Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6491
2026-07-15
Strafrecht
02-169408-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Schorsing VH ter executie van een gevangenisstraf: standpunt OM is innerlijk tegenstijdig.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5594 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-06-2026
Geciteerd door (7)
- ECLI:NL:RBOBR:2026:6657 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:6656 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6232 Rechtbank Midden-Nederland 02-09-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5476 Rechtbank Midden-Nederland 11-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7238 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6785 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6785 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-07-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (4.776 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-169408-26
bevel schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 15 juli 2026
(artikel 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
feitelijk verblijfsadres:
[verblijfsadres] ,
nu gedetineerd in P.I. [locatie] .
Raadsman mr. D. Koningsbloem.
Procedure
Op 24 juni 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 08 juli 2026 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.
Beoordeling
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met als doel dat hij zijn onherroepelijke gevangenis straf van 1 dag (96-175835-25) kan uitzitten. Zij beroept zich daarbij op de uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594) waarin de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte [verdachte] heeft geschorst voor het uitzitten van een gevangenisstraf van 6 en 2 weken. Het CJIB had de verdediging op die ene dag opmerkzaam gemaakt.
De officier van justitie heeft zich daartegen verzet met een beroep op de veronderstelde dwingende executievolgorde van art. 1:4 van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de regeling), gestelde praktische problemen bij dergelijke schorsingen, en dat er geen zwaarwegende persoonlijke belangen van verdachte zijn in de zin van de regeling. De officier van justitie voert aan dat hij fundamentele bezwaren heeft tegen de ‘schorsing, tenzij’ regel die de rechtbank in genoemde uitspraak hanteert. In zijn visie moet het ‘niet schorsen, tenzij’ zijn. Tegen het schorsen voor die ene dag heeft hij op zich dag geen bezwaar.
De rechtbank oordeelt als volgt:
Het gaat in deze zaak om een verdachte die in voorlopige hechtenis zit in afwachting van een inhoudelijke behandeling van een zaak waarbij het Openbaar Ministerie een ISD-maatregel zal vorderen. De datum van de inhoudelijke behandeling is nog niet bekend.
De rechtbank stelt voorop dat zij eerder in een schorsingsverzoek van verdachte geoordeeld heeft dat zij de nieuwe lijn van het Hof (niet schorsen, tenzij) niet overtuigend vindt, en dat zij daarom bij de oude, jarenlange bestendige lijn ‘schorsen, tenzij’ blijft. Voor de uitvoerige motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank kortheidshalve naar haar uitspraak van 24 juni 2026. De ene dag extra die thans verzocht wordt, maakt dit niet anders. Daarom zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat de officier van justitie op de zitting een onderscheid gemaakt heeft tussen situaties waarbij geen zwaarwegende persoonlijke belangen van verdachte aanwezig zijn in de zin van de regeling, en situaties waarbij dat wel het geval is. Voor de eerste groep van gevallen ziet de officier van justitie onoverkomelijke risico’s bij een schorsing voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, voor de tweede groep gevallen niet.
De rechtbank oordeelt dit standpunt innerlijk tegenstrijdig, en daarmee niet overtuigend. De reden daarvoor is de volgende. In de eerste groep gevallen ziet de officier van justitie risico’s omdat het Openbaar Ministerie niet meer bevoegd is over de executie van gevangenisstraffen, en daarover derhalve zeggenschap noch regie heeft. In de tweede groep van gevallen bestaat die bevoegdheid, zeggenschap en regie evenmin, maar dan zijn die risico’s blijkbaar hanteerbaar en aanvaardbaar. De rechtbank heeft de officier bevraagd over waarom in de tweede groep gevallen die risico’s aanvaardbaar zijn, maar geen bevredigend antwoord gekregen.
Beslissing
De rechtbank:
- schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 16 juli 2026 ten behoeve van en voor de duur van de gevangenisstraf, welke is opgelegd in de strafzaak met parketnummer 96-175835-25, en bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis na ommekomst van het uitzitten van die gevangenisstraf is opgeheven.
Dit bevel is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 15 juli 2026 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. V.M. Schotanus en mr. C.M.B. Gijselman, rechters,
in tegenwoordigheid van J.T. Jonker, griffier.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-169408-26
bevel schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 15 juli 2026
(artikel 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
feitelijk verblijfsadres:
[verblijfsadres] ,
nu gedetineerd in P.I. [locatie] .
Raadsman mr. D. Koningsbloem.
Procedure
Op 24 juni 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 08 juli 2026 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.
Beoordeling
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met als doel dat hij zijn onherroepelijke gevangenis straf van 1 dag (96-175835-25) kan uitzitten. Zij beroept zich daarbij op de uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594) waarin de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte [verdachte] heeft geschorst voor het uitzitten van een gevangenisstraf van 6 en 2 weken. Het CJIB had de verdediging op die ene dag opmerkzaam gemaakt.
De officier van justitie heeft zich daartegen verzet met een beroep op de veronderstelde dwingende executievolgorde van art. 1:4 van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de regeling), gestelde praktische problemen bij dergelijke schorsingen, en dat er geen zwaarwegende persoonlijke belangen van verdachte zijn in de zin van de regeling. De officier van justitie voert aan dat hij fundamentele bezwaren heeft tegen de ‘schorsing, tenzij’ regel die de rechtbank in genoemde uitspraak hanteert. In zijn visie moet het ‘niet schorsen, tenzij’ zijn. Tegen het schorsen voor die ene dag heeft hij op zich dag geen bezwaar.
De rechtbank oordeelt als volgt:
Het gaat in deze zaak om een verdachte die in voorlopige hechtenis zit in afwachting van een inhoudelijke behandeling van een zaak waarbij het Openbaar Ministerie een ISD-maatregel zal vorderen. De datum van de inhoudelijke behandeling is nog niet bekend.
De rechtbank stelt voorop dat zij eerder in een schorsingsverzoek van verdachte geoordeeld heeft dat zij de nieuwe lijn van het Hof (niet schorsen, tenzij) niet overtuigend vindt, en dat zij daarom bij de oude, jarenlange bestendige lijn ‘schorsen, tenzij’ blijft. Voor de uitvoerige motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank kortheidshalve naar haar uitspraak van 24 juni 2026. De ene dag extra die thans verzocht wordt, maakt dit niet anders. Daarom zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat de officier van justitie op de zitting een onderscheid gemaakt heeft tussen situaties waarbij geen zwaarwegende persoonlijke belangen van verdachte aanwezig zijn in de zin van de regeling, en situaties waarbij dat wel het geval is. Voor de eerste groep van gevallen ziet de officier van justitie onoverkomelijke risico’s bij een schorsing voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, voor de tweede groep gevallen niet.
De rechtbank oordeelt dit standpunt innerlijk tegenstrijdig, en daarmee niet overtuigend. De reden daarvoor is de volgende. In de eerste groep gevallen ziet de officier van justitie risico’s omdat het Openbaar Ministerie niet meer bevoegd is over de executie van gevangenisstraffen, en daarover derhalve zeggenschap noch regie heeft. In de tweede groep van gevallen bestaat die bevoegdheid, zeggenschap en regie evenmin, maar dan zijn die risico’s blijkbaar hanteerbaar en aanvaardbaar. De rechtbank heeft de officier bevraagd over waarom in de tweede groep gevallen die risico’s aanvaardbaar zijn, maar geen bevredigend antwoord gekregen.
Beslissing
De rechtbank:
- schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 16 juli 2026 ten behoeve van en voor de duur van de gevangenisstraf, welke is opgelegd in de strafzaak met parketnummer 96-175835-25, en bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis na ommekomst van het uitzitten van die gevangenisstraf is opgeheven.
Dit bevel is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 15 juli 2026 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. V.M. Schotanus en mr. C.M.B. Gijselman, rechters,
in tegenwoordigheid van J.T. Jonker, griffier.