Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6232

2026-09-02 Strafrecht 16-142012-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
16-142012-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geen schoring voorlopige hechtenis, art. 15 Grondwet en art. 5 EVRM. Het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf is een alternatief dat minder ingrijpt op het fundamentele recht op vrijheid dan het vasthouden in voorlopige hechtenis. In dit geval is er echter onvoldoende zekerheid dat de gevangenisstraf ook daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd aansluitend aan de voorlopige hechtenis. Er is sprake van een andere situatie dan in de zaak van ECLI:NL:RBMNE:2026:5476.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.799 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Strafrecht



Zittingsplaats Lelystad



Parketnummer: 16/142012-26




Beslissing van de rechtbank van 2 september 2026


in de strafzaak tegen de verdachte:





[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [postcode] [plaats] ,
nu gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] .



Advocaat: mr. A.J. Admiraal.





Procedure


In de strafzaak wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 17 mei 2026 in Lelystad:
1) zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en
2) samen met iemand anders heeft geprobeerd om vier mensen te doden, door met een vuurwapen op een auto te schieten.



De verdachte zit vanwege deze beschuldiging in voorarrest. Op 28 mei 2026 heeft de rechter-commissaris de bewaring bevolen. Op 11 juni 2026 heeft de raadkamer de gevangenhouding bevolen.



De strafzaak is behandeld op de pro-formazitting van 2 september 2026.



De advocaat heeft op de zitting verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel te schorsen. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de advocaat gehoord.





Standpunten


De advocaat verzoekt (primair) de voorlopige hechtenis op te heffen. Hij voert aan dat geen, althans niet langer, sprake is van ernstige bezwaren met betrekking tot de verdenking van de poging tot doodslag. Dat het de verdachte is geweest die op de auto heeft geschoten, volgt onvoldoende uit het dossier. In het verlengde daarvan voert de advocaat aan dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte, als hij wordt veroordeeld voor de openlijke geweldpleging, een lagere straf krijgt dan de tijd die de voorlopige hechtenis al heeft geduurd.



De advocaat verzoekt (subsidiair) de voorlopige hechtenis te schorsen, om de verdachte in de gelegenheid te stellen een onherroepelijke gevangenisstraf van 117 dagen uit te zitten, die het gevolg is van het herroepen van een voorwaardelijke invrijheidstelling. De advocaat verwijst naar recente beslissingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in vergelijkbare gevallen. Daarnaast verwijst de advocaat naar de recente beslissing van deze rechtbank van 11 augustus 2026.



De officier van justitie vindt dat er nog steeds sprake is van ernstige bezwaren voor de poging tot doodslag. De officier van justitie verzet zich tegen het schorsen van de voorlopige hechtenis.




Beoordeling


De rechtbank zal bepalen 1) dat de voorlopige hechtenis blijft voortduren en 2) dat het schorsingsverzoek wordt afgewezen.



Voor iedereen geldt het recht op vrijheid. Dit grondrecht is verankerd in artikel 15 van de Grondwet en in artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het in voorlopige hechtenis houden van iemand die verdacht wordt van een strafbaar feit mag daarom alleen onder de strenge voorwaarden die de wet daaraan stelt. Daarbij moet ook worden gekeken of er alternatieven zijn waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt als met het toepassen van voorlopige hechtenis: dat is het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel.




Beslissing over de ernstige bezwaren en de gronden voor voorlopige hechtenis

De rechtbank oordeelt dat er nog steeds sprake is van een stevige verdenking dat de verdachte een misdrijf heeft gepleegd waarop de wet een gevangenisstraf van minimaal 4 jaar stelt. Er is dan ook sprake van ‘ernstige bezwaren’ die op grond van de wet nodig zijn om de voorlopige hechtenis te kunnen handhaven. Dat geldt zowel voor de openlijke geweldpleging als voor de poging tot doodslag, op basis van (onder meer) de duidelijke koppeling die de getuigen leggen met de bijnaam van de verdachte en het e-mailadres dat hij gebruikt. Er is geen sprake van een situatie waarin ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte, als hij wordt veroordeeld, een lagere straf krijgt dan de tijd die de voorlopige hechtenis al heeft geduurd.



Er is sprake van een verdenking van een misdrijf waarop de wet een gevangenisstraf van minimaal 12 jaar stelt en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.



Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij eerder strafbare feiten heeft gepleegd waarbij geweld werd gebruikt. De rechtbank ziet hierin nog steeds het risico dat de verdachte na vrijlating:



een misdrijf zal plegen waarop de wet een gevangenisstraf van minimaal 6 jaar stelt en


een misdrijf zal plegen dat de gezondheid of de veiligheid van personen in gevaar kan brengen.




Op grond van de geschokte rechtsorde en het gevaar voor herhaling wordt de voorlopige hechtenis gehandhaafd.




Beslissing over het schorsingsverzoek

De rechter kan de voorlopige hechtenis schorsen onder daarbij te stellen voorwaarden. Dat volgt uit artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering. Op deze manier wordt mede invulling gegeven aan het subsidiariteitsbeginsel.



De verdachte is voorwaardelijk in vrijheid gesteld na het uitzitten van een eerdere gevangenisstraf. De voorwaardelijke invrijheidstelling is voor de volledige duur van 117 dagen herroepen. De rechtbank Rotterdam heeft het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Daarmee staat vast dat de verdachte deze 117 dagen moet uitzitten.



In haar beslissing van 11 augustus 2026 heeft de rechtbank overwogen dat het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf een alternatief is dat minder ingrijpt op het fundamentele recht op vrijheid van een verdachte dan het vasthouden in voorlopige hechtenis.



Anders dan in deze beslissing, staat in dit geval echter niet vast dat het uitzitten van de 117 dagen gevangenisstraf dezelfde bescherming biedt tegen de gevaren dat de verdachte een nieuw strafbaar feit pleegt of zich onttrekt aan de strafzaak. De rechtbank beschikt niet over informatie van het Openbaar Ministerie of van de penitentiaire inrichting die voldoende zekerheid biedt dat deze gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd aansluitend aan de voorlopige hechtenis. Die zekerheid is, gelet op de aard van de zaak en de gronden voor de voorlopige hechtenis, wel nodig om de voorlopige hechtenis te kunnen schorsen.



De rechtbank wijst het schorsingsverzoek daarom af. De verdachte kan een nieuw schorsingsverzoek doen, als hij meer informatie heeft over de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.





Beslissing


De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
- wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.



Deze beslissing is genomen op de terechtzitting van 2 september 2026 door:



mr. K. de Meulder, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. J.T. Pouw, rechters, in aanwezigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk, griffier. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.





Zie de beslissingen van 24 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5594, van 15 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6488 en ECLI:NL:RBZWB:2026:6491 en van 23 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6784.


ECLI:NL:RBMNE:2026:5476.