Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5594
2026-06-24
Strafrecht
02-169408-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Schorsing voorlopige hechtenis ten behoeve van executie van een gevangenisstraf. Rechtbank oordeelt nieuwe lijn van het gerechtshof niet overtuigend, en blijft uitgaan van de regel: 'schorsen, tenzij'.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1865 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-06-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1372 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-04-2024
Geciteerd door (11)
- ECLI:NL:RBOBR:2026:6656 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:6657 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6232 Rechtbank Midden-Nederland 02-09-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5476 Rechtbank Midden-Nederland 11-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7238 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6785 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6785 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6785 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6785 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6488 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6491 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-07-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.681 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-169408-26
bevel gevangenhouding met bevel schorsing van de rechtbank, meervoudige raadkamer in strafzaken van 24 juni 2026
(artikel 65 en 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
feitelijk verblijfsadres:
[adres] ,
nu gedetineerd in P.I. [locatie] .
Raadsman mr. D. Koningsbloem.
Procedure
De rechter-commissaris heeft op 15 juni 2026 de bewaring bevolen.
De officier van justitie heeft de gevangenhouding van de verdachte gevorderd voor de duur van 90 dagen.
De verdediging heeft schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht.
De rechtbank heeft de officier van justitie mr. S. Nicolaes, de verdachte en de raadsman gehoord.
Beoordeling
Na onderzoek is gebleken dat de ernstige bezwaren en de grond(en) als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering die tot het bevel tot bewaring van verdachte hebben geleid, ook op dit moment nog bestaan.
gronden
Uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke
veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert.
Er is sprake van een verdenking van een der misdrijven omschreven in de artikelen 285, 300, 310, 311, 321, 322, 323a, 326, 326a, 350, 416, 417bis, 420bis, of 420quater van het Wetboek van Strafrecht, terwijl nog geen vijfjaren zijn verlopen sedert de dag waarop de verdachte wegens een van deze misdrijven onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld, dan wel bij
onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd en voorts er ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een van die misdrijven zal begaan.
Gelet op het voornemen van het openbaar ministerie om de ISD-maatregel te vorderen en gelet op het strafblad van verdachte doet zich naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen situatie voor als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal de voorlopige hechtenis dan ook niet opheffen.
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met als doel dat hij zijn onherroepelijke gevangenisstraffen van 6 weken (parketnummer 15-052152-26) en 2 weken (parketnummer 15-074049-26) kan uitzitten. Zij beroept zich daarbij op rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De officier van justitie heeft zich daartegen verzet met een beroep op de executievolgorde (artikel 1:4 van de ministeriële regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen begrijpt de rechtbank. Staatscourant 27 december 2019, 69780), waarin – kort gezegd – is bepaald dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. Voorts voert de officier van justitie aan dat schorsing ten behoeve van het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf tot zwaarwegende praktische problemen leidt. Ten slotte verwijst de officier van justitie naar de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 5 juni 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:1865) waarin het Hof oordeelt dat uitgangspunt is dat niet geschorst wordt in dit type zaken, tenzij sprake is van zwaarwegende persoonlijke belangen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat zij, en het Hof met haar, gedurende vele jaren een ander uitgangspunt hanteerde dan het Hof in zijn genoemde uitspraak van 2025 hanteert, namelijk dat in beginsel de voorlopige hechtenis wordt geschorst voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke gevangenisstraf, tenzij er zwaarwegende redenen zijn dat niet te doen. Gedurende een groot deel van die jaren was de ministeriële regeling van kracht (gepubliceerd: 27 december 2019) waar de officier van justitie zich op beroept. Voor het Hof (en de rechtbank) was dat al die jaren geen reden het uitgangspunt van ‘schorsen, tenzij’ te herzien.
Voorts stelt de rechtbank vast dat zij gedurende die jaren door diverse officieren van justitie is gewezen op zwaarwegende praktische problemen bij de tenuitvoerlegging van de schorsing ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke straf, maar dat zij nooit enige feitelijke onderbouwing van die problemen van een officier van justitie in concrete zaken heeft gekregen, ook al is daar op zittingen, ook die in deze zaak, herhaaldelijk om gevraagd. Nooit is aan de rechtbank door het Openbaar Ministerie medegedeeld dat er daadwerkelijk problemen zijn ontstaan bij een door de rechtbank uitgesproken schorsing ten behoeve van het uitzitten van een gevangenisstraf, terwijl tientallen van deze schorsingen door de rechtbank de afgelopen jaren zijn uitgesproken.
Vertegenwoordigers van AICE hebben de rechtbank desgevraagd bij herhaling laten weten dat zij ook geen praktische problemen ervaren. Zij verzoeken de rechtbank wel om AICE enkele werkdagen te geven om een geschikte plaats in een gevangenis te regelen. Ter voorkoming van problemen in de detentiefase verzoeken officieren van justitie wel de voorlopige hechtenis te laten herleven zodra verdachte om welke reden dan ook uit de penitentiaire inrichting zou worden vrijgelaten. Beide verzoeken worden door de rechtbank steeds gehonoreerd.
Vervolgens merkt de rechtbank op dat in de genoemde uitspraak uit 2025 het Hof niet beargumenteert waarom de jarenlange bestendige lijn van het Hof (en de rechtbank) nu ineens verlaten zou moeten worden. Het oordeelt dat de ‘door de rechtspraak van het EHRM vormgegeven subsidiariteitsbeginsel niet aldus moet worden uitgelegd dat dit in beginsel de rechter dwingt om in alle gevallen het uitzitten van een gevangenisstraf voor te laten gaan op de voorlopige hechtenis’. Dit oordeel vraagt om nadere uitleg, omdat het Hof in eerdere uitspraken datzelfde subsidiariteitsbeginsel juist ten grondslag legde aan het uitgangspunt te schorsen, tenzij er zwaarwegende redenen waren dat niet te doen. Nogmaals; de ministeriële regeling gold toen al jaren, namelijk vanaf eind 2019.
In een uitspraak van 18 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1372) oordeelde het Hof ’s-Hertogenbosch nog in lijn met zijn jarenlange bestendige lijn:
‘Het uitzitten van een onherroepelijk aan verdachte opgelegde straf verdient de voorkeur boven het ondergaan van voorlopige hechtenis en kan gezien worden als een alternatief voor de voorlopige hechtenis (subsidiariteitsbeginsel, rechtbank) nu verdachte feitelijk niet op vrije voeten wordt gesteld en hij wordt opgenomen in een regime dat in het algemeen soepeler is dan het regime voor verdachten die zich in voorlopige hechtenis bevinden.’
Voorts stelt het hof (..) vast ‘dat er weliswaar enig risico is verbonden aan de executie van de straf (..)’ maar ‘dat dit risico niet aan een schorsing in de weg hoeft te staan.’ Ter beperking van het risico bepaalde het hof ‘dat de voorlopige hechtenis herleeft op het moment dat verdachte in aanmerking komt voor verlof en/of strafonderbreking dan wel om welke reden dan ook uit de penitentiaire inrichting zou worden vrijgelaten.’
Gelet op het bovenstaande heeft het Hof de rechtbank er niet van overtuigd dat de jarenlange bestendige lijn gewijzigd moet worden, en blijft voor de rechtbank als uitgangspunt gelden dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de voorlopige hechtenis geschorst moet worden indien de doelen daarvan op minder ingrijpende wijze kunnen worden bereikt.
Daarvan is sprake bij schorsing om een straf uit te zitten omdat een verdachte bij de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf vast blijft zitten, en in het algemeen wordt opgenomen in een regime dat soepeler is dan het regime voor voorlopig gehechten.
Daar komt bij dat een verdachte bij de schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten minder snel het risico loopt dat zijn voorlopige hechtenis langer heeft geduurd dan de gevangenisstraf voor de zaak waarin hij voorlopig is gehecht, zo verdachte al niet wordt vrijgesproken. De ‘schorsing, tenzij’ regel helpt in deze gevallen per saldo ook de druk te verminderen op de cellencapaciteit. Zij helpt eveneens de druk op de zittingscapaciteit te verminderen, omdat tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis geen pro forma zittingen gehouden worden.
Vervolgens wijst de rechtbank er nog op dat het schorsen van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten beter tegemoet komt aan de kritiek vanuit het EHRM dat – in de woorden van de rechtbank - in Nederland naar Europees rechtelijke maatstaven te veel verdachten in voorlopige hechtenis zitten, omdat de Europees rechtelijke maatstaven in Nederland te ruim worden uitgelegd, dan wel onvoldoende worden gemotiveerd. De veroordelingen van Nederland door het EHRM op dit punt onderbouwen het bestaan van die kritiek. In dit verband is ook relevant dat de Minister van Justitie die kritiek serieus neemt. Hij schikt immers in toenemende mate met verdachten, indien zij schadevergoeding vragen wegens schending door Nederland van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) met betrekking tot de voorlopige hechtenis. Dit is aan rechtbanken en hoven door vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie medegedeeld op een recente landelijke themadag over voorlopige hechtenis.
In EVRM-verband is eveneens relevant dat het EHRM op 3 juni 2026 aan Nederland heeft laten weten een zaak inhoudelijk in behandeling te nemen waarin wordt geklaagd dat het Hof Amsterdam heeft afgewezen een verzoek tot schorsen van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten. (Opperhuizen tegen Nederland, no 8717/24).
Vaste rechtspraak van het EHRM is dat nationale wetten en regelingen zo uitgelegd moeten worden dat zij niet in strijd komen met het EVRM. Dat geldt ook voor de ministeriële regeling waar de officier van justitie zich op beroept. Bij een EVRM conforme uitleg van die regeling staat zij niet in de weg aan het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’.
Ook een uitleg louter gebaseerd op de tekst en toelichting van de regeling staat niet aan het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’ in de weg. De toelichting op art. 1:4 van de regeling bevat de volgende passage:
‘Beslissingen tot inverzekeringstelling (artikel 57 Sv) of voorlopige hechtenis (artikel 67 Sv) worden voor de toepassing van het Wetboek van Strafvordering gelijkgesteld met strafrechtelijke beslissingen tot vrijheidsbeneming en vallen daardoor binnen de uitvoeringsverantwoordelijkheid van de Minister. De inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis worden in deze regeling bovenaan de tenuitvoerleggingsvolgorde vermeld waar deze in het verleden niet specifiek werden genoemd in de Aanwijzing executie van het OM. Hiermee wordt benadrukt dat de vrijheidsbeneming van de veroordeelde vooraleerst met de uitvoering van deze maatregelen aanvangt (vet gedrukt door de rechtbank) ten opzichte van andere vrijheidsbenemende sancties.’ (Staatscourant 27 december 2019, 69780)
Hieruit leidt de rechtbank af dat de volgorde in artikel 1:4 regeling allereerst geen wijziging heeft willen brengen in de tenuitvoerleggingsvolgorde van voor 2019. En voorts slechts ziet op de aanvang van de vrijheidsbeneming door een voorlopige hechtenis, en niet op de schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van het uitzitten van een gevangenisstraf.
Tot slot wijst de rechtbank op de inmiddels, in maart 2026 vastgestelde tekst van het nieuw Wetboek van Strafvordering, waarin volgens de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden in zijn conclusie van 11 maart 2025 (ECLI:NL::PHR:2025:267) is neergelegd dat ‘zodra de doelen van de voorlopige hechtenis bereikt kunnen worden met het minder ingrijpende alternatief van schorsing, dan eist het subsidiariteitsbeginsel dat de rechter daartoe overgaat (vet gedrukt door de rechtbank)’ (nr. 4.6).
De verdachte heeft zich bereid verklaard tot nakoming van de hieronder vermelde schorsingsvoorwaarden.
De rechtbank neemt de artikelen 65, 66, 67, 67a, 78 en 80 van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking.
Beslissing
De rechtbank:
beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van 90 (negentig);
schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 25 juni 2026 ten behoeve van en voor de duur van de gevangenisstraf, welke is opgelegd in de strafzaak met parketnummer 15-052152-26 en in de zaak met parketnummer 15-074049-26 , en bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis na ommekomst van het uitzitten van die gevangenisstraf is opgeheven.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 24 juni 2026 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. F.L. Donders en mr. P.K.J. van der Wal, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.T. Jonker, griffier.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-169408-26
bevel gevangenhouding met bevel schorsing van de rechtbank, meervoudige raadkamer in strafzaken van 24 juni 2026
(artikel 65 en 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
feitelijk verblijfsadres:
[adres] ,
nu gedetineerd in P.I. [locatie] .
Raadsman mr. D. Koningsbloem.
Procedure
De rechter-commissaris heeft op 15 juni 2026 de bewaring bevolen.
De officier van justitie heeft de gevangenhouding van de verdachte gevorderd voor de duur van 90 dagen.
De verdediging heeft schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht.
De rechtbank heeft de officier van justitie mr. S. Nicolaes, de verdachte en de raadsman gehoord.
Beoordeling
Na onderzoek is gebleken dat de ernstige bezwaren en de grond(en) als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering die tot het bevel tot bewaring van verdachte hebben geleid, ook op dit moment nog bestaan.
gronden
Uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke
veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert.
Er is sprake van een verdenking van een der misdrijven omschreven in de artikelen 285, 300, 310, 311, 321, 322, 323a, 326, 326a, 350, 416, 417bis, 420bis, of 420quater van het Wetboek van Strafrecht, terwijl nog geen vijfjaren zijn verlopen sedert de dag waarop de verdachte wegens een van deze misdrijven onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld, dan wel bij
onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd en voorts er ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een van die misdrijven zal begaan.
Gelet op het voornemen van het openbaar ministerie om de ISD-maatregel te vorderen en gelet op het strafblad van verdachte doet zich naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen situatie voor als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal de voorlopige hechtenis dan ook niet opheffen.
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met als doel dat hij zijn onherroepelijke gevangenisstraffen van 6 weken (parketnummer 15-052152-26) en 2 weken (parketnummer 15-074049-26) kan uitzitten. Zij beroept zich daarbij op rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De officier van justitie heeft zich daartegen verzet met een beroep op de executievolgorde (artikel 1:4 van de ministeriële regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen begrijpt de rechtbank. Staatscourant 27 december 2019, 69780), waarin – kort gezegd – is bepaald dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. Voorts voert de officier van justitie aan dat schorsing ten behoeve van het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf tot zwaarwegende praktische problemen leidt. Ten slotte verwijst de officier van justitie naar de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 5 juni 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:1865) waarin het Hof oordeelt dat uitgangspunt is dat niet geschorst wordt in dit type zaken, tenzij sprake is van zwaarwegende persoonlijke belangen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat zij, en het Hof met haar, gedurende vele jaren een ander uitgangspunt hanteerde dan het Hof in zijn genoemde uitspraak van 2025 hanteert, namelijk dat in beginsel de voorlopige hechtenis wordt geschorst voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke gevangenisstraf, tenzij er zwaarwegende redenen zijn dat niet te doen. Gedurende een groot deel van die jaren was de ministeriële regeling van kracht (gepubliceerd: 27 december 2019) waar de officier van justitie zich op beroept. Voor het Hof (en de rechtbank) was dat al die jaren geen reden het uitgangspunt van ‘schorsen, tenzij’ te herzien.
Voorts stelt de rechtbank vast dat zij gedurende die jaren door diverse officieren van justitie is gewezen op zwaarwegende praktische problemen bij de tenuitvoerlegging van de schorsing ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke straf, maar dat zij nooit enige feitelijke onderbouwing van die problemen van een officier van justitie in concrete zaken heeft gekregen, ook al is daar op zittingen, ook die in deze zaak, herhaaldelijk om gevraagd. Nooit is aan de rechtbank door het Openbaar Ministerie medegedeeld dat er daadwerkelijk problemen zijn ontstaan bij een door de rechtbank uitgesproken schorsing ten behoeve van het uitzitten van een gevangenisstraf, terwijl tientallen van deze schorsingen door de rechtbank de afgelopen jaren zijn uitgesproken.
Vertegenwoordigers van AICE hebben de rechtbank desgevraagd bij herhaling laten weten dat zij ook geen praktische problemen ervaren. Zij verzoeken de rechtbank wel om AICE enkele werkdagen te geven om een geschikte plaats in een gevangenis te regelen. Ter voorkoming van problemen in de detentiefase verzoeken officieren van justitie wel de voorlopige hechtenis te laten herleven zodra verdachte om welke reden dan ook uit de penitentiaire inrichting zou worden vrijgelaten. Beide verzoeken worden door de rechtbank steeds gehonoreerd.
Vervolgens merkt de rechtbank op dat in de genoemde uitspraak uit 2025 het Hof niet beargumenteert waarom de jarenlange bestendige lijn van het Hof (en de rechtbank) nu ineens verlaten zou moeten worden. Het oordeelt dat de ‘door de rechtspraak van het EHRM vormgegeven subsidiariteitsbeginsel niet aldus moet worden uitgelegd dat dit in beginsel de rechter dwingt om in alle gevallen het uitzitten van een gevangenisstraf voor te laten gaan op de voorlopige hechtenis’. Dit oordeel vraagt om nadere uitleg, omdat het Hof in eerdere uitspraken datzelfde subsidiariteitsbeginsel juist ten grondslag legde aan het uitgangspunt te schorsen, tenzij er zwaarwegende redenen waren dat niet te doen. Nogmaals; de ministeriële regeling gold toen al jaren, namelijk vanaf eind 2019.
In een uitspraak van 18 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1372) oordeelde het Hof ’s-Hertogenbosch nog in lijn met zijn jarenlange bestendige lijn:
‘Het uitzitten van een onherroepelijk aan verdachte opgelegde straf verdient de voorkeur boven het ondergaan van voorlopige hechtenis en kan gezien worden als een alternatief voor de voorlopige hechtenis (subsidiariteitsbeginsel, rechtbank) nu verdachte feitelijk niet op vrije voeten wordt gesteld en hij wordt opgenomen in een regime dat in het algemeen soepeler is dan het regime voor verdachten die zich in voorlopige hechtenis bevinden.’
Voorts stelt het hof (..) vast ‘dat er weliswaar enig risico is verbonden aan de executie van de straf (..)’ maar ‘dat dit risico niet aan een schorsing in de weg hoeft te staan.’ Ter beperking van het risico bepaalde het hof ‘dat de voorlopige hechtenis herleeft op het moment dat verdachte in aanmerking komt voor verlof en/of strafonderbreking dan wel om welke reden dan ook uit de penitentiaire inrichting zou worden vrijgelaten.’
Gelet op het bovenstaande heeft het Hof de rechtbank er niet van overtuigd dat de jarenlange bestendige lijn gewijzigd moet worden, en blijft voor de rechtbank als uitgangspunt gelden dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de voorlopige hechtenis geschorst moet worden indien de doelen daarvan op minder ingrijpende wijze kunnen worden bereikt.
Daarvan is sprake bij schorsing om een straf uit te zitten omdat een verdachte bij de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf vast blijft zitten, en in het algemeen wordt opgenomen in een regime dat soepeler is dan het regime voor voorlopig gehechten.
Daar komt bij dat een verdachte bij de schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten minder snel het risico loopt dat zijn voorlopige hechtenis langer heeft geduurd dan de gevangenisstraf voor de zaak waarin hij voorlopig is gehecht, zo verdachte al niet wordt vrijgesproken. De ‘schorsing, tenzij’ regel helpt in deze gevallen per saldo ook de druk te verminderen op de cellencapaciteit. Zij helpt eveneens de druk op de zittingscapaciteit te verminderen, omdat tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis geen pro forma zittingen gehouden worden.
Vervolgens wijst de rechtbank er nog op dat het schorsen van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten beter tegemoet komt aan de kritiek vanuit het EHRM dat – in de woorden van de rechtbank - in Nederland naar Europees rechtelijke maatstaven te veel verdachten in voorlopige hechtenis zitten, omdat de Europees rechtelijke maatstaven in Nederland te ruim worden uitgelegd, dan wel onvoldoende worden gemotiveerd. De veroordelingen van Nederland door het EHRM op dit punt onderbouwen het bestaan van die kritiek. In dit verband is ook relevant dat de Minister van Justitie die kritiek serieus neemt. Hij schikt immers in toenemende mate met verdachten, indien zij schadevergoeding vragen wegens schending door Nederland van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) met betrekking tot de voorlopige hechtenis. Dit is aan rechtbanken en hoven door vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie medegedeeld op een recente landelijke themadag over voorlopige hechtenis.
In EVRM-verband is eveneens relevant dat het EHRM op 3 juni 2026 aan Nederland heeft laten weten een zaak inhoudelijk in behandeling te nemen waarin wordt geklaagd dat het Hof Amsterdam heeft afgewezen een verzoek tot schorsen van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten. (Opperhuizen tegen Nederland, no 8717/24).
Vaste rechtspraak van het EHRM is dat nationale wetten en regelingen zo uitgelegd moeten worden dat zij niet in strijd komen met het EVRM. Dat geldt ook voor de ministeriële regeling waar de officier van justitie zich op beroept. Bij een EVRM conforme uitleg van die regeling staat zij niet in de weg aan het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’.
Ook een uitleg louter gebaseerd op de tekst en toelichting van de regeling staat niet aan het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’ in de weg. De toelichting op art. 1:4 van de regeling bevat de volgende passage:
‘Beslissingen tot inverzekeringstelling (artikel 57 Sv) of voorlopige hechtenis (artikel 67 Sv) worden voor de toepassing van het Wetboek van Strafvordering gelijkgesteld met strafrechtelijke beslissingen tot vrijheidsbeneming en vallen daardoor binnen de uitvoeringsverantwoordelijkheid van de Minister. De inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis worden in deze regeling bovenaan de tenuitvoerleggingsvolgorde vermeld waar deze in het verleden niet specifiek werden genoemd in de Aanwijzing executie van het OM. Hiermee wordt benadrukt dat de vrijheidsbeneming van de veroordeelde vooraleerst met de uitvoering van deze maatregelen aanvangt (vet gedrukt door de rechtbank) ten opzichte van andere vrijheidsbenemende sancties.’ (Staatscourant 27 december 2019, 69780)
Hieruit leidt de rechtbank af dat de volgorde in artikel 1:4 regeling allereerst geen wijziging heeft willen brengen in de tenuitvoerleggingsvolgorde van voor 2019. En voorts slechts ziet op de aanvang van de vrijheidsbeneming door een voorlopige hechtenis, en niet op de schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van het uitzitten van een gevangenisstraf.
Tot slot wijst de rechtbank op de inmiddels, in maart 2026 vastgestelde tekst van het nieuw Wetboek van Strafvordering, waarin volgens de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden in zijn conclusie van 11 maart 2025 (ECLI:NL::PHR:2025:267) is neergelegd dat ‘zodra de doelen van de voorlopige hechtenis bereikt kunnen worden met het minder ingrijpende alternatief van schorsing, dan eist het subsidiariteitsbeginsel dat de rechter daartoe overgaat (vet gedrukt door de rechtbank)’ (nr. 4.6).
De verdachte heeft zich bereid verklaard tot nakoming van de hieronder vermelde schorsingsvoorwaarden.
De rechtbank neemt de artikelen 65, 66, 67, 67a, 78 en 80 van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking.
Beslissing
De rechtbank:
beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van 90 (negentig);
schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 25 juni 2026 ten behoeve van en voor de duur van de gevangenisstraf, welke is opgelegd in de strafzaak met parketnummer 15-052152-26 en in de zaak met parketnummer 15-074049-26 , en bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis na ommekomst van het uitzitten van die gevangenisstraf is opgeheven.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 24 juni 2026 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. F.L. Donders en mr. P.K.J. van der Wal, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.T. Jonker, griffier.