Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9979

2026-07-30 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/720355 / FA RK 26-4203
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/10/720355 / FA RK 26-4203
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek gezagsbeëindigende maatregel. Gelet op de tegenstrijdige lezingen van de vader enerzijds en de moeder en de kinderen anderzijds over een onvrijwillig verblijf in Syrië en het feit dat niet is te verwachten dat er op korte termijn meer duidelijkheid zal komen over de feiten, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader, voorzover dat is gebaseerd op misbruik van gezag door de vader, onvoldoende is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is wel voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.411 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Team Jeugd



Zaaknummer: C/10/720355 / FA RK 26-4203
Datum uitspraak: 30 juli 2026




Beschikking van de meervoudige kamer over een verzoek tot gezagsbeëindiging




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te [plaats] , hierna te noemen: de Raad,



over





[kind 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ), hierna te noemen: [kind 1] ,





[kind 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ), hierna te noemen: [kind 2] ,





[kind 3]
,
geboren op [geboortedatum 3] 2012 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland 2] ), hierna te noemen: [kind 3] ,





[kind 4]
,
geboren op [geboortedatum 4] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [kind 4] ,





[kind 5]
,
geboren op [geboortedatum 5] 2020 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [kind 5] ,





[kind 6]
,
geboren op [geboortedatum 6] 2024 in [geboorteplaats 4] , hierna te noemen: [kind 6] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.C. Herrewijnen, kantoorhoudende te Rotterdam,





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift van de Raad van 27 mei 2026 met bijlage, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;


het bericht van de advocaat van de vader van 22 juni 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.




Op 16 juli 2026 heeft de advocaat van de vader nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft deze stukken bij de beoordeling van het verzoek buiten beschouwing gelaten, nu deze na het sluiten van de mondelinge behandeling zijn binnengekomen.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger] .


De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.




1.3.
Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Arabische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van A. Al Zobani, tolk in de Arabische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.



1.4.
De rechtbank heeft [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] naar hun mening gevraagd. [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] hebben geen mening gegeven.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] , [kind 4] , [kind 5] en [kind 6] .



2.2.

[kind 1] , [kind 2] , [kind 3] , [kind 4] , [kind 5] en [kind 6] wonen bij hun moeder.



2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 maart 2026 is de vader geschorst in de uitoefening van zijn gezag over [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] , [kind 4] , [kind 5] en [kind 6] .




3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en het verzoek als volgt toegelicht. In december 2025 is de moeder met de kinderen naar Syrië gereisd voor een bezoek aan oma moederszijde. Vader heeft de terugkeer van de moeder en de kinderen naar Nederland verhinderd door hun paspoorten in te nemen. Ook zijn de moeder en de kinderen tijdens hun verblijf in Syrië, zonder hun medeweten, uitgeschreven bij de woningbouwvereniging en bij de gemeente. Daarmee heeft de vader zijn gezag misbruikt.
Daarnaast zijn er zorgen over de emotionele en fysieke veiligheid van de kinderen. In 2021 is hulpverlening ingezet in het gezin in verband met huiselijk geweld. Deze hulpverlening heeft onvoldoende resultaat gehad. In september 2025 is de vader door de politie aangehouden op verdenking van kindermishandeling. De kinderen hebben verklaard dat zij door de vader zijn mishandeld en de politie heeft bij [kind 1] en [kind 3] letsel geconstateerd. Deze strafzaak loopt nog. Ook zijn er zorgen over het controlerend gedrag van de vader. De kinderen hebben verteld dat zij van de vader direct na schooltijd naar huis moeten komen en geen contact mogen hebben met leeftijdsgenoten. Ook moeten zij hun telefoon inleveren bij de vader wanneer zij weer thuis zijn. De moeder verblijft momenteel met de kinderen op een geheim adres. De kinderen gaan sinds de terugkomst uit Syrië niet naar school. Er is angst dat de vader, als hij het gezag behoudt, te weten zal komen waar de kinderen wonen. Dit levert spanning, onduidelijkheid en gevaar op voor de kinderen. De Raad acht de beëindiging van het gezag van de vader daarom noodzakelijk in het belang van de kinderen.
Op de zitting heeft de Raad subsidiair verzocht om de kinderen onder toezicht te stellen en te bepalen dat de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door Jeugdbescherming west of Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.




4.2.
Door en namens de vader is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder is met de kinderen naar Syrië vertrokken vanwege de druk die zij ervaarde door het onderzoek door de Raad en omdat zij bang was voor een uithuisplaatsing van de kinderen. De vader ontkent dat hij in Syrië de paspoorten van de moeder en de kinderen heeft afgepakt en hen heeft weerhouden van de terugkeer naar Nederland. Ook is het onjuist wat de kinderen bij de politie hebben verklaard. De vader schreeuwt wel tegen de kinderen maar hij mishandelt ze niet. Namens de vader wordt primair verzocht het verzoek af te wijzen omdat er te veel onduidelijkheid is over wat er nu feitelijk is gebeurd. Subsidiair wordt verzocht de moeder en [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] te horen als getuigen over het verzoek van de Raad, alvorens de rechtbank een beslissing neemt. De vader heeft op de zitting aangegeven zich niet te verzetten tegen het subsidiaire verzoek van de Raad om de kinderen onder toezicht te stellen.





5De beoordeling



Het toetsingskader



5.1.
In artikel 1:266 lid 1van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:


een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn of


de ouder het gezag misbruikt.





5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het ouderlijk gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige, beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan bij die beoordeling voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.



Beoordeling van het verzoek




5.3.
Naar de rechtbank ter zitting gelet op de toelichting heeft begrepen baseert de Raad het verzoek niet alleen op de grondslag genoemd in artikel 1:266 lid 1 BW onder b, maar ook op de grondslag genoemd in artikel 1:266 lid 1 BW onder a.



5.4.
De rechtbank stelt vast dat de lezing van de vader en de lezing van de moeder en de kinderen over de gebeurtenissen in Syrië en de uitschrijving bij de woningbouwvereniging en de gemeente zeer uiteenlopen. De Raad heeft het verzoek gebaseerd op de lezing van de moeder en de kinderen dat de vader in Syrië hun paspoorten heeft ingenomen en hen zonder toestemming heeft uitgeschreven en zo heeft belet dat zij naar Nederland konden terugkeren. De vader ontkent dit. Wel staat vast dat het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating en het ministerie van Buitenlandse Zaken betrokken zijn geweest bij de repatriëring van de moeder en de kinderen naar Nederland. Ter zitting heeft de advocaat van de vader aangegeven dat hij heeft geïnformeerd bij het Openbaar Ministerie of er een aangifte bekend is van het onvrijwillige verblijf in Syrië. Dit blijkt niet het geval te zijn. Ook de Raad heeft op de zitting aangegeven niet bekend te zijn met een aangifte of een strafrechtelijk onderzoek naar de gang van zaken in Syrië.



5.5.
Gelet op de tegenstrijdige lezingen van de vader enerzijds en de moeder en de kinderen anderzijds en het feit dat niet is te verwachten dat er op korte termijn meer duidelijkheid zal komen over de feiten, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader, voorzover dat is gebaseerd op misbruik van gezag door de vader, onvoldoende is onderbouwd.



5.6.
Met betrekking tot de grondslag genoemd in artikel 1:266 lid 1 BW onder a overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken blijkt dat er aanwijzingen zijn voor mishandeling van de kinderen door de vader. De kinderen hebben hierover bij de politie verklaard en ook is bij [kind 1] en [kind 3] letsel geconstateerd. Momenteel loopt er een strafrechtelijk onderzoek naar de vader. Ook komt uit de stukken naar voren dat er zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de vader en de opvoedsituatie thuis. Op basis van deze aanwijzingen en zorgen concludeert de rechtbank dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.



5.7.
Voor de rechtbank staat evenwel niet vast dat de vader niet (meer) in staat is de verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking het verzoek van de Raad van 29 december 2025 om de kinderen vanwege de hiervoor vermelde zorgen voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen. Dit verzoek heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 17 februari 2026 afgewezen, onder meer omdat de kinderen op dat moment bij de moeder in Syrië verbleven en de GI aangaf geen uitvoering aan een ondertoezichtstelling te kunnen geven op de wijze die de Raad voor ogen had. Daarbij overwoog de kinderrechter dat bij terugkeer van de moeder met de kinderen, de Raad eventueel een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling zou kunnen indienen.


5.8.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ook niet is voldaan aan het wettelijk criterium voor een gezagsbeëindiging genoemd in artikel 1:266 lid 1 BW onder a. De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader daarom afwijzen.



5.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is wel voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. Zoals hiervoor is overwogen, worden de kinderen ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en is de verwachting gerechtvaardigd dat de ouders, in het bijzonder de vader, binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Uit de stukken is gebleken dat eerder ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende resultaat heeft gehad.



5.10.
Het subsidiaire verzoek van de Raad zal de rechtbank daarom toewijzen. Gezien de ernst van de ontwikkelingsbedreiging en de aard en complexiteit van de problematiek zal de rechtbank de kinderen onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de ondertoezichtstelling zal worden uitgevoerd door Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, omdat deze gecertificeerde instelling landelijk werkt.



5.11.
In het kader van de ondertoezichtstelling dient te worden onderzocht of contactherstel tussen de vader enerzijds en de moeder en/of de kinderen anderzijds mogelijk is en zo ja, onder welke voorwaarden, en of een eventuele terugkeer naar huis op een veilige manier kan worden vormgegeven. Ook dient passende noodzakelijke hulpverlening te worden ingezet in het belang van de kinderen.



5.12.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



5.13.
Omdat de rechtbank overeenkomstig het primaire verzoek van de vader het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader, zal afwijzen, komt de rechtbank niet toe aan het beoordelen van het subsidiaire verzoek van de vader.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
wijst af het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader;


6.2.
stelt [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] , [kind 4] , [kind 5] en [kind 6] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 30 juli 2026 tot 30 juli 2027;



6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.










Deze beschikking is gegeven door mr. L.L.H. Roebroek, voorzitter tevens kinderrechter, mr. G.M. Paling en mr. R. van den Wildenberg, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van mr. V.A. Versloot als griffier.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.


Artikel 1:255 BW.