of cultuur van een land impliceert immers op zichzelf geen herkomst of bezit van een nationaliteit.
5.5.
De minister heeft ook terecht aan eiser tegengeworpen dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser niet in staat is gebleken zijn identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat eiser Duitsland hangende zijn asielprocedure heeft verlaten wegens een strafrechtelijke procedure en dat dit ook niet staaft dat eiser oprecht internationale bescherming behoeft.
Geloofwaardigheid problemen met terroristen uit het noorden
6. Eiser voert aan dat de minister het asielmotief over de problemen met terroristen uit het noorden ten onrechte niet heeft beoordeeld op geloofwaardigheid. Hierdoor ontbreekt een inhoudelijke boordeling van zijn beschermingsbehoefte, als vluchteling dan wel als subsidiair beschermde. Zelfs als de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet volstrekt duidelijk is, moet volgens eiser wel inhoudelijk worden gekeken naar het asielrelaas.
6.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een asielmotief slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling en dat een verdere beoordeling van het asielrelaas niet kan worden verricht wanneer de vreemdeling deze elementen niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is, gelet op deze jurisprudentie, van oordeel dat de minister terecht het asielmotief over de problemen met terroristen uit het noorden niet heeft beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister heeft dan ook niet hoeven toetsen of de door eiser gestelde problemen met terroristen uit het noorden leiden tot de conclusie dat hij moet worden aangemerkt als vluchteling is of als iemand die subsidiaire bescherming behoeft.
Kennelijk ongegrond
7. Eiser voert aan dat de minister zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Omdat zijn verklaringen niet inhoudelijk zijn beoordeeld, kan niet worden geconcludeerd dat zijn verklaringen kennelijk ongeloofwaardig zijn.
7.1.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat sprake is van kennelijk inconsequente en duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen met betrekking tot de nationaliteit en herkomst en omdat het inwilligingspercentage van Nigeriaanse aanvragen 14,2% is en daarmee valt onder de Europese lijst van 20% of minder.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarvoor is, anders dan eiser stelt, niet vereist dat al zijn verklaringen inhoudelijk zijn beoordeeld als kennelijk ongeloofwaardig. De kennelijk inconsequente en onwaarschijnlijke verklaringen met betrekking tot zijn nationaliteit en herkomst zijn al voldoende om dit oordeel te dragen.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
8. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod heeft opgelegd. De minister stelt enerzijds dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over zijn nationaliteit en herkomst, maar noemt anderzijds zowel Nigeria als Jamaica als land van terugkeer. Volgens eiser verdraagt zich dat lastig met de vereiste zorgvuldigheid voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Bovendien is niet kenbaar onderzocht of zijn uitzetting verenigbaar is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
8.1.
Uit het bestreden besluit volgt dat aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Hierbij is eiser opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en terug te keren naar Nigeria of Jamaica. Ook is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
8.2.
De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat in de asielprocedure voldoende is beoordeeld of sprake is van een risico op non-refoulement. De minister heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024 en naar een uitspraak met de bevestiging van deze lijn van 25 november 2025.
8.3.
In de uitspraak van 8 mei 2024 heeft de Afdeling overwogen dat het risico op nonrefoulement slechts realistisch kan worden onderzocht tegen de achtergrond van een aannemelijke nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Volgens de Afdeling is een verdere effectieve beoordeling van dat risico op non-refoulement op het moment van het nemen van een terugkeerbesluit niet mogelijk en kan deze beoordeling daarom achterwege blijven zolang niet meer bekend is over de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. De Afdeling heeft hierin verder overwogen dat een inhoudelijke en volledige beoordeling van het risico op non-refoulement op een later moment alsnog zou kunnen en soms zou moeten plaatsvinden, bijvoorbeeld door het indienen van een opvolgende asielaanvraag of herzieningsverzoek of door het maken van bezwaar tegen de feitelijke uitzetting.
8.4.
De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in het arrest Ararat op 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en die de bevoegde nationale autoriteiten verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Op 25 juni 2026 heeft het Hof in het arrest Hardeker onder meer geoordeeld dat meerdere landen in een terugkeerbesluit kunnen worden vermeld, mits de verwijdering van de vreemdeling in het licht van het non-refoulementbeginsel mogelijk is naar ten minste een van de in dat besluit genoemde landen.
8.5.
De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in het bestreden besluit een non-refoulementbeoordeling had moeten maken ten aanzien van ten minste één van de genoemde landen, Nigeria of Jamaica. Nu een non-refoulementbeoordeling in het bestreden besluit geheel ontbreekt, is het terugkeerbesluit in strijd met het Unierecht. De rechtbank zal daarom het terugkeerbesluit vernietigen. Omdat daarmee de grondslag van het inreisverbod vervalt, zal de rechtbank ook het inreisverbod vernietigen.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft echter ten onrechte aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd. De afwijzing van de asielaanvraag blijft wel in stand.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is beslist dat aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a en onder b, van de Kwalificatieverordening.
Zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening.
Zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening.
Zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatieverordening.
Bijvoorbeeld de uitspraken van 23 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3558, of 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292.
Zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedureverordening.
Zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening.
ECLI:NL:RVS:2024:1970.
ECLI:NL:RVS:2025:5668.
ECLI:EU:C:2024:892.