Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2019:3977

2019-03-19 Bestuursrecht NL18.136, NL18.137, NL17.15181, NL17.15183 en NL17.15184
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2019-03-19
Publicatiedatum
2019-04-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL18.136, NL18.137, NL17.15181, NL17.15183 en NL17.15184
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel – eisers MOB – geen procesbelang – beroep niet-ontvankelijk

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.337 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



zaaknummers: NL18.136, NL18.137, NL17.15181, NL17.15182, NL17.15183 en NL17.15184


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen



[naam eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1965, eiser,



[naam eiseres]
, geboren op [geboortedatum 2] 1976, eiseres
en hun kinderen,


[kind 1]
, geboren op [geboortedatum 3] 2002,


[kind 2]
, geboren op [geboortedatum 3] 2008,


[kind 3]
, geboren op [geboortedatum 3] 2009,


[kind 4]
, geboren op [geboortedatum 3] 2012,


[kind 5]
, geboren op [geboortedatum 3] 2014,
allen van Syrische nationaliteit, tezamen eisers,
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),



en


de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: C. van der Zijde).




Procesverloop Bij besluit van 18 december 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de aanvragen van eiseres en de kinderen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 28 december 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.


Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt om, totdat op de beroepen is beslist, uitzetting naar Griekenland te voorkomen.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2019. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.





Overwegingen

1. Uit Eurodac is gebleken dat eisers in Griekenland een verzoek om in internationale bescherming hebben ingediend en dat zij in Griekenland internationale bescherming genieten.

2. Verweerder heeft de aanvragen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eisers internationale bescherming genieten in Griekenland. Daarom is volgens verweerder sprake van een zodanige band met Griekenland dat het voor eisers redelijk is om daar heen te gaan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat Griekenland tegen hen zijn internationale verdragsverplichtingen niet nakomt.

3. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van eisers laten weten dat hij geen contact meer heeft met eisers. Eisers zijn volgens hun gemachtigde met onbekende bestemming vertrokken. De rechtbank ziet zich dan ook allereerst voor de vraag gesteld of eisers procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep en overweegt daartoe als volgt.

4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, zonder contact te houden met zijn gemachtigde, hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep.



5. Uit wat hiervoor is overwogen, leidt de rechtbank af dat eisers kennelijk geen prijs meer stellen op een inhoudelijke beoordeling van de besluiten en de door hen tegen de besluiten ingestelde rechtsmiddelen. De rechtbank zal de beroepen dan ook niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang. De verzoeken om een voorlopige voorziening worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:




In de zaken met nummers NL18.136, NL17.15181 en NL17.15183:


- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.



In de zaken met nummers NL18.137, NL17.15182 en NL17.15184:



- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Grundmeijer, griffier.




griffier
rechter




Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:





RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:183.