Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6826
2026-07-22
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/02/441762 / HA ZA 25-612 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Onbevoegdheidsincident na eisvermeerdering. Verwijzing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.278 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/441762 / HA ZA 25-612
Vonnis in incident van 22 juli 2026
in de zaak van
SPAR HOLDING B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Spar,
advocaat: mr. K.N. Campagne,
tegen
[persoon] h.o.d.n. [bedrijf],
wonende te [plaats] (Litouwen)
zaakdoende te [locatie],
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon],
advocaat: mr. C.M. Kan.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende provisionele vordering, tevens houdende vermeerdering van eis van Spar;
- de akte houdende incidentele conclusie tot onbevoegdheid en verwijzing tevens bezwaar tegen eisvermeerdering in conventie tevens uitlating en overlegging producties van [persoon];
- de akte overlegging productie met productie 53 van Spar;
- de rolbeslissing van 10 juni 2026;
- de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende weerlegging bezwaren eisvermeerdering van Spar.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil in het incident
2.1.
[persoon] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak ex artikel 71 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verwijst naar de kantonrechter, met veroordeling van Spar in de kosten. [persoon] heeft verder aangekondigd dat hij na verwijzing naar de kantonrechter, verwijzing zal vragen naar de relatief bevoegde kantonrechter, namelijk de kantonrechter bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. [persoon] maakt daarnaast voorwaardelijk – namelijk onder de voorwaarde dat de rechtbank de incidentele vorderingen tot verwijzing niet zou toewijzen – bezwaar tegen de eisvermeerdering van Spar. Indien de rechtbank de eisvermeerdering niet buiten beschouwing laat, verzoekt [persoon] om in de gelegenheid te worden gesteld om bij afzonderlijke conclusie op die eisvermeerdering te reageren.
2.2.
[persoon] wijst er op dat Spar haar vordering heeft vermeerderd met vijf vorderingen gebaseerd op een gestelde schending van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst bedrijfsruimte (ex artikel 7:290 Burgerlijk Wetboek (BW)). Omdat er sprake is van een aardvordering moeten alle vorderingen door de kantonrechter worden behandeld. De samenhang verzet zich tegen een afzonderlijke behandeling. Na verwijzing naar de kantonrechter dient de zaak verwezen te worden naar de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. De gehuurde bedrijfsruimte bevindt zich op [locatie], waardoor laatstgenoemde kantonrechter exclusief bevoegd is. Voorwaardelijk stelt [persoon] dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van de goede procesorde.
2.3.
Spar voert verweer. Spar concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering tot onbevoegdheidverklaring en verwijzing en verzoekt de rechtbank zich bevoegd te verklaren. Verder verzoekt Spar het bezwaar tegen de eisvermeerdering te verwerpen. Subsidiair verzoekt Spar de rechtbank om, voor zover zij aanleiding ziet tot enige processuele voorziening, te bepalen dat die voorziening niet leidt tot weigering van de eisvermeerdering of tot algehele verwijzing van het geschil naar de kantonrechter. Ten slotte verzoekt Spar om [persoon] te veroordelen in de kosten van het incident.
2.4.
Spar wijst erop dat de inleidende dagvaarding is gebaseerd op de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen. Spar vorderde daarin betaling van € 524.035,49 uit hoofde van opeisbare facturen. De huurpenningen maakten onderdeel uit van deze opeisbare facturen. De samenwerkingsovereenkomst en de huurovereenkomst vormen één onlosmakelijk geheel. De oorspronkelijke vordering was geen zelfstandige huurvordering, maar een contractuele betalingsvordering uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst. Dat uitgangspunt wordt niet zonder meer anders doordat Spar haar eis later heeft vermeerderd met vorderingen die mede raken aan de huurverhouding. Er is geen sprake van een zelfstandig huurgeschil, maar van een gevolgdiscussie binnen het bredere geschil over de samenwerking tussen partijen. Spar stelt zich op het standpunt dat artikel 95 Rv niet voorschrijft dat iedere latere toevoeging van een huurrechtelijke component automatisch tot een verwijzing naar de kantonrechter leidt. Spar wijst verder op het forumkeuzebeding in de samenwerkingsovereenkomst. Primair stelt Spar zich op het standpunt dat de eisvermeerdering niet meebrengt dat het geschil van kleur verschiet in een huurzaak in de zin van artikel 93 Rv. Subsidiair geldt dat als één of meer vorderingen als huurrechtelijke aardvorderingen zouden kwalificeren, artikel 94 lid 2 Rv in dit concrete geval niet meebrengt dat het hele geschil verwezen moet worden naar de kantonrechter. Verwijzing naar de kantonrechter zou niet bijdragen aan de efficiënte en consistente geschilbeslechting die artikel 94 lid 2 Rv beoogt. Verwijzing naar Leeuwarden is in dit stadium ondoelmatig. De eisvermeerdering is verder niet in strijd met de eisen van goede procesorde en het bezwaar daartegen is niet tijdig.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3De beoordeling in het incident
De kantonrechter is bevoegd
3.1.
Uit artikel 93 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat onder meer zaken betreffende een huurovereenkomst door de kantonrechter worden behandeld. Als een zaak meer vorderingen heeft en ten minste één daarvan een vordering is als bedoeld in artikel 93 onder c Rv (een aardvordering), volgt uit artikel 94 lid 2 Rv dat alle vorderingen door de kantonrechter worden behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. In artikel 95 Rv staat dat voor de toepassing van artikel 93 en 94 Rv mede gelet wordt op een wijziging van eis.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de zaak – in ieder geval na de eisvermeerdering – ook betrekking heeft op een huurovereenkomst. Spar vordert bijvoorbeeld een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte in [locatie] tussen haar en [persoon] is ontbonden. Omdat dit een aardvordering is, moet de rechtbank de zaak naar de kantonrechter verwijzen. Het maakt daarbij – anders dan Spar lijkt te betogen – geen verschil dat de huurovereenkomst onderdeel is van een groter geheel, namelijk de samenwerkingsovereenkomst en er dus geen sprake is van een ‘zelfstandig huurgeschil’. Sterker nog, dit is juist een aanwijzing dat het gehele geschil verwezen moet worden naar de kantonrechter. Spar stelt dat de huurovereenkomst een onlosmakelijk onderdeel vormt van de samenwerkingsovereenkomst en dat de huurvorderingen rechtstreeks voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding en hetzelfde feitencomplex als de oorspronkelijke vorderingen. Dat betekent dat de samenhang van de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet, terwijl ten minste één vordering een aardvordering is. Op grond van artikel 94 lid 2 Rv in samenhang met artikel 71 lid 2 Rv zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de kantonrechter.
En wel de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland
3.3.
[persoon] heeft er verder op gewezen dat de huurovereenkomst betrekking heeft op een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW die is gelegen op [locatie]. [persoon] stelt daarom dat de zaak na verwijzing naar de kantonrechter verwezen moet worden naar de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. Spar verweert zich hiertegen. Volgens Spar heeft [persoon] niet toegelicht waarom een verwijzing naar Leeuwarden – met alle vertraging en extra kosten van dien – in dit stadium proceseconomisch of inhoudelijk aangewezen zou zijn. Spar wijst erop dat partijen in artikel 26.4 van de samenwerkingsovereenkomst gekozen hebben voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda en dat deze rechtbank al met het volledige dossier is belast.
3.4.
Uit artikel 103 Rv volgt dat in zaken betreffende huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW uitsluitend de rechter bevoegd is binnen wiens rechtsgebied het gehuurde is gelegen. In deze zaak gaat het om een gehuurde bedrijfsruimte op [locatie]. Op grond van dit artikel is daarom de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden bevoegd. Het gaat om een exclusieve bevoegdheid. In artikel 108 lid 2 Rv staat dat een forumkeuze in dergelijke zaken niet is toegestaan, tenzij deze is gemaakt na het ontstaan van het geschil of de huurder zich tot aangewezen rechter wendt. Deze uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor.
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat de zaak verder dient te worden behandeld en beslist door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. Dat dit tot enige vertraging gaat leiden, is inherent aan het feit dat de zaak verwezen moet worden. Maar aan de exclusieve bevoegdheid, die mede voortvloeit uit de (gewijzigde) eis van Spar, kan niet om die reden voorbijgegaan worden. Uit proceseconomische redenen kiest de rechtbank er wel voor om de zaak niet eerst intern te verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank, waarna de kantonrechter genoodzaakt zal zijn om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter in Leeuwarden. De rechtbank zal de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, ex artikel 110 lid 2 Rv direct verwijzen naar de kantonrechter in Leeuwarden.
3.6.
Aangezien na verwijzing het bepaalde in artikel 74 lid 1 en 3 eerste volzin Rv van toepassing is op de gang van zaken, wijst de rechtbank partijen erop dat iedere partij het recht heeft de overige partij bij exploot op te roepen tegen een door hemzelf te kiezen nieuwe roldatum, waarbij de voor dagvaarding voorgeschreven termijnen in acht moeten worden genomen.
3.7.
Uit wat hiervoor staat, volgt dat de voorwaarde waaronder [persoon] bezwaar maakt tegen de eisvermeerdering niet is ingetreden. Dit bezwaar hoeft daarom niet beoordeeld te worden.
Proceskosten
3.8.
Spar zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [persoon] begroot op € 653,00 (een punt x tarief II).
4De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
4.2.
veroordeelt Spar in de kosten van het incident, aan de zijde van [persoon] tot op heden begroot op € 653,00,
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Kanton, zittingsplaats Leeuwarden,
4.4.
wijst partijen erop dat iedere partij het recht heeft de overige partij bij exploot op te roepen tegen een nieuwe roldatum.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/441762 / HA ZA 25-612
Vonnis in incident van 22 juli 2026
in de zaak van
SPAR HOLDING B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Spar,
advocaat: mr. K.N. Campagne,
tegen
[persoon] h.o.d.n. [bedrijf],
wonende te [plaats] (Litouwen)
zaakdoende te [locatie],
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon],
advocaat: mr. C.M. Kan.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende provisionele vordering, tevens houdende vermeerdering van eis van Spar;
- de akte houdende incidentele conclusie tot onbevoegdheid en verwijzing tevens bezwaar tegen eisvermeerdering in conventie tevens uitlating en overlegging producties van [persoon];
- de akte overlegging productie met productie 53 van Spar;
- de rolbeslissing van 10 juni 2026;
- de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende weerlegging bezwaren eisvermeerdering van Spar.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil in het incident
2.1.
[persoon] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak ex artikel 71 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verwijst naar de kantonrechter, met veroordeling van Spar in de kosten. [persoon] heeft verder aangekondigd dat hij na verwijzing naar de kantonrechter, verwijzing zal vragen naar de relatief bevoegde kantonrechter, namelijk de kantonrechter bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. [persoon] maakt daarnaast voorwaardelijk – namelijk onder de voorwaarde dat de rechtbank de incidentele vorderingen tot verwijzing niet zou toewijzen – bezwaar tegen de eisvermeerdering van Spar. Indien de rechtbank de eisvermeerdering niet buiten beschouwing laat, verzoekt [persoon] om in de gelegenheid te worden gesteld om bij afzonderlijke conclusie op die eisvermeerdering te reageren.
2.2.
[persoon] wijst er op dat Spar haar vordering heeft vermeerderd met vijf vorderingen gebaseerd op een gestelde schending van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst bedrijfsruimte (ex artikel 7:290 Burgerlijk Wetboek (BW)). Omdat er sprake is van een aardvordering moeten alle vorderingen door de kantonrechter worden behandeld. De samenhang verzet zich tegen een afzonderlijke behandeling. Na verwijzing naar de kantonrechter dient de zaak verwezen te worden naar de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. De gehuurde bedrijfsruimte bevindt zich op [locatie], waardoor laatstgenoemde kantonrechter exclusief bevoegd is. Voorwaardelijk stelt [persoon] dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van de goede procesorde.
2.3.
Spar voert verweer. Spar concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering tot onbevoegdheidverklaring en verwijzing en verzoekt de rechtbank zich bevoegd te verklaren. Verder verzoekt Spar het bezwaar tegen de eisvermeerdering te verwerpen. Subsidiair verzoekt Spar de rechtbank om, voor zover zij aanleiding ziet tot enige processuele voorziening, te bepalen dat die voorziening niet leidt tot weigering van de eisvermeerdering of tot algehele verwijzing van het geschil naar de kantonrechter. Ten slotte verzoekt Spar om [persoon] te veroordelen in de kosten van het incident.
2.4.
Spar wijst erop dat de inleidende dagvaarding is gebaseerd op de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen. Spar vorderde daarin betaling van € 524.035,49 uit hoofde van opeisbare facturen. De huurpenningen maakten onderdeel uit van deze opeisbare facturen. De samenwerkingsovereenkomst en de huurovereenkomst vormen één onlosmakelijk geheel. De oorspronkelijke vordering was geen zelfstandige huurvordering, maar een contractuele betalingsvordering uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst. Dat uitgangspunt wordt niet zonder meer anders doordat Spar haar eis later heeft vermeerderd met vorderingen die mede raken aan de huurverhouding. Er is geen sprake van een zelfstandig huurgeschil, maar van een gevolgdiscussie binnen het bredere geschil over de samenwerking tussen partijen. Spar stelt zich op het standpunt dat artikel 95 Rv niet voorschrijft dat iedere latere toevoeging van een huurrechtelijke component automatisch tot een verwijzing naar de kantonrechter leidt. Spar wijst verder op het forumkeuzebeding in de samenwerkingsovereenkomst. Primair stelt Spar zich op het standpunt dat de eisvermeerdering niet meebrengt dat het geschil van kleur verschiet in een huurzaak in de zin van artikel 93 Rv. Subsidiair geldt dat als één of meer vorderingen als huurrechtelijke aardvorderingen zouden kwalificeren, artikel 94 lid 2 Rv in dit concrete geval niet meebrengt dat het hele geschil verwezen moet worden naar de kantonrechter. Verwijzing naar de kantonrechter zou niet bijdragen aan de efficiënte en consistente geschilbeslechting die artikel 94 lid 2 Rv beoogt. Verwijzing naar Leeuwarden is in dit stadium ondoelmatig. De eisvermeerdering is verder niet in strijd met de eisen van goede procesorde en het bezwaar daartegen is niet tijdig.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3De beoordeling in het incident
De kantonrechter is bevoegd
3.1.
Uit artikel 93 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat onder meer zaken betreffende een huurovereenkomst door de kantonrechter worden behandeld. Als een zaak meer vorderingen heeft en ten minste één daarvan een vordering is als bedoeld in artikel 93 onder c Rv (een aardvordering), volgt uit artikel 94 lid 2 Rv dat alle vorderingen door de kantonrechter worden behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. In artikel 95 Rv staat dat voor de toepassing van artikel 93 en 94 Rv mede gelet wordt op een wijziging van eis.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de zaak – in ieder geval na de eisvermeerdering – ook betrekking heeft op een huurovereenkomst. Spar vordert bijvoorbeeld een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte in [locatie] tussen haar en [persoon] is ontbonden. Omdat dit een aardvordering is, moet de rechtbank de zaak naar de kantonrechter verwijzen. Het maakt daarbij – anders dan Spar lijkt te betogen – geen verschil dat de huurovereenkomst onderdeel is van een groter geheel, namelijk de samenwerkingsovereenkomst en er dus geen sprake is van een ‘zelfstandig huurgeschil’. Sterker nog, dit is juist een aanwijzing dat het gehele geschil verwezen moet worden naar de kantonrechter. Spar stelt dat de huurovereenkomst een onlosmakelijk onderdeel vormt van de samenwerkingsovereenkomst en dat de huurvorderingen rechtstreeks voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding en hetzelfde feitencomplex als de oorspronkelijke vorderingen. Dat betekent dat de samenhang van de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet, terwijl ten minste één vordering een aardvordering is. Op grond van artikel 94 lid 2 Rv in samenhang met artikel 71 lid 2 Rv zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de kantonrechter.
En wel de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland
3.3.
[persoon] heeft er verder op gewezen dat de huurovereenkomst betrekking heeft op een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW die is gelegen op [locatie]. [persoon] stelt daarom dat de zaak na verwijzing naar de kantonrechter verwezen moet worden naar de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. Spar verweert zich hiertegen. Volgens Spar heeft [persoon] niet toegelicht waarom een verwijzing naar Leeuwarden – met alle vertraging en extra kosten van dien – in dit stadium proceseconomisch of inhoudelijk aangewezen zou zijn. Spar wijst erop dat partijen in artikel 26.4 van de samenwerkingsovereenkomst gekozen hebben voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda en dat deze rechtbank al met het volledige dossier is belast.
3.4.
Uit artikel 103 Rv volgt dat in zaken betreffende huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW uitsluitend de rechter bevoegd is binnen wiens rechtsgebied het gehuurde is gelegen. In deze zaak gaat het om een gehuurde bedrijfsruimte op [locatie]. Op grond van dit artikel is daarom de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden bevoegd. Het gaat om een exclusieve bevoegdheid. In artikel 108 lid 2 Rv staat dat een forumkeuze in dergelijke zaken niet is toegestaan, tenzij deze is gemaakt na het ontstaan van het geschil of de huurder zich tot aangewezen rechter wendt. Deze uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor.
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat de zaak verder dient te worden behandeld en beslist door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. Dat dit tot enige vertraging gaat leiden, is inherent aan het feit dat de zaak verwezen moet worden. Maar aan de exclusieve bevoegdheid, die mede voortvloeit uit de (gewijzigde) eis van Spar, kan niet om die reden voorbijgegaan worden. Uit proceseconomische redenen kiest de rechtbank er wel voor om de zaak niet eerst intern te verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank, waarna de kantonrechter genoodzaakt zal zijn om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter in Leeuwarden. De rechtbank zal de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, ex artikel 110 lid 2 Rv direct verwijzen naar de kantonrechter in Leeuwarden.
3.6.
Aangezien na verwijzing het bepaalde in artikel 74 lid 1 en 3 eerste volzin Rv van toepassing is op de gang van zaken, wijst de rechtbank partijen erop dat iedere partij het recht heeft de overige partij bij exploot op te roepen tegen een door hemzelf te kiezen nieuwe roldatum, waarbij de voor dagvaarding voorgeschreven termijnen in acht moeten worden genomen.
3.7.
Uit wat hiervoor staat, volgt dat de voorwaarde waaronder [persoon] bezwaar maakt tegen de eisvermeerdering niet is ingetreden. Dit bezwaar hoeft daarom niet beoordeeld te worden.
Proceskosten
3.8.
Spar zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [persoon] begroot op € 653,00 (een punt x tarief II).
4De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
4.2.
veroordeelt Spar in de kosten van het incident, aan de zijde van [persoon] tot op heden begroot op € 653,00,
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Kanton, zittingsplaats Leeuwarden,
4.4.
wijst partijen erop dat iedere partij het recht heeft de overige partij bij exploot op te roepen tegen een nieuwe roldatum.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.