Raad van State
ECLI:NL:RVS:2014:183
2014-01-22
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201301775/1/V4
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 27 januari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (41)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18396 Rechtbank Den Haag 16-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:13041 Rechtbank Den Haag 24-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9186 Rechtbank Den Haag 27-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6604 Rechtbank Den Haag 09-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7245 Rechtbank Den Haag 12-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7839 Rechtbank Den Haag 14-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2606 Rechtbank Den Haag 06-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4923 Rechtbank Den Haag 27-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1303 Rechtbank Den Haag 08-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1193 Rechtbank Den Haag 03-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15005 Rechtbank Den Haag 20-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10763 Rechtbank Den Haag 22-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10750 Rechtbank Den Haag 02-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:13515 Rechtbank Den Haag 03-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:17127 Rechtbank Den Haag 02-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:7004 Rechtbank Den Haag 05-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16496 Rechtbank Den Haag 11-05-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10908 Rechtbank Den Haag 11-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9559 Rechtbank Den Haag 21-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:7886 Rechtbank Den Haag 16-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5898 Rechtbank Den Haag 22-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5545 Rechtbank Den Haag 29-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4149 Rechtbank Den Haag 06-05-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:3581 Rechtbank Den Haag 17-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:3853 Rechtbank Den Haag 02-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13565 Rechtbank Den Haag 11-12-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:3977 Rechtbank Den Haag 19-03-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:2217 Rechtbank Den Haag 01-03-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:1841 Rechtbank Den Haag 26-02-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:1537 Rechtbank Den Haag 07-02-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:369 Rechtbank Den Haag 15-01-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2018:14999 Rechtbank Den Haag 17-12-2018
- ECLI:NL:RBROT:2018:7718 Rechtbank Rotterdam 14-09-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:11520 Rechtbank Den Haag 19-07-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:2947 Rechtbank Den Haag 12-03-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:4240 Rechtbank Den Haag 09-02-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2017:11558 Rechtbank Den Haag 10-10-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:9878 Rechtbank Den Haag 17-08-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:4463 Rechtbank Den Haag 26-04-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2014:14656 Rechtbank Den Haag 01-12-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:10160 Rechtbank Den Haag 04-04-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (3.639 tekens)
201301775/1/V4.
Datum uitspraak: 22 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 februari 2013 in zaak nr. 12/3029 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
2. Bij brief van 3 oktober 2012 heeft de gemachtigde van de vreemdeling de rechtbank te kennen gegeven geen contact meer met hem te onderhouden. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank op 16 oktober 2012 blijkt dat de gemachtigde van de vreemdeling desgevraagd heeft verklaard nog steeds geen contact met de vreemdeling te hebben. Bij brief van 20 augustus 2013 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling meegedeeld dat de vreemdeling sinds 18 oktober 2012 staat geregistreerd als zijnde met onbekende bestemming vertrokken en dat de gemachtigde van de vreemdeling op 20 augustus 2013 desgevraagd heeft verklaard nog immer geen contact te hebben met de vreemdeling.
3. Nu de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, stelt hij kennelijk geen prijs meer op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. Reeds hierom is het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk gegrond. De grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank bij deze stand van zaken zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling, nu hij gelet op het voorgaande geen rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem tegen het besluit van 27 januari 2012 ingestelde beroep, niet-ontvankelijk verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 februari 2013 in zaak nr. 12/3029;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Brock
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014
603.
Datum uitspraak: 22 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 februari 2013 in zaak nr. 12/3029 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
2. Bij brief van 3 oktober 2012 heeft de gemachtigde van de vreemdeling de rechtbank te kennen gegeven geen contact meer met hem te onderhouden. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank op 16 oktober 2012 blijkt dat de gemachtigde van de vreemdeling desgevraagd heeft verklaard nog steeds geen contact met de vreemdeling te hebben. Bij brief van 20 augustus 2013 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling meegedeeld dat de vreemdeling sinds 18 oktober 2012 staat geregistreerd als zijnde met onbekende bestemming vertrokken en dat de gemachtigde van de vreemdeling op 20 augustus 2013 desgevraagd heeft verklaard nog immer geen contact te hebben met de vreemdeling.
3. Nu de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, stelt hij kennelijk geen prijs meer op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. Reeds hierom is het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk gegrond. De grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank bij deze stand van zaken zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling, nu hij gelet op het voorgaande geen rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem tegen het besluit van 27 januari 2012 ingestelde beroep, niet-ontvankelijk verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 februari 2013 in zaak nr. 12/3029;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Brock
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014
603.