Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5476

2026-08-11 Strafrecht 16-321079-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
16-321079-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Schoring voorlopige hechtenis, art. 15 Grondwet en art. 5 EVRM. Het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf is een alternatief dat minder ingrijpt op het fundamentele recht op vrijheid dan het vasthouden in voorlopige hechtenis. Het is bovendien een alternatief dat dezelfde bescherming biedt tegen de gevaren dat de verdachte een nieuw strafbaar feit pleegt of zich onttrekt aan de strafzaak. Er is in deze zaak voldoende zekerheid dat de gevangenisstraf ook daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd aansluitend aan de voorlopige hechtenis.

Citeert (4)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (8.987 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht


Zittingsplaats Utrecht



parketnummer: 16/321079-25




Bevel van de rechtbank van 11 augustus 2026


in de strafzaak tegen de verdachte:





[verdachte] ,

geregistreerde geboortedatum [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] , Syrië,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [postcode] [plaats] ,
nu gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] .



Advocaat: mr. J. Schenkels.





Procedure


In de strafzaak wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 26 november 2025 in Leusden, samen met anderen, twee mensen heeft bestolen, waarbij deze mensen zijn geslagen en geschopt en waarbij aan hen messen zijn getoond en stekende bewegingen in hun richting zijn gemaakt.



De verdachte zit vanwege deze beschuldiging in voorarrest. Op 28 november 2025 heeft de rechter-commissaris de bewaring bevolen. Op 10 december 2025 heeft de raadkamer de gevangenhouding bevolen.



De strafzaak is eerder behandeld op de pro-formazittingen van 6 maart en 2 juni 2026.



De strafzaak is verder behandeld op de pro-formazitting van 11 augustus 2026. De advocaat heeft op de zitting verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de advocaat gehoord.





Standpunten


De advocaat voert aan dat vanwege het tijdverloop nu niet meer kan worden gezegd dat de rechtsorde ernstig is geschokt door de diefstal met geweld waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Deze grondslag voor de voorlopige hechtenis moet daarom vervallen.



De advocaat verzoekt de voorlopige hechtenis te schorsen, om de verdachte in de gelegenheid te stellen een onherroepelijke gevangenisstraf van 87 dagen uit te zitten. Daarbij verwijst hij naar recente beslissingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in vergelijkbare gevallen.



De officier van justitie vindt dat er nog steeds sprake is van een ernstig geschokte rechtsorde, gelet op de media-aandacht en de rol die de verdachte heeft gehad. De officier van justitie verzet zich tegen het schorsen van de voorlopige hechtenis.




Beoordeling


De rechtbank zal bepalen 1) dat de voorlopige hechtenis blijft voortduren en 2) dat deze wordt geschorst zodat de verdachte een gevangenisstraf kan uitzitten.



Voor iedereen geldt het recht op vrijheid. Dit grondrecht is verankerd in artikel 15 van de Grondwet en in artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het in voorlopige hechtenis houden van iemand die verdacht wordt van een strafbaar feit mag daarom alleen onder de strenge voorwaarden die de wet daaraan stelt. Daarbij moet ook worden gekeken of er alternatieven zijn waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt als met het toepassen van voorlopige hechtenis: dat is het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel.



De rechtbank stelt voorop dat er nog steeds sprake is van een stevige verdenking dat de verdachte een misdrijf heeft gepleegd waarop de wet een gevangenisstraf van minimaal 4 jaar stelt. Er is dan ook sprake van ‘ernstige bezwaren’ die op grond van de wet nodig zijn om de voorlopige hechtenis te kunnen handhaven.



Hoewel sprake is van een verdenking van een misdrijf waarop de wet een gevangenisstraf van minimaal 12 jaar stelt, is de rechtbank het met de advocaat eens dat in deze zaak nu niet meer kan worden gezegd de rechtsorde daardoor ernstig is geschokt. Het misdrijf is inmiddels meer dan 8 maanden geleden gebeurd. De rechtbank oordeelt dat deze grondslag voor de voorlopige hechtenis komt te vervallen.



Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij in de korte tijd dat hij in Nederland is veel strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank ziet hierin nog steeds het risico dat de verdachte na vrijlating:



een misdrijf zal plegen waarop de wet een gevangenisstraf van minimaal 6 jaar stelt;


een misdrijf zal plegen dat de gezondheid of de veiligheid van personen in gevaar kan brengen;


opnieuw een minder ernstig gewelds- of vermogensmisdrijf zal plegen, terwijl hij daarvoor in de afgelopen 5 jaar al eerder is veroordeeld.


Omdat de verdachte weinig binding heeft met Nederland, ziet de rechtbank ook nog steeds het risico dat hij na vrijlating zal vluchten om de strafzaak te ontlopen. Op grond van het gevaar voor herhaling en het vluchtgevaar wordt de voorlopige hechtenis gehandhaafd.


De rechter kan de voorlopige hechtenis schorsen onder daarbij te stellen voorwaarden. Dat volgt uit artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering. Op deze manier wordt mede invulling gegeven aan het subsidiariteitsbeginsel.



De verdachte is recent veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van 3 dagen voorarrest. Dit vonnis is onherroepelijk. Op 15 juli 2026 heeft de Afdeling Bevolkingsadministratie van de penitentiaire inrichting aan de verdachte laten weten dat hij deze gevangenisstraf van 87 dagen zal gaan uitzitten aansluitend aan de lopende zaak.



Het uitzitten van deze gevangenisstraf is een alternatief dat minder ingrijpt op het fundamentele recht op vrijheid van de verdachte dan het vasthouden in voorlopige hechtenis. Het is immers mogelijk dat later blijkt dat de verdachte als gevolg van de voorlopige hechtenis ten onrechte van zijn vrijheid beroofd is geweest. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de rechtbank hem in de strafzaak vrijspreekt van de beschuldiging, of als de verdachte wordt veroordeeld tot een kortere gevangenisstraf dan de duur van de voorlopige hechtenis. De gevangenisstraf daarentegen is een onherroepelijke veroordeling door de strafrechter. Bij een schorsing van de voorlopige hechtenis zou de verdachte het grootste deel van deze straf kunnen uitzitten tot de volgende zitting in de strafzaak, op 27 oktober 2026.



Het uitzitten van de gevangenisstraf is bovendien een alternatief voor de voorlopige hechtenis dat dezelfde bescherming biedt tegen de gevaren dat de verdachte een nieuw strafbaar feit pleegt of zich onttrekt aan de strafzaak. Daarbij is van belang dat de verdachte bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, gelet op de duur ervan, niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling. De kennisgeving van de penitentiaire inrichting biedt voldoende zekerheid dat deze gevangenisstraf ook daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd aansluitend aan de voorlopige hechtenis.



De rechtbank oordeelt dat het schorsingsverzoek in het licht van het voorgaande moet worden toegewezen. Om de penitentiaire inrichting in staat te stellen om deze overgang te regelen, zal de schorsing over 3 dagen ingaan. De schorsing vervalt als de verdachte in het kader van de uit te zitten straf in vrijheid zou worden gesteld. De rechtbank zal bepalen dat de schorsing geldt tot de aanvang van de volgende zitting in de strafzaak op 27 oktober 2026. Op dat moment kan een nieuwe afweging worden gemaakt.



De rechtbank ziet geen aanleiding om andere voorwaarden aan de schorsing te verbinden dan de hierna opgenomen voorwaarden die de wet voorschrijft.






Beslissing


De rechtbank:


- schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 14 augustus 2026 om 12:00 uur, onder de volgende voorwaarden;

1. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, als de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.

2. Als de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.

- bepaalt dat de schorsing direct vervalt als de verdachte in het kader van de tenuitvoerlegging van de straf met parketnummer 08-18181-24 (tijdelijk) in vrijheid wordt gesteld;

- bepaalt dat de schorsing geldt tot de aanvang van de terechtzitting op 27 oktober 2026.



Dit bevel is gegeven op de terechtzitting van 11 augustus 2026 door:



mr. K. de Meulder, voorzitter, mr. J.F. Haeck en mr. M. Coenen, rechters, in aanwezigheid van mr. A. Benschop, griffier.







Zie de beslissingen van 24 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5594, van 15 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6488 en ECLI:NL:RBZWB:2026:6491 en van 23 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6784.