Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7768
2026-07-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/442972 / JE RK 26-2225 / C/02/449291 / JE RK 26-1042
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Restant verzoek verlenging ondertoezichtstelling toegewezen, verzoek machtiging uithuisplaatsing toegewezen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.135 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/442972 / JE RK 26-2225 (verlenging ondertoezichtstelling)
C/02/449291 / JE RK 26-1042 (machtiging uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 16 juli 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. W. van der Sande uit Goes,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het (verdere) verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/442972 / JE RK 26-2225:
de beschikking van 21 januari 2026;
de brief van de GI met bijlagen van 17 juni 2026.
In zaaknummer C/02/449291 / JE RK 26-1042:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 16 juni 2026.
de brief van de GI van 2 juli 2026.
de brief van de advocaat van de moeder, overlegd tijdens de zitting.
1.2.
Op 16 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, waarvan één van de vertegenwoordigsters via een Teams-verbinding.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 22 januari 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 januari 2021 en tot 22 januari 2022. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 21 januari 2026 met ingang van 22 januari 2026 en tot 22 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.
2.3.
Bij beschikking van 5 juni 2023 is het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling aangehouden tot de mondelinge behandeling van 14 juli 2023.
2.4.
Bij beschikking van 14 juli 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] afgewezen.
2.5.
Bij beschikking van 19 februari 2025 is bepaald dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de [minderjarige] geldt, op basis waarvan zij contact hebben met elkaar:
- eenmaal per twee weken op vrijdag uit school tot 19:30 uur, deels begeleid;
- eenmaal per maand in het weekend met overnachting van bijvoorbeeld zaterdag 13:30 uur
tot zondag 11:00 uur, deels begeleid.
2.6.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
3De verzoeken
In zaaknummer C/02/442972 / JE RK 26-2225:
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot 22 januari 2027.
In zaaknummer C/02/449291 / JE RK 26-1042:
3.3.
De GI verzoekt om een machtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
[minderjarige] geeft in zijn gesprek met de kinderrechter aan dat het een beetje goed en een beetje slecht met hem gaat. [minderjarige] geeft aan dat hij soms ruzie heeft met zijn broertjes en dat ze hem dan wel eens slaan. Zijn moeder heeft hem ook geslagen, maar zij doet dat nu bijna niet meer. [minderjarige] heeft het ook gehad over [persoon 1] . Zij kwam bij hem thuis en heeft hem ook weleens geslagen. De moeder is erg boos op [minderjarige] en [persoon 2] omdat [persoon 1] niet meer bij hen thuis mag komen. [minderjarige] geeft aan dat hij het liefst thuis wil blijven wonen. Zijn vader ziet hij een keer in de maand. Zijn ouders praten niet met elkaar. Met [persoon 2] kan [minderjarige] goed praten.
4.2.
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing van de verzoeken naar de overgelegde stukken. Daarbij verwijst zij ook naar de inhoud van de stukken waarvan zij had verzocht deze niet te delen met de ouders in verband met de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] . De zorgen over [minderjarige] zijn ernstig. Nadat de moeder in februari 2026 bij [hulpverlening] heeft aangegeven dat het te veel is thuis met [minderjarige] heeft de GI de thuissituatie goed onderzocht. Na observatie komt [hulpverlening] tot de conclusie dat de veiligheid van [minderjarige] niet meer gewaarborgd kan worden. [hulpverlening] heeft bovendien aangegeven te gaan stoppen met de hulpverlening. Er zijn patronen van mishandeling binnen het gezin. Het gaat daarbij onder meer om fysieke mishandeling van [minderjarige] door de moeder en haar bonusdochter [persoon 1] . De moeder is niet leerbaar en stelt zich niet begeleidbaar op. De moeder geeft voornamelijk de buitenwereld de schuld. Bovendien moet [minderjarige] van de moeder zijn mond houden over wat er thuis gebeurt. Daarnaast gaat [minderjarige] gebukt onder de complexe echtscheiding tussen de ouders. De ouders communiceren niet met elkaar en de moeder geeft geen emotionele toestemming voor het bezoek aan de vader. Het contact met de vader is op dit begeleid omdat de bezoeken aan vader een negatieve invloed hadden op het gedrag van [minderjarige] in de thuissituatie van de moeder. De vader stelde namelijk duidelijk minder grenzen dan de moeder. De GI is van mening dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De GI wil vanuit een crisisplaatsing de verdere opties onderzoeken. Ook een mogelijke plaatsing bij de vader zal door een objectieve organisatie moeten worden onderzocht. De GI vindt dat [minderjarige] niet direct bij de vader kan worden geplaatst omdat [hulpverlening] heeft aangegeven dat er in zijn thuissituatie nog veel winst te behalen valt. Tot slot heeft de GI twijfels of de moeder alles begrijpt wat tegen haar wordt gezegd. De GI adviseert daarom een IQ- en persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder.
4.3.
Namens en door de moeder wordt verweer gevoerd tegen de uithuisplaatsing. Voor de ondertoezichtstelling refereert de moeder zich aan het oordeel van de kinderrechter. Er werd toegewerkt naar een beëindiging van de ondertoezichtstelling, maar in de afgelopen maanden heeft een grote ommekeer plaatsgevonden. Veel dingen zijn op een vervelende manier gelopen. De moeder benadrukt dat ze haar kinderen niet mishandelt. De moeder moet [minderjarige] wel regelmatig begrenzen, maar dat is geen mishandeling. Ook [persoon 1] heeft [minderjarige] nooit geslagen. Ondanks dat er geen sprake is van mishandeling, is het zorgelijk dat [minderjarige] zegt dat het wel zo is. De moeder zou graag willen dat wordt onderzocht waar dit gedrag vandaan komt. Mogelijk gedraagt [minderjarige] zich bewust moeilijk omdat hij bij de vader wil wonen. De moeder wil niet dat er overhaast een beslissing wordt genomen en wilt dat er eerst verder onderzoek wordt gedaan. De moeder vindt dat er wordt gedaan alsof [minderjarige] onder continue dreiging staat thuis. Dit is niet het geval. De moeder heeft geen contact met de vader en wil dat ook niet.
4.4.
De vader geeft aan dat hij de moeder altijd heeft gesteund en medewerking heeft verleend. Volgens de vader spreekt [minderjarige] wel de waarheid. Als [minderjarige] uit huis moet worden geplaatst is de beste plek bij de vader. De vader snapt niet waarom de huidige bezoeken aan hem begeleid moeten zijn. Hij zou graag meer tijd met [minderjarige] doorbrengen. Verder vindt de vader de ondertoezichtstelling onzin. De vader laat wel hulpverlening toe, dat heeft hij altijd al gedaan.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
In zaaknummer C/02/442972 / JE RK 26-2225:
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.5.
De kinderrechter stelt voorop dat zij het zeer betreurt dat vanuit de rechtbank abusievelijk stukken zijn verstrekt waarvan de GI had verzocht om deze op grond van artikel 811 lid 2 Rv niet te delen met de ouders. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat deze stukken in het kader van de transparantie alsnog gedeeld moeten worden. Partijen hebben, voor zover dat nog niet was gebeurd, ter zitting kennisgenomen van de stukken waarin meer gedetailleerd is vermeld wat [minderjarige] tegen de hulpverlening over de thuissituatie heeft verteld. De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De zorgen over [minderjarige] en de thuissituatie zijn groot. Er is sprake van een verstoorde ouder-kindrelatie en hechtingsproblematiek. De moeder kan [minderjarige] niet in voldoende mate bieden wat hij nodig heeft, hetgeen zorgt voor een beperking in zijn ontwikkeling. Er zijn nog steeds met regelmaat conflicten tussen [minderjarige] en de moeder en dit veroorzaakt angst bij hem. De moeder mist de handvaten om met het gedrag van [minderjarige] om te gaan. Dit leidt tot onveilige situaties in de thuissituaties waarbij de moeder [minderjarige] niet de liefde en begeleiding kan geven die hij nodig heeft. Dit is de afgelopen jaren – ondanks de ingezette hulpverlening – nauwelijks verbeterd. Dit komt voornamelijk door de onvoldoende leerbaarheid van de moeder. Bovendien laat de moeder zich negatief uit over de hulpverlening waardoor het vertrouwen van [minderjarige] in de hulpverlening wordt aangetast. De betrokkenheid van [persoon 1] in het gezin acht de kinderrechter zorgelijk en niet helpend. Het is belangrijk dat de moeder dit in ziet. Ook de complexe echtscheiding van de ouders speelt nog steeds een rol. De ouders communiceren niet met elkaar en [minderjarige] zit klem tussen de ouders. [minderjarige] kan op dit moment nog geen onbelast contact hebben met beide ouders.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders niet in staat zijn om samen afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Er is sprake van een verstoorde samenwerking tussen de ouders. Het is belangrijk dat de GI regie blijft voeren om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te blijven waarborgen. Nu de machtiging tot uithuisplaatsing ook zal worden toegewezen zal de GI de komende periode betrokken moeten blijven om de uithuisplaatsing in goede banen te leiden. Hierbij zal de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] voorop staan. Daarnaast zal worden onderzocht welke vorm van omgang tussen [minderjarige] en beide ouders het beste aansluit bij de behoeften van [minderjarige] .
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
In zaaknummer C/02/449291 / JE RK 26-1042:
5.8.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.9.
Tijdens de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft de GI meerdere malen een verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing ingediend. De kinderrechter heeft in de beschikking van 19 februari 2025 overwogen dat de inzet van hulpverlening in de thuissituatie een kans moet krijgen en heeft daarom, ondanks de zorgen die er waren, de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen. In juni 2026 heeft de GI een nieuw verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing ingediend. Op basis van de informatie van [hulpverlening] , [persoon 2] , de GI en het gesprek van [minderjarige] met de kinderrechter is het de kinderrechter gebleken dat er op dit moment veel zorgen zijn over [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder kan in onvoldoende mate veiligheid en begeleiding bieden aan [minderjarige] . De hulpverlening en de GI zien een patroon van onveiligheid en mishandeling in de thuissituatie. Hoewel de moeder ontkent [minderjarige] te mishandelen, is het erg zorgelijk dat [minderjarige] deze uitspraken doet. Er is inmiddels vijf jaar lang intensieve hulpverlening ingezet, hetgeen nauwelijks tot verandering heeft geleid in de thuissituatie bij de moeder. De moeder is niet leerbaar en stelt zich onvoldoende begeleidbaar op tegenover de hulpverlening. Door het gedrag van de moeder kunnen de hulpverleners niet effectief werken in het gezin. De moeder legt alle verantwoordelijkheid buiten zichzelf en is niet in staat haar eigen aandeel in te zien. Dit maakt dat er geen sprake is van een stabiele, veilige en passende opvoedomgeving voor [minderjarige] . Eerder zijn al meerdere kinderen uit huis geplaatst bij de moeder, hetgeen bevestigt dat de moeder niet in staat is oude patronen te doorbreken. Ook de vader lukt het op dit moment niet om de noodzakelijke zorg en opvoeding te bieden.
5.10.
Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat het noodzakelijk is om [minderjarige] uit huis te plaatsen. De noodzakelijke zorg en opvoeding ter afwending van de ontwikkelingsbedreiging kan niet langer in de thuissituatie worden gerealiseerd. De kinderrechter snapt de wens van de vader dat [minderjarige] bij hem komt wonen. Dit is echter niet per direct mogelijk omdat eerst moet worden onderzocht of dit haalbaar is. De kinderrechter geeft de vader mee om goed mee te werken met de hulpverlening. Op deze manier kan zorgvuldig worden afgewogen of een plaatsing bij de vader in het belang van [minderjarige] is. De komende periode zal de GI moeten bepalen waar [minderjarige] het beste verder kan opgroeien.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/442972 / JE RK 26-2225:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 juli 2026 en tot 22 januari 2027;
In zaaknummer C/02/449291 / JE RK 26-1042:
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 16 juli 2026 tot 22 januari 2027;
In beide zaaknummers:
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier, en op schrift gesteld op 30 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/442972 / JE RK 26-2225 (verlenging ondertoezichtstelling)
C/02/449291 / JE RK 26-1042 (machtiging uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 16 juli 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. W. van der Sande uit Goes,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het (verdere) verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/442972 / JE RK 26-2225:
de beschikking van 21 januari 2026;
de brief van de GI met bijlagen van 17 juni 2026.
In zaaknummer C/02/449291 / JE RK 26-1042:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 16 juni 2026.
de brief van de GI van 2 juli 2026.
de brief van de advocaat van de moeder, overlegd tijdens de zitting.
1.2.
Op 16 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, waarvan één van de vertegenwoordigsters via een Teams-verbinding.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 22 januari 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 januari 2021 en tot 22 januari 2022. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 21 januari 2026 met ingang van 22 januari 2026 en tot 22 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.
2.3.
Bij beschikking van 5 juni 2023 is het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling aangehouden tot de mondelinge behandeling van 14 juli 2023.
2.4.
Bij beschikking van 14 juli 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] afgewezen.
2.5.
Bij beschikking van 19 februari 2025 is bepaald dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de [minderjarige] geldt, op basis waarvan zij contact hebben met elkaar:
- eenmaal per twee weken op vrijdag uit school tot 19:30 uur, deels begeleid;
- eenmaal per maand in het weekend met overnachting van bijvoorbeeld zaterdag 13:30 uur
tot zondag 11:00 uur, deels begeleid.
2.6.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
3De verzoeken
In zaaknummer C/02/442972 / JE RK 26-2225:
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot 22 januari 2027.
In zaaknummer C/02/449291 / JE RK 26-1042:
3.3.
De GI verzoekt om een machtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
[minderjarige] geeft in zijn gesprek met de kinderrechter aan dat het een beetje goed en een beetje slecht met hem gaat. [minderjarige] geeft aan dat hij soms ruzie heeft met zijn broertjes en dat ze hem dan wel eens slaan. Zijn moeder heeft hem ook geslagen, maar zij doet dat nu bijna niet meer. [minderjarige] heeft het ook gehad over [persoon 1] . Zij kwam bij hem thuis en heeft hem ook weleens geslagen. De moeder is erg boos op [minderjarige] en [persoon 2] omdat [persoon 1] niet meer bij hen thuis mag komen. [minderjarige] geeft aan dat hij het liefst thuis wil blijven wonen. Zijn vader ziet hij een keer in de maand. Zijn ouders praten niet met elkaar. Met [persoon 2] kan [minderjarige] goed praten.
4.2.
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing van de verzoeken naar de overgelegde stukken. Daarbij verwijst zij ook naar de inhoud van de stukken waarvan zij had verzocht deze niet te delen met de ouders in verband met de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] . De zorgen over [minderjarige] zijn ernstig. Nadat de moeder in februari 2026 bij [hulpverlening] heeft aangegeven dat het te veel is thuis met [minderjarige] heeft de GI de thuissituatie goed onderzocht. Na observatie komt [hulpverlening] tot de conclusie dat de veiligheid van [minderjarige] niet meer gewaarborgd kan worden. [hulpverlening] heeft bovendien aangegeven te gaan stoppen met de hulpverlening. Er zijn patronen van mishandeling binnen het gezin. Het gaat daarbij onder meer om fysieke mishandeling van [minderjarige] door de moeder en haar bonusdochter [persoon 1] . De moeder is niet leerbaar en stelt zich niet begeleidbaar op. De moeder geeft voornamelijk de buitenwereld de schuld. Bovendien moet [minderjarige] van de moeder zijn mond houden over wat er thuis gebeurt. Daarnaast gaat [minderjarige] gebukt onder de complexe echtscheiding tussen de ouders. De ouders communiceren niet met elkaar en de moeder geeft geen emotionele toestemming voor het bezoek aan de vader. Het contact met de vader is op dit begeleid omdat de bezoeken aan vader een negatieve invloed hadden op het gedrag van [minderjarige] in de thuissituatie van de moeder. De vader stelde namelijk duidelijk minder grenzen dan de moeder. De GI is van mening dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De GI wil vanuit een crisisplaatsing de verdere opties onderzoeken. Ook een mogelijke plaatsing bij de vader zal door een objectieve organisatie moeten worden onderzocht. De GI vindt dat [minderjarige] niet direct bij de vader kan worden geplaatst omdat [hulpverlening] heeft aangegeven dat er in zijn thuissituatie nog veel winst te behalen valt. Tot slot heeft de GI twijfels of de moeder alles begrijpt wat tegen haar wordt gezegd. De GI adviseert daarom een IQ- en persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder.
4.3.
Namens en door de moeder wordt verweer gevoerd tegen de uithuisplaatsing. Voor de ondertoezichtstelling refereert de moeder zich aan het oordeel van de kinderrechter. Er werd toegewerkt naar een beëindiging van de ondertoezichtstelling, maar in de afgelopen maanden heeft een grote ommekeer plaatsgevonden. Veel dingen zijn op een vervelende manier gelopen. De moeder benadrukt dat ze haar kinderen niet mishandelt. De moeder moet [minderjarige] wel regelmatig begrenzen, maar dat is geen mishandeling. Ook [persoon 1] heeft [minderjarige] nooit geslagen. Ondanks dat er geen sprake is van mishandeling, is het zorgelijk dat [minderjarige] zegt dat het wel zo is. De moeder zou graag willen dat wordt onderzocht waar dit gedrag vandaan komt. Mogelijk gedraagt [minderjarige] zich bewust moeilijk omdat hij bij de vader wil wonen. De moeder wil niet dat er overhaast een beslissing wordt genomen en wilt dat er eerst verder onderzoek wordt gedaan. De moeder vindt dat er wordt gedaan alsof [minderjarige] onder continue dreiging staat thuis. Dit is niet het geval. De moeder heeft geen contact met de vader en wil dat ook niet.
4.4.
De vader geeft aan dat hij de moeder altijd heeft gesteund en medewerking heeft verleend. Volgens de vader spreekt [minderjarige] wel de waarheid. Als [minderjarige] uit huis moet worden geplaatst is de beste plek bij de vader. De vader snapt niet waarom de huidige bezoeken aan hem begeleid moeten zijn. Hij zou graag meer tijd met [minderjarige] doorbrengen. Verder vindt de vader de ondertoezichtstelling onzin. De vader laat wel hulpverlening toe, dat heeft hij altijd al gedaan.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
In zaaknummer C/02/442972 / JE RK 26-2225:
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.5.
De kinderrechter stelt voorop dat zij het zeer betreurt dat vanuit de rechtbank abusievelijk stukken zijn verstrekt waarvan de GI had verzocht om deze op grond van artikel 811 lid 2 Rv niet te delen met de ouders. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat deze stukken in het kader van de transparantie alsnog gedeeld moeten worden. Partijen hebben, voor zover dat nog niet was gebeurd, ter zitting kennisgenomen van de stukken waarin meer gedetailleerd is vermeld wat [minderjarige] tegen de hulpverlening over de thuissituatie heeft verteld. De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De zorgen over [minderjarige] en de thuissituatie zijn groot. Er is sprake van een verstoorde ouder-kindrelatie en hechtingsproblematiek. De moeder kan [minderjarige] niet in voldoende mate bieden wat hij nodig heeft, hetgeen zorgt voor een beperking in zijn ontwikkeling. Er zijn nog steeds met regelmaat conflicten tussen [minderjarige] en de moeder en dit veroorzaakt angst bij hem. De moeder mist de handvaten om met het gedrag van [minderjarige] om te gaan. Dit leidt tot onveilige situaties in de thuissituaties waarbij de moeder [minderjarige] niet de liefde en begeleiding kan geven die hij nodig heeft. Dit is de afgelopen jaren – ondanks de ingezette hulpverlening – nauwelijks verbeterd. Dit komt voornamelijk door de onvoldoende leerbaarheid van de moeder. Bovendien laat de moeder zich negatief uit over de hulpverlening waardoor het vertrouwen van [minderjarige] in de hulpverlening wordt aangetast. De betrokkenheid van [persoon 1] in het gezin acht de kinderrechter zorgelijk en niet helpend. Het is belangrijk dat de moeder dit in ziet. Ook de complexe echtscheiding van de ouders speelt nog steeds een rol. De ouders communiceren niet met elkaar en [minderjarige] zit klem tussen de ouders. [minderjarige] kan op dit moment nog geen onbelast contact hebben met beide ouders.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders niet in staat zijn om samen afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Er is sprake van een verstoorde samenwerking tussen de ouders. Het is belangrijk dat de GI regie blijft voeren om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te blijven waarborgen. Nu de machtiging tot uithuisplaatsing ook zal worden toegewezen zal de GI de komende periode betrokken moeten blijven om de uithuisplaatsing in goede banen te leiden. Hierbij zal de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] voorop staan. Daarnaast zal worden onderzocht welke vorm van omgang tussen [minderjarige] en beide ouders het beste aansluit bij de behoeften van [minderjarige] .
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
In zaaknummer C/02/449291 / JE RK 26-1042:
5.8.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.9.
Tijdens de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft de GI meerdere malen een verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing ingediend. De kinderrechter heeft in de beschikking van 19 februari 2025 overwogen dat de inzet van hulpverlening in de thuissituatie een kans moet krijgen en heeft daarom, ondanks de zorgen die er waren, de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen. In juni 2026 heeft de GI een nieuw verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing ingediend. Op basis van de informatie van [hulpverlening] , [persoon 2] , de GI en het gesprek van [minderjarige] met de kinderrechter is het de kinderrechter gebleken dat er op dit moment veel zorgen zijn over [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder kan in onvoldoende mate veiligheid en begeleiding bieden aan [minderjarige] . De hulpverlening en de GI zien een patroon van onveiligheid en mishandeling in de thuissituatie. Hoewel de moeder ontkent [minderjarige] te mishandelen, is het erg zorgelijk dat [minderjarige] deze uitspraken doet. Er is inmiddels vijf jaar lang intensieve hulpverlening ingezet, hetgeen nauwelijks tot verandering heeft geleid in de thuissituatie bij de moeder. De moeder is niet leerbaar en stelt zich onvoldoende begeleidbaar op tegenover de hulpverlening. Door het gedrag van de moeder kunnen de hulpverleners niet effectief werken in het gezin. De moeder legt alle verantwoordelijkheid buiten zichzelf en is niet in staat haar eigen aandeel in te zien. Dit maakt dat er geen sprake is van een stabiele, veilige en passende opvoedomgeving voor [minderjarige] . Eerder zijn al meerdere kinderen uit huis geplaatst bij de moeder, hetgeen bevestigt dat de moeder niet in staat is oude patronen te doorbreken. Ook de vader lukt het op dit moment niet om de noodzakelijke zorg en opvoeding te bieden.
5.10.
Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat het noodzakelijk is om [minderjarige] uit huis te plaatsen. De noodzakelijke zorg en opvoeding ter afwending van de ontwikkelingsbedreiging kan niet langer in de thuissituatie worden gerealiseerd. De kinderrechter snapt de wens van de vader dat [minderjarige] bij hem komt wonen. Dit is echter niet per direct mogelijk omdat eerst moet worden onderzocht of dit haalbaar is. De kinderrechter geeft de vader mee om goed mee te werken met de hulpverlening. Op deze manier kan zorgvuldig worden afgewogen of een plaatsing bij de vader in het belang van [minderjarige] is. De komende periode zal de GI moeten bepalen waar [minderjarige] het beste verder kan opgroeien.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/442972 / JE RK 26-2225:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 juli 2026 en tot 22 januari 2027;
In zaaknummer C/02/449291 / JE RK 26-1042:
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 16 juli 2026 tot 22 januari 2027;
In beide zaaknummers:
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier, en op schrift gesteld op 30 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.